1 Macabeus 13
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Simão soube que Trifão havia reunido um poderoso exército para entrar na terra de Judá e destruí-la completamente.
1Toen Sjimon dus hoorde, dat Trúfon een groot leger op de been had gebracht, om Juda binnen te vallen en het te vernietigen,
2Viu que o povo tremia de grande medo. Então subiu a Jerusalém e reuniu o povo.
2en hij zag, dat het volk bang en angstig was geworden, ging hij naar Jerusalem, om een volksvergadering te houden.
3Encorajou-os, dizendo: “Vocês mesmos sabem tudo o que eu, meus irmãos e a casa de meu pai fizemos pelas leis e pelo santuário, e sabem das batalhas e aflições que enfrentamos.
3Daar sprak hij hun moed in en zeide: Gij weet, wat ik, mijn broers en het huis van mijn vader hebben gedaan voor de wet en het heiligdom, en wat voor oorlogen en rampen wij hebben doorstaan.
4Por causa disso, todos os meus irmãos morreram por Israel, e somente eu fiquei.
4Voor deze zaak zijn al mijn broers voor Israël gesneuveld; ik alleen ben nog overgebleven.
5Longe de mim poupar minha própria vida em qualquer tempo de aflição, pois não sou melhor do que meus irmãos.
5Maar ik denk er niet aan, mijn leven te sparen, onder welke benarde omstandigheden ook; want ik ben niet beter dan mijn broers.
6Pelo contrário, vingarei minha nação, o santuário, nossas esposas e nossos filhos, porque todos os gentios se reuniram por ódio para nos destruir.”
6Wraak zal ik nemen voor mijn volk en het heiligdom, voor onze vrouwen en kinderen; want uit haat hebben alle heidenen samengespannen, om ons te verdelgen.
7Assim que o povo ouviu essas palavras, seu ânimo reviveu.
7Toen het volk deze woorden hoorde, laaide de moed weer op, en het juichte:
8Responderam em alta voz: “Você é nosso líder no lugar de Judas e Jônatas, seus irmãos.
8Gij zijt onze aanvoerder in de plaats van Judas en van uw broer Jonatan.
9Lute nossas batalhas, e faremos tudo o que você nos ordenar.”
9Neem gij de leiding in onze krijg; wij zullen alles doen, wat gij beveelt.
10Simão reuniu todos os homens de guerra e se apressou em terminar os muros de Jerusalém. Fortificou-a por todos os lados.
10Nu riep hij alle strijdbare mannen op, liet de muren van Jerusalem zo gauw mogelijk opbouwen, en versterkte de stad aan alle kanten.
11Enviou Jônatas, filho de Absalão, com um grande exército a Jope. Ele expulsou os que estavam na cidade e passou a morar ali.
11Bovendien zond hij Jonatan, den zoon van Absalom, met een voldoend aantal soldaten naar Jóppe; deze joeg de inwoners weg en hield de stad bezet.
12Trifão saiu de Ptolemaida com um poderoso exército para entrar na terra de Judá, levando Jônatas sob guarda.
12Intussen was Trúfon met een groot leger van Ptolemáis opgerukt, om het land Juda binnen te vallen; hij had Jonatan als krijgsgevangene meegenomen.
13Simão, porém, acampou em Adida, perto da planície.
13Daarom sloeg Sjimon zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte.
14Trifão soube que Simão havia assumido a posição de Jônatas, seu irmão, e pretendia enfrentá-lo em batalha. Por isso lhe enviou mensageiros, dizendo:
14Toen Trúfon vernam, dat Sjimon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen, en van plan was, de strijd tegen hem te beginnen, zond hij een gezantschap naar hem toe, en liet hem zeggen:
15“Estamos mantendo Jônatas, seu irmão, preso por causa do dinheiro que ele deve ao tesouro do rei em razão dos cargos que ocupou.
15Wij houden uw broer Jonatan vast, omdat hij bij de uitoefening van zijn ambt schulden heeft gemaakt ten koste van de koninklijke schatkist.
