Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Judas, seu filho, chamado Macabeu, levantou-se em seu lugar.
1Zijn zoon Judas, de Makkabeër genaamd, volgde hem op.
2Todos os seus parentes o ajudaram, assim como todos os que haviam se unido a seu pai, e lutaram com alegria a batalha de Israel.
2Al zijn broers met heel de aanhang van zijn vader stonden hem terzijde, en streden geestdriftig voor Israël.
3Ele trouxe grande glória ao seu povo, vestiu uma couraça como um gigante, cingiu suas armas de guerra, organizou batalhas e protegeu o exército com sua espada.
3Hij maakte alom zijn volk beroemd! Hij schoot in het harnas als een held, In zijn wapenrusting trok hij ten strijde, En beschutte het legerkamp met zijn schild.
4Em seus feitos, era como um leão e como um filhote de leão rugindo por sua presa.
4Hij was als een leeuw in al zijn daden, Een leeuwenwelp, die brult om prooi.
5Perseguiu e caçou os homens sem Lei e queimou os que perturbavam seu povo.
5Afvalligen speurde hij op, en jaagde ze na, Die zijn volk durfden kwellen, wierp hij in het vuur.
6Os homens sem Lei recuaram de medo dele; todos os que praticavam a injustiça ficaram muito perturbados, e a libertação prosperou em suas mãos.
6De trouwelozen krompen voor hem ineen van schrik, En alle boosdoeners stonden te beven. Door hem werd de weg ter redding gebaand,
7Provocou a ira de muitos reis e alegrou Jacó com seus feitos. Sua memória é bendita para sempre.
7Maar vele koningen heeft hij verbitterd. Hij bracht Jakob in verrukking om wat hij deed, En bracht de verstrooiden bijeen;
8Percorreu as cidades de Judá, destruiu os ímpios da terra e afastou a ira de Israel.
8Hij doorkruiste Juda van stad tot stad, de goddelozen verdelgend, Maar van Israël wendde hij Gods gramschap af.
9Seu nome tornou-se conhecido até os confins da terra. Reuniu os que estavam prestes a perecer.
9Tot de grenzen der aarde reikt zijn roem, Zijn gedachtenis blijft eeuwig in ere!
10Apolônio reuniu os gentios e um grande exército da Samaria para lutar contra Israel.
10Nu riep Apollónius zijn heidense troepen en een grote legermacht uit Samaria op, om tegen Israël te strijden.
11Judas soube disso, saiu ao encontro dele, derrotou-o e o matou. Muitos caíram feridos de morte, e os restantes fugiram.
11Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij bracht hem de nederlaag toe, en doodde hem; velen werden gewond en sneuvelden, en de overigen sloegen op de vlucht.
12Tomaram seus despojos, e Judas tomou a espada de Apolônio e lutou com ela todos os dias de sua vida.
12Men bemachtigde de legerbuit, en Judas legde beslag op het zwaard van Apollónius, en bleef er heel zijn leven mee strijden.
13Serom, comandante do exército da Síria, ouviu que Judas havia reunido uma grande multidão, incluindo um grupo de homens fiéis que permaneciam com ele e saíam para a guerra.
13Intussen had Séron, de aanvoerder van het syrische leger, vernomen, dat Judas een leger had bijeengebracht met een groep getrouwen, die met hem in de strijd wilden trekken.
14Ele disse: “Conquistarei para mim um nome e glória no reino. Lutarei contra Judas e os que estão com ele, que desprezam a ordem do rei.”
14En nu dacht hij bij zichzelf: Ik zal mij in het rijk bekend en beroemd maken, door Judas te verslaan met zijn aanhang, die het bevel van den koning verachten.
15Um poderoso exército de ímpios subiu com ele para ajudá-lo a se vingar dos filhos de Israel.
15Zo rukte ook hij op, door een machtig leger van goddelozen gevolgd, die hem helpen wilden, om op de zonen van Israël wraak te nemen.
16Ele se aproximou da subida de Bet-Horom, e Judas saiu ao encontro dele com um pequeno grupo.
16Zodra hij de bergpas van Bet-Choron bereikt had, trok Judas hem met een klein troepje soldaten tegemoet.
17Quando viram o exército vindo contra eles, disseram a Judas: “Como poderemos, sendo tão poucos, lutar contra uma multidão tão grande e poderosa? Além disso, estamos fracos, pois hoje não provamos alimento algum.”
