Primus Macchabeorum
Chapter 3

Primus Macchabeorum

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Primus Macchabeorum 3

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et surrexit Judas, qui vocabatur Machabæus, filius ejus, pro eo:
1Zijn zoon Judas, de Makkabeër genaamd, volgde hem op.
2et adjuvabant eum omnes fratres ejus, et universi qui se conjunxerant patri ejus, et præliabantur prælium Israël cum lætitia.
2Al zijn broers met heel de aanhang van zijn vader stonden hem terzijde, en streden geestdriftig voor Israël.
3[Et dilatavit gloriam populo suo, et induit se loricam sicut gigas, et succinxit se arma bellica sua in præliis, et protegebat castra gladio suo.
3Hij maakte alom zijn volk beroemd! Hij schoot in het harnas als een held, In zijn wapenrusting trok hij ten strijde, En beschutte het legerkamp met zijn schild.
4Similis factus est leoni in operibus suis, et sicut catulus leonis rugiens in venatione.
4Hij was als een leeuw in al zijn daden, Een leeuwenwelp, die brult om prooi.
5Et persecutus est iniquos perscrutans eos: et qui conturbabant populum suum, eos succendit flammis:
5Afvalligen speurde hij op, en jaagde ze na, Die zijn volk durfden kwellen, wierp hij in het vuur.
6et repulsi sunt inimici ejus præ timore ejus, et omnes operarii iniquitatis conturbati sunt: et directa est salus in manu ejus.
6De trouwelozen krompen voor hem ineen van schrik, En alle boosdoeners stonden te beven. Door hem werd de weg ter redding gebaand,
7Et exacerbabat reges multos, et lætificabat Jacob in operibus suis, et in sæculum memoria ejus in benedictione.
7Maar vele koningen heeft hij verbitterd. Hij bracht Jakob in verrukking om wat hij deed, En bracht de verstrooiden bijeen;
8Et perambulavit civitates Juda, et perdidit impios ex eis, et avertit iram ab Israël.
8Hij doorkruiste Juda van stad tot stad, de goddelozen verdelgend, Maar van Israël wendde hij Gods gramschap af.
9Et nominatus est usque ad novissimum terræ, et congregavit pereuntes.]
9Tot de grenzen der aarde reikt zijn roem, Zijn gedachtenis blijft eeuwig in ere!
10Et congregavit Apollonius gentes, et a Samaria virtutem multam et magnam ad bellandum contra Israël.
10Nu riep Apollónius zijn heidense troepen en een grote legermacht uit Samaria op, om tegen Israël te strijden.
11Et cognovit Judas, et exiit obviam illi: et percussit, et occidit illum: et ceciderunt vulnerati multi, et reliqui fugerunt.
11Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij bracht hem de nederlaag toe, en doodde hem; velen werden gewond en sneuvelden, en de overigen sloegen op de vlucht.
12Et accepit spolia eorum: et gladium Apollonii abstulit Judas, et erat pugnans in eo omnibus diebus.
12Men bemachtigde de legerbuit, en Judas legde beslag op het zwaard van Apollónius, en bleef er heel zijn leven mee strijden.
13Et audivit Seron princeps exercitus Syriæ, quod congregavit Judas congregationem fidelium, et ecclesiam secum,
13Intussen had Séron, de aanvoerder van het syrische leger, vernomen, dat Judas een leger had bijeengebracht met een groep getrouwen, die met hem in de strijd wilden trekken.
14et ait: Faciam mihi nomen, et glorificabor in regno, et debellabo Judam, et eos qui cum ipso sunt, qui spernebant verbum regis.
14En nu dacht hij bij zichzelf: Ik zal mij in het rijk bekend en beroemd maken, door Judas te verslaan met zijn aanhang, die het bevel van den koning verachten.
15Et præparavit se: et ascenderunt cum eo castra impiorum fortes auxiliarii ut facerent vindictam in filios Israël.
15Zo rukte ook hij op, door een machtig leger van goddelozen gevolgd, die hem helpen wilden, om op de zonen van Israël wraak te nemen.
16Et appropinquaverunt usque ad Bethoron: et exivit Judas obviam illi cum paucis.
16Zodra hij de bergpas van Bet-Choron bereikt had, trok Judas hem met een klein troepje soldaten tegemoet.