16Envie agora cem talentos de prata e dois dos filhos dele como reféns, para que, depois de libertado, não se revolte contra nós; então o soltaremos.”
16Wij laten hem vrij, als gij ons honderd talenten zilver zendt en bovendien twee van zijn zoons als gijzelaars; want anders valt hij na zijn vrijstelling weer van ons af.
17Simão sabia que falavam com engano, mas mandou buscar o dinheiro e os filhos, para não provocar grande hostilidade entre o povo,
17Ofschoon Sjimon het listige van hun voorstel doorzag, liet hij het geld en de knapen toch halen, om zich niet erg gehaat te maken bij het volk,
18que poderia dizer: “Jônatas morreu porque eu não enviei o dinheiro e os filhos.”
18dat anders zou zeggen: Omdat hij het geld en de knapen niet heeft willen geven, is Jonatan omgekomen.
19Assim enviou os filhos e os cem talentos. Trifão, porém, mentiu e não libertou Jônatas.
19Hij zond dus de knapen en de honderd talenten; maar Trúfon brak zijn woord, en liet Jonatan niet los.
20Depois disso, Trifão veio para invadir e destruir a terra e fez um desvio pelo caminho que leva a Adora. Simão e seu exército marchavam perto dele por todos os lugares por onde passava.
20Nu brak Trúfon op, om naar Judea te trekken, en het te verwoesten. Daarvoor maakte hij een omweg over Adóra. Maar overal waar hij heentrok, trad Sjimon met zijn leger hem in de weg.
21Os homens da cidadela enviaram mensageiros a Trifão, insistindo para que viesse até eles pelo deserto e lhes enviasse alimento.
21De burchtbezetting zond echter een boodschap naar Trúfon, om hem er toe te bewegen, toch door de woestijn naar hen toe te komen, en hen van levensmiddelen te voorzien.
22Trifão preparou toda a sua cavalaria para ir até eles, mas naquela noite caiu uma neve muito forte, e ele não conseguiu ir por causa da neve. Então partiu e entrou na terra de Gileade.
22Daarom liet Trúfon zijn gehele ruiterij er op uit rukken. Maar er viel in de nacht zoveel sneeuw, dat men door de sneeuw niet vooruit kon. Nu trok hij maar af, en ging naar Gilad;
23Quando chegou perto de Bascama, matou Jônatas, que foi sepultado ali.
23en toen hij in de nabijheid van Báskama kwam, liet hij Jonatan vermoorden, die daar ook begraven werd.
24Depois Trifão voltou e foi para sua própria terra.
24Daarop maakte Trúfon rechtsomkeer, en ging terug naar zijn land.
25Simão mandou buscar os ossos de Jônatas, seu irmão, e os sepultou em Modim, cidade de seus antepassados.
25Nu liet Sjimon het gebeente van zijn broer Jonatan weghalen, en begroef het in Modin, de stad van zijn vaderen.
26Todo Israel fez grande lamentação por ele e o pranteou durante muitos dias.
26Heel Israël hield een plechtige dodenklacht over hem, en men beweende hem dagen lang.
27Simão construiu um monumento sobre o túmulo de seu pai e de seus irmãos e o ergueu bem alto, para que pudesse ser visto, revestindo a frente e os fundos com pedra polida.
27Vervolgens liet Sjimon op het graf van zijn vader en van zijn broers een gedenkteken oprichten, van voren en achteren van gepolijste steen, en zo hoog, dat het uit verte te zien was.
28Também levantou sete pirâmides, uma ao lado da outra, para seu pai, sua mãe e seus quatro irmãos.
28Daarop plaatste hij zeven pyramiden tegenover elkander: voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers.
29Ao redor delas fez uma estrutura elaborada, levantando grandes colunas. Sobre as colunas colocou representações de armaduras como memorial permanente e, ao lado das armaduras, esculpiu navios, para que fossem vistos por todos os que navegassem pelo mar.