17Toen dezen dan ook dat leger op zich zagen afkomen, zeiden ze tot Judas: Hoe zal een kleine troep als de onze tegen zulk een overmacht kunnen strijden? En daar komt nog bij, dat wij uitgeput zijn, omdat wij vandaag nog niets hebben gegeten.
18Judas respondeu: “É fácil muitos serem cercados pelas mãos de poucos. Para o céu, tanto faz salvar por muitos ou por poucos,
18Maar Judas sprak: Het is gemakkelijk genoeg, om een grote troep in de handen van een kleinere over te leveren; want voor de hemel blijft het gelijk, redding te brengen door velen of weinigen!
19pois a vitória na batalha não depende da multidão de um exército; a força vem do céu.
19In de strijd hangt de zege niet af van de legersterkte, maar van de kracht uit de hemel.
20Eles vêm contra nós cheios de insolência e injustiça, para nos destruir, juntamente com nossas esposas e nossos filhos, e para nos saquear;
20Vol trots en boosheid komen zij op ons af, om ons te verdelgen met vrouwen en kinderen, en ons leeg te plunderen.
21nós, porém, lutamos por nossa vida e por nossas leis.
21Maar wij, wij strijden voor ons leven en voor onze wet,
22Ele mesmo os esmagará diante de nós. Quanto a vocês, não tenham medo deles.”
22en God zal hen voor onze ogen verpletteren. Weest dus voor hen maar niet bang!
23Assim que terminou de falar, lançou-se de repente contra Serom e seu exército, e eles foram derrotados diante dele.
23Nauwelijks had hij dit gezegd, of onverwacht stormde hij op hen los, zodat Séron met zijn leger door hem werd verpletterd.
24Perseguiram-nos pela descida de Bet-Horom até a planície, e cerca de oitocentos homens deles caíram. Os demais fugiram para a terra dos filisteus.
24Ze achtervolgden hen in de pas van Bet-Choron tot aan de vlakte; er sneuvelden van hen ongeveer achthonderd man, en de overigen vluchtten naar het land der Filistijnen.
25Então o temor de Judas e de seus irmãos, e o pavor deles, começaram a cair sobre as nações ao redor.
25Van nu af kreeg men ontzag voor Judas en zijn broers, en een radeloze angst maakte zich meester van de heidenen uit hun omgeving.
26Sua fama chegou ao rei, e todas as nações falavam das batalhas de Judas.
26De naam van Judas drong door tot den koning, en de hele wereld sprak over zijn vechten.
27Quando o rei Antíoco ouviu essas notícias, encheu-se de indignação. Mandou reunir todas as forças de seu reino, um exército extremamente poderoso.
27Toen koning Antiochus dit alles vernam, werd hij woedend, en liet uit de gehele weermacht van zijn rijk een ontzaggelijk leger samenstellen.
28Abriu seu tesouro, pagou às tropas o soldo de um ano e ordenou que estivessem prontas para qualquer necessidade.
28Hij opende zijn schatkist, betaalde zijn troepen een jaar soldij vooruit, en wees hen er op dat zij voor alle mogelijke gebeurtenissen klaar moesten staan.
29Viu que o dinheiro de seus tesouros havia acabado e que os tributos do país eram poucos por causa da divisão e do desastre que ele havia trazido sobre a terra ao tentar abolir as leis existentes desde os tempos antigos.
29Maar hij bemerkte al gauw, dat het geld in zijn schatkist dreigde op te raken; want de inkomsten uit de belasting waren in zijn gebied sterk geslonken tengevolge van het oproer en de noodtoestand, waarin hij zelf het land had gebracht door het afschaffen der aloude gebruiken.
30Teve medo de não ter o suficiente, como em outras ocasiões, para as despesas e os presentes que costumava distribuir generosamente, com mais abundância do que os reis que o antecederam.
30Hij begon dus te vrezen, dat hij evenals bij vorige gelegenheden geen geld meer zou hebben voor zijn spilzucht en voor de geschenken, die hij vroeger met kwistige hand had uitgedeeld, en waarin hij vorige koningen verre overtrof.
31Ficou profundamente perplexo e decidiu ir à Pérsia, recolher os tributos daqueles países e juntar muito dinheiro.