17Ut autem viderunt exercitum venientem sibi obviam, dixerunt Judæ: Quomodo poterimus pauci pugnare contra multitudinem tantam, et tam fortem, et nos fatigati sumus jejunio hodie?
17Toen dezen dan ook dat leger op zich zagen afkomen, zeiden ze tot Judas: Hoe zal een kleine troep als de onze tegen zulk een overmacht kunnen strijden? En daar komt nog bij, dat wij uitgeput zijn, omdat wij vandaag nog niets hebben gegeten.
18Et ait Judas: Facile est concludi multos in manus paucorum: et non est differentia in conspectu Dei cæli liberare in multis, et in paucis:
18Maar Judas sprak: Het is gemakkelijk genoeg, om een grote troep in de handen van een kleinere over te leveren; want voor de hemel blijft het gelijk, redding te brengen door velen of weinigen!
19quoniam non in multitudine exercitus victoria belli, sed de cælo fortitudo est.
19In de strijd hangt de zege niet af van de legersterkte, maar van de kracht uit de hemel.
20Ipsi veniunt ad nos in multitudine contumaci, et superbia, ut disperdant nos, et uxores nostras, et filios nostros, et ut spolient nos:
20Vol trots en boosheid komen zij op ons af, om ons te verdelgen met vrouwen en kinderen, en ons leeg te plunderen.
21nos vero pugnabimus pro animabus nostris, et legibus nostris:
21Maar wij, wij strijden voor ons leven en voor onze wet,
22et ipse Dominus conteret eos ante faciem nostram: vos autem ne timueritis eos.
22en God zal hen voor onze ogen verpletteren. Weest dus voor hen maar niet bang!
23Ut cessavit autem loqui, insiluit in eos subito: et contritus est Seron et exercitus ejus in conspectu ipsius:
23Nauwelijks had hij dit gezegd, of onverwacht stormde hij op hen los, zodat Séron met zijn leger door hem werd verpletterd.
24et persecutus est eum in descensu Bethoron usque in campum, et ceciderunt ex eis octingenti viri, reliqui autem fugerunt in terram Philisthiim.
24Ze achtervolgden hen in de pas van Bet-Choron tot aan de vlakte; er sneuvelden van hen ongeveer achthonderd man, en de overigen vluchtten naar het land der Filistijnen.
25Et cecidit timor Judæ ac fratrum ejus, et formido super omnes gentes in circuitu eorum:
25Van nu af kreeg men ontzag voor Judas en zijn broers, en een radeloze angst maakte zich meester van de heidenen uit hun omgeving.
26et pervenit ad regem nomen ejus, et de præliis Judæ narrabant omnes gentes.
26De naam van Judas drong door tot den koning, en de hele wereld sprak over zijn vechten.
27Ut audivit autem rex Antiochus sermones istos, iratus est animo: et misit, et congregavit exercitum universi regni sui, castra fortia valde:
27Toen koning Antiochus dit alles vernam, werd hij woedend, en liet uit de gehele weermacht van zijn rijk een ontzaggelijk leger samenstellen.
28et aperuit ærarium suum, et dedit stipendia exercitui in annum: et mandavit illis ut essent parati ad omnia.
28Hij opende zijn schatkist, betaalde zijn troepen een jaar soldij vooruit, en wees hen er op dat zij voor alle mogelijke gebeurtenissen klaar moesten staan.
29Et vidit quod defecit pecunia de thesauris suis, et tributa regionis modica propter dissensionem et plagam quam fecit in terra, ut tolleret legitima, quæ erant a primis diebus:
29Maar hij bemerkte al gauw, dat het geld in zijn schatkist dreigde op te raken; want de inkomsten uit de belasting waren in zijn gebied sterk geslonken tengevolge van het oproer en de noodtoestand, waarin hij zelf het land had gebracht door het afschaffen der aloude gebruiken.
30et timuit ne non haberet ut semel et bis, in sumptus et donaria, quæ dederat ante larga manu: et abundaverat super reges qui ante eum fuerant.
30Hij begon dus te vrezen, dat hij evenals bij vorige gelegenheden geen geld meer zou hebben voor zijn spilzucht en voor de geschenken, die hij vroeger met kwistige hand had uitgedeeld, en waarin hij vorige koningen verre overtrof.
31Et consternatus erat animo valde, et cogitavit ire in Persidem, et accipere tributa regionum, et congregare argentum multum.