29Hier omheen ontwierp hij een sierlijke en hoge zuilengang, en op de zuilen liet hij, tot een eeuwig aandenken, wapenrustingen aanbrengen en naast de wapenrustingen gebeeldhouwde schepen; want het moest door alle zeevarenden gezien kunnen worden.
30Este é o túmulo que ele construiu em Modim, e permanece até hoje.
30Dit was het grafmonument, dat hij in Modin oprichtte, en en dat nu nog bestaat.
31Trifão enganou o jovem rei Antíoco e o matou.
31Intussen was Trúfon op verraderlijke wijze tegen den jongen koning Antiochus te werk gegaan, en had hem laten vermoorden.
32Reinou em seu lugar, colocou sobre si a coroa da Ásia e trouxe grande calamidade sobre a terra.
32Hij trad in zijn plaats als koning op, zette zich de kroon van Azië op het hoofd, en bracht veel onheil over het land.
33Simão reconstruiu as fortalezas da Judeia e cercou-as com altas torres, grandes muros, portões e trancas, e armazenou alimento nas fortalezas.
33Maar Sjimon ging voort met het bouwen van vestingen in Judea; hij voorzag ze van hoge torens, zware muren, poorten en grendels, en liet in de vestingen levensmiddelen opslaan.
34Simão escolheu alguns homens e os enviou ao rei Demétrio para pedir que concedesse imunidade ao país, pois tudo o que Trifão fazia era saquear.
34Tevens koos Sjimon enkele mannen uit, die hij naar koning Demétrius zond, om te verkrijgen, dat het land zou worden ontzien, daar Trúfon niets anders gedaan had dan roven.
35O rei Demétrio respondeu conforme esse pedido e escreveu-lhe a seguinte carta:
35Koning Demétrius willigde zijn verzoek in, en zond hem een schriftelijk antwoord van de volgende inhoud:
36“O rei Demétrio a Simão, sumo sacerdote e amigo dos reis, aos anciãos e à nação dos judeus, saudações.
36Koning Demétrius, aan Sjimon, den hogepriester en vriend van de koningen, aan de oudsten en aan het volk der Joden: heil!
37Recebemos a coroa de ouro e o ramo de palmeira que vocês enviaram. Estamos prontos para estabelecer com vocês uma paz firme e também escrever aos nossos oficiais para isentá-los de tributos.
37De gouden kroon en de palmtak, die gij hebt gezonden, hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid, om een duurzame vrede met u te sluiten, en zullen aan onze ambtenaren berichten, dat zij u moeten vrijstellen van belasting.
38Tudo o que confirmamos a vocês permanece confirmado. As fortalezas que construíram pertencerão a vocês.
38Wat wij vroeger voor u hebben bepaald, blijft van kracht; ook moogt gij de vestingen, die gij gebouwd hebt, behouden.
39Perdoamos quaisquer faltas e transgressões cometidas até hoje, bem como a taxa da coroa que vocês nos deviam. Se algum outro imposto era cobrado em Jerusalém, não seja mais cobrado.
39Al uw misstappen en tekortkomingen, tot op de dag van vandaag, schelden wij u kwijt. Bovendien zullen de kroongelden, die gij moet opbrengen, en de andere cijnzen, die er in Jerusalem worden geheven, niet langer verplicht zijn.
40Se houver entre vocês homens qualificados para serem inscritos em nossa corte, que sejam inscritos. Haja paz entre nós.”
40En wanneer er onder u mochten worden gevonden, die geschikt zijn, om in onze lijfwacht te worden opgenomen, dan kunnen zij worden ingeschreven. Er moet dus vrede tussen ons zijn.
41No ano cento e setenta, o jugo dos gentios foi retirado de Israel.
41Zo werd in het jaar het juk der heidenen van Israël weggenomen,
42O povo começou a escrever em seus documentos e contratos: “No primeiro ano de Simão, o grande sumo sacerdote, comandante e líder dos judeus.”
42en het volk begon in oorkonden en contracten te schrijven: In het eerste jaar van Sjimon, den hogepriester, veldheer en vorst der Joden.