31Ten einde raad besloot hij naar Perzië te trekken, om de belastingen der provincies te innen en zó veel geld bijeen te brengen.
32Deixou Lísias, homem honrado e de linhagem real, encarregado dos assuntos do rei desde o rio Eufrates até as fronteiras do Egito,
32Hij liet echter Lúsias achter, een hooggeplaatst persoon van koninklijke adel, om de staatszaken te regelen in de landen tussen de Eufraat en de grens van Egypte,
33e encarregado de criar seu filho Antíoco até que ele voltasse.
33en om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou zijn teruggekeerd.
34Entregou a Lísias metade de suas tropas e os elefantes e lhe deu ordens a respeito de tudo o que queria que fosse feito, especialmente quanto aos habitantes da Judeia e de Jerusalém:
34Hij stelde hem de helft der weermacht en de olifanten ter beschikking, en gaf hem aanwijzingen, wat hij allemaal wenste, vooral met betrekking tot de bewoners van Juda en Jerusalem.
35deveria enviar um exército contra eles para arrancar e destruir a força de Israel e o remanescente de Jerusalém e apagar sua memória daquele lugar;
35Hij moest namelijk een leger op hen afzenden, om het verzet van Israël te breken, en wat er van Jerusalem nog over was te verwoesten;
36deveria fazer estrangeiros habitarem em todo o território deles e dividir a terra entre esses estrangeiros por sorteio.
36al wat in die streek aan hen kon herinneren, moest hij uitroeien, hun hele gebied met vreemdelingen bevolken, en hun land onder dezen door het lot verdelen.
37O rei tomou a metade restante das tropas e deixou Antioquia, sua cidade real, no ano cento e quarenta e sete; atravessou o rio Eufrates e percorreu as regiões do norte.
37De koning zelf nam de andere helft van de troepen, vertrok in het jaar 147 uit zijn hoofdstad Antiochië, stak de Eufraat over en doorkruiste de hoger gelegen gebieden.
38Lísias escolheu Ptolomeu, filho de Dorímenes, Nicanor e Górgias, homens poderosos dentre os amigos do rei,
38Nu wees Lúsias onder de vertrouwelingen van den koning enkele dappere mannen aan; het waren Ptoleméus, de zoon van Dorúmenes, Nikánor en Górgias.
39e enviou com eles quarenta mil soldados de infantaria e sete mil cavaleiros para entrar na terra de Judá e destruí-la conforme a palavra do rei.
39Hij zond hen met veertigduizend man voetvolk en zevenduizend ruiters uit, om Juda binnen te vallen en het volgens koninklijk bevel geheel te verwoesten.
40Eles partiram com todo o exército e chegaram perto de Emaús, onde acamparam na planície.
40Zij trokken dus op met al hun troepen, rukten er binnen, en sloegen hun legerkamp op in de vlakte bij Emmaus.
41Os mercadores da região ouviram falar da fama deles e vieram ao acampamento com muita prata, ouro e correntes, para comprar os filhos de Israel como escravos. Tropas da Síria e da terra dos filisteus juntaram-se a eles.
41Toen de handelaars uit de omtrek het gerucht ervan hoorden, namen zij grote hoeveelheden zilver en goud en tevens voetboeien mee, en gingen het legerkamp binnen, om straks de Israëlieten als slaven te kopen. Ook sloten zich troepen uit Syrië en uit het Filistijnenland bij hen aan.
42Judas e seus irmãos viram que os males se multiplicavam e que os exércitos acampavam em suas fronteiras. Ficaram sabendo das ordens do rei para destruir o povo e acabar com ele.
42Judas en zijn broers zagen het gevaar steeds dreigender worden, nu het leger reeds zijn kamp in hun gebied had opgeslagen. Ook wisten ze maar al te goed, dat de koning het bevel had uitgevaardigd, om het volk geheel en al te verdelgen.
43Então disseram uns aos outros: “Vamos restaurar as ruínas de nosso povo e lutar por nosso povo e pelo lugar santo.”
43Daarom zeiden ze tegen elkander: Wij moeten ons verzetten tegen de vernietiging van ons volk, en strijden voor ons volk en het heiligdom!
44A assembleia se reuniu para se preparar para a batalha e para orar e pedir misericórdia e compaixão.