31Ten einde raad besloot hij naar Perzië te trekken, om de belastingen der provincies te innen en zó veel geld bijeen te brengen.
32Et reliquit Lysiam hominem nobilem de genere regali, super negotia regia, a flumine Euphrate usque ad flumen Ægypti,
32Hij liet echter Lúsias achter, een hooggeplaatst persoon van koninklijke adel, om de staatszaken te regelen in de landen tussen de Eufraat en de grens van Egypte,
33et ut nutriret Antiochum filium suum, donec rediret.
33en om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou zijn teruggekeerd.
34Et tradidit ei medium exercitum, et elephantos: et mandavit ei de omnibus quæ volebat, et de inhabitantibus Judæam, et Jerusalem:
34Hij stelde hem de helft der weermacht en de olifanten ter beschikking, en gaf hem aanwijzingen, wat hij allemaal wenste, vooral met betrekking tot de bewoners van Juda en Jerusalem.
35et ut mitteret ad eos exercitum ad conterendam et extirpandam virtutem Israël, et reliquias Jerusalem, et auferendam memoriam eorum de loco:
35Hij moest namelijk een leger op hen afzenden, om het verzet van Israël te breken, en wat er van Jerusalem nog over was te verwoesten;
36et ut constitueret habitatores filios alienigenas in omnibus finibus eorum, et sorte distribueret terram eorum.
36al wat in die streek aan hen kon herinneren, moest hij uitroeien, hun hele gebied met vreemdelingen bevolken, en hun land onder dezen door het lot verdelen.
37Et rex assumpsit partem exercitus residui, et exivit ab Antiochia civitate regni sui anno centesimo et quadragesimo septimo: et transfretavit Euphraten flumen, et perambulabat superiores regiones.
37De koning zelf nam de andere helft van de troepen, vertrok in het jaar 147 uit zijn hoofdstad Antiochië, stak de Eufraat over en doorkruiste de hoger gelegen gebieden.
38Et elegit Lysias Ptolemæum filium Dorymini, et Nicanorem, et Gorgiam, viros potentes ex amicis regis:
38Nu wees Lúsias onder de vertrouwelingen van den koning enkele dappere mannen aan; het waren Ptoleméus, de zoon van Dorúmenes, Nikánor en Górgias.
39et misit cum eis quadraginta millia virorum, et septem millia equitum, ut venirent in terram Juda, et disperderent eam secundum verbum regis.
39Hij zond hen met veertigduizend man voetvolk en zevenduizend ruiters uit, om Juda binnen te vallen en het volgens koninklijk bevel geheel te verwoesten.
40Et processerunt cum universa virtute sua, et venerunt, et applicuerunt Emmaum in terra campestri.
40Zij trokken dus op met al hun troepen, rukten er binnen, en sloegen hun legerkamp op in de vlakte bij Emmaus.
41Et audierunt mercatores regionum nomen eorum: et acceperunt argentum, et aurum multum valde, et pueros, et venerunt in castra ut acciperent filios Israël in servos, et additi sunt ad eos exercitus Syriæ, et terræ alienigenarum.
41Toen de handelaars uit de omtrek het gerucht ervan hoorden, namen zij grote hoeveelheden zilver en goud en tevens voetboeien mee, en gingen het legerkamp binnen, om straks de Israëlieten als slaven te kopen. Ook sloten zich troepen uit Syrië en uit het Filistijnenland bij hen aan.
42Et vidit Judas et fratres ejus, quia multiplicata sunt mala, et exercitus applicabant ad fines eorum: et cognoverunt verba regis, quæ mandavit populo facere in interitum et consummationem:
42Judas en zijn broers zagen het gevaar steeds dreigender worden, nu het leger reeds zijn kamp in hun gebied had opgeslagen. Ook wisten ze maar al te goed, dat de koning het bevel had uitgevaardigd, om het volk geheel en al te verdelgen.
43et dixerunt unusquisque ad proximum suum: Erigamus dejectionem populi nostri, et pugnemus pro populo nostro, et sanctis nostris.
43Daarom zeiden ze tegen elkander: Wij moeten ons verzetten tegen de vernietiging van ons volk, en strijden voor ons volk en het heiligdom!
44Et congregatus est conventus ut essent parati in prælium, et ut orarent et peterent misericordiam et miserationes.
44Er werd dus een volksvergadering belegd, zowel om gevechtsklaar te zijn, als om te bidden en genade en barmhartigheid af te smeken.