43Naqueles dias, Simão acampou contra Gazara e a cercou com tropas. Construiu uma torre de cerco, aproximou-a da cidade, golpeou uma torre e a tomou.
43In die tijd sloeg Sjimon het beleg om Gézer en sloot het met zijn leger in. Hij liet een belegeringstoren opstellen, bracht die dicht bij de stad, en wist een der stadstorens zo te havenen, dat hij hem kon innemen.
44Os homens que estavam na torre de cerco saltaram para dentro da cidade, e houve grande tumulto ali.
44Toen sprongen de soldaten van de belegeringstoren de stad in en verwekten grote verwarring.
45Os habitantes da cidade rasgaram as roupas, subiram aos muros com suas esposas e seus filhos e clamaram em alta voz, pedindo que Simão lhes estendesse a mão direita.
45Nu kwamen de inwoners met vrouwen en kinderen op de muren, scheurden hun klederen en smeekten Sjimon met luider stem, dat hij vrede zou sluiten.
46Disseram: “Não nos trate segundo nossas maldades, mas segundo sua misericórdia.”
46Zij riepen: Behandel ons niet naar onze misdaden, maar volgens uw barmhartigheid.
47Simão reconciliou-se com eles e não lutou mais contra eles. Expulsou-os da cidade, purificou as casas onde estavam os ídolos e depois entrou na cidade com cânticos e louvores.
47En Sjimon liet zich verbidden, en bestreed hen niet verder. Maar hij joeg hen de stad uit, liet de huizen reinigen, waarin zich afgodsbeelden bevonden, en hield toen zijn intocht onder het zingen van lofzang en danklied.
48Removeu dela toda impureza, colocou ali homens que guardavam a Lei, fortaleceu-a mais do que antes e construiu para si uma residência nela.
48Al wat onrein was ruimde hij op, en liet er mensen wonen, die de wet onderhielden; hij herstelde de vestingwerken en liet er een huis voor zich bouwen.
49Os homens da cidadela em Jerusalém estavam impedidos de sair, de entrar na região e de comprar e vender. Por isso sofreram grande fome, e muitos deles morreram.
49Ondertussen bleef voor de bewoners van de burcht in Jerusalem elk contact met de buitenwereld, en iedere koop en verkoop afgesloten. Zij leden derhalve groot gebrek, en velen van hen kwamen om van honger.
50Então clamaram a Simão para que lhes estendesse a mão direita, e ele concordou. Expulsou-os dali e purificou a cidadela de suas contaminações.
50Toen smeekten zij Sjimon om vrede, en hij schonk hun de vrede. Maar hij joeg hen de burcht uit, en reinigde die van de ontering.
51Entrou nela no vigésimo terceiro dia do segundo mês, no ano cento e setenta e um, com louvores e ramos de palmeira, harpas, címbalos, instrumentos de cordas, hinos e cânticos, porque um grande inimigo havia sido destruído em Israel.
51En op de drie en twintigste dag van de tweede maand in het jaar 171 hield hij zijn plechtige intocht onder gejuich en het wuiven van palmen, onder het spelen van citers, cymbalen en harpen, en het zingen van hymnen en liederen: Want de grote vijand was uit Israël verdreven!
52Simão determinou que aquele dia fosse celebrado todos os anos com alegria. Fortificou a colina do templo que ficava junto à cidadela, tornando-a mais forte do que antes, e passou a morar ali com seus homens.
52En Sjimon bepaalde, dat men deze dag elk jaar in vreugde zou vieren. Hij versterkte de tempelberg naast de burcht, en ging daar met de zijnen wonen.
53Simão viu que João, seu filho, já era homem. Por isso o nomeou comandante de todas as suas tropas, e João passou a morar em Gazara.
53En omdat Sjimon ondervonden had, dat zijn zoon Johannes een volwassen man was geworden, stelde hij hem aan tot bevelhebber over alle troepen. Deze ging zich toen in Gézer vestigen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.