Primus Macchabeorum
Chapter 13

Primus Macchabeorum

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Primus Macchabeorum 13

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et audivit