45Et Jerusalem non habitabatur, sed erat sicut desertum: non erat qui ingrederetur et egrederetur de natis ejus. Et sanctum conculcabatur: et filii alienigenarum erant in arce; ibi erat habitatio gentium: et ablata est voluptas a Jacob, et defecit ibi tibia et cithara.
45Jerusalem lag onbewoond. Aan een steppe gelijk; Niet een van zijn kinderen ging er in of uit. En het heiligdom was plat getrapt. Er huisden vreemden in de burcht, Het werd een herberg voor de heidenen. De vreugde was van Jakob verdwenen, Fluit en citer waren verstomd.
46Et congregati sunt, et venerunt in Maspha contra Jerusalem, quia locus orationis erat in Maspha ante in Israël.
46In dichte drommen trokken ze daarom naar Mispa, dat tegenover Jerusalem ligt; want Mispa was vroeger de plaats geweest waar Israël kwam bidden.
47Et jejunaverunt illa die, et induerunt se ciliciis, et cinerem imposuerunt capiti suo, et disciderunt vestimenta sua:
47Zij vastten die dag, hulden zich in boetezakken, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun klederen.
48et expanderunt libros legis, de quibus scrutabantur gentes similitudinem simulacrorum suorum:
48Daarna rolden zij het wetboek open, met hetzelfde doel, waarmee de heidenen hun afgodsbeelden ondervragen.
49et attulerunt ornamenta sacerdotalia, et primitias, et decimas: et suscitaverunt Nazaræos, qui impleverant dies,
49Ook hadden zij de priesterlijke gewaden, de eerstelingen en tienden meegenomen, en de Nazireërs opgeroepen, wier tijd was verstreken.
50et clamaverunt voce magna in cælum, dicentes: Quid faciemus istis, et quo eos ducemus?
50Nu begonnen ze met luider stem naar de hemel te roepen: Wat vangen we hiermee toch aan, waar brengen we ze heen?
51et sancta tua conculcata sunt, et contaminata sunt, et sacerdotes tui facti sunt in luctum, et in humilitatem:
51Want uw heiligdom is vertrapt en ontwijd, uw priesters treuren en zijn vernederd.
52et ecce nationes convenerunt adversum nos ut nos disperdant: tu scis quæ cogitant in nos.
52Zie, hoe de heidenen samenspannen, om ons te vernielen; U is het bekend, welke plannen ze tegen ons smeden.
53Quomodo poterimus subsistere ante faciem eorum, nisi tu, Deus, adjuves nos?
53Als Gij ons niet helpt, hoe houden wij dan tegen hen stand?
54Et tubis exclamaverunt voce magna.
54Toen bliezen zij op de trompetten en begonnen hardop te schreeuwen.
55Et post hæc constituit Judas duces populi, tribunos, et centuriones, et pentacontarchos, et decuriones.
55Nu benoemde Judas aanvoerders van het volk, die het bevel moesten voeren over duizend, honderd, vijftig en tien.
56Et dixit his, qui ædificabant domos, et sponsabant uxores, et plantabant vineas, et formidolosis, ut redirent unusquisque in domum suam secundum legem.
56Maar hij beval, dat allen, die een huis hadden gebouwd, een vrouw hadden getrouwd of een wijnberg geplant, met de vreesachtigen naar huis zouden gaan, zoals de wet het had voorgeschreven.
57Et moverunt castra, et collocaverunt ad austrum Emmaum.
57Daarna zette het leger zich in beweging en sloeg het kamp op ten zuiden van Emmaus.
58Et ait Judas: Accingimini, et estote filii potentes, et estote parati in mane, ut pugnetis adversus nationes has quæ convenerunt adversus nos disperdere nos, et sancta nostra:
58Toen sprak Judas: Houdt u gereed en weest dappere mannen! Morgen vroeg moet gij klaar staan, om tegen deze heidenen te strijden, die tegen ons zijn verenigd, om ons en ons heiligdom te verdelgen.
59quoniam melius est nos mori in bello, quam videre mala gentis nostræ, et sanctorum.
59Want het is beter voor ons, op het slagveld te sterven, dan de ellende te zien van ons volk en ons heiligdom.
60Sicut autem fuerit voluntas in cælo, sic fiat.
60Maar het geschiede, zoals in de Hemel is besloten!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.