44Er werd dus een volksvergadering belegd, zowel om gevechtsklaar te zijn, als om te bidden en genade en barmhartigheid af te smeken.
45Jerusalém estava desabitada como um deserto. Nenhum de seus filhos entrava ou saía. O santuário estava sendo pisoteado. Filhos de estrangeiros ocupavam a cidadela. Os gentios moravam ali. A alegria foi tirada de Jacó, e a flauta e a harpa silenciaram.
45Jerusalem lag onbewoond. Aan een steppe gelijk; Niet een van zijn kinderen ging er in of uit. En het heiligdom was plat getrapt. Er huisden vreemden in de burcht, Het werd een herberg voor de heidenen. De vreugde was van Jakob verdwenen, Fluit en citer waren verstomd.
46Eles se reuniram e foram a Mispá, perto de Jerusalém, pois antigamente havia em Mispá um lugar de oração para Israel.
46In dichte drommen trokken ze daarom naar Mispa, dat tegenover Jerusalem ligt; want Mispa was vroeger de plaats geweest waar Israël kwam bidden.
47Jejuaram naquele dia, vestiram pano de saco, colocaram cinzas sobre a cabeça e rasgaram as roupas.
47Zij vastten die dag, hulden zich in boetezakken, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun klederen.
48Abriram o livro da Lei para buscar orientação, como os gentios consultavam as imagens de seus ídolos.
48Daarna rolden zij het wetboek open, met hetzelfde doel, waarmee de heidenen hun afgodsbeelden ondervragen.
49Trouxeram as vestes dos sacerdotes, as primícias e os dízimos e convocaram os nazireus que haviam completado os dias de seu voto.
49Ook hadden zij de priesterlijke gewaden, de eerstelingen en tienden meegenomen, en de Nazireërs opgeroepen, wier tijd was verstreken.
50Clamaram em alta voz ao céu: “O que faremos com estes homens? Para onde os levaremos?
50Nu begonnen ze met luider stem naar de hemel te roepen: Wat vangen we hiermee toch aan, waar brengen we ze heen?
51Teu lugar santo está sendo pisoteado e profanado. Teus sacerdotes estão de luto e humilhados.
51Want uw heiligdom is vertrapt en ontwijd, uw priesters treuren en zijn vernederd.
52Eis que os gentios se reuniram contra nós para nos destruir. Tu sabes o que planejam contra nós.
52Zie, hoe de heidenen samenspannen, om ons te vernielen; U is het bekend, welke plannen ze tegen ons smeden.
53Como poderemos resistir a eles se tu não nos ajudares?”
53Als Gij ons niet helpt, hoe houden wij dan tegen hen stand?
54Então tocaram as trombetas e deram um grande grito.
54Toen bliezen zij op de trompetten en begonnen hardop te schreeuwen.
55Depois disso, Judas nomeou líderes do povo: comandantes de milhares, de centenas, de cinquenta e de dez.
55Nu benoemde Judas aanvoerders van het volk, die het bevel moesten voeren over duizend, honderd, vijftig en tien.
56Conforme a Lei, disse aos que estavam construindo casas, aos que estavam noivos, aos que estavam plantando vinhas e aos medrosos que voltassem, cada um para sua casa.
56Maar hij beval, dat allen, die een huis hadden gebouwd, een vrouw hadden getrouwd of een wijnberg geplant, met de vreesachtigen naar huis zouden gaan, zoals de wet het had voorgeschreven.
57O exército partiu e acampou ao sul de Emaús.
57Daarna zette het leger zich in beweging en sloeg het kamp op ten zuiden van Emmaus.
58Judas disse: “Armem-se e sejam valentes! Estejam prontos pela manhã para lutar contra esses gentios que se reuniram contra nós para nos destruir e destruir nosso lugar santo.
58Toen sprak Judas: Houdt u gereed en weest dappere mannen! Morgen vroeg moet gij klaar staan, om tegen deze heidenen te strijden, die tegen ons zijn verenigd, om ons en ons heiligdom te verdelgen.
59Pois é melhor morrermos em batalha do que vermos as calamidades de nossa nação e do lugar santo.
59Want het is beter voor ons, op het slagveld te sterven, dan de ellende te zien van ons volk en ons heiligdom.
60No entanto, seja feita a vontade do céu.”
60Maar het geschiede, zoals in de Hemel is besloten!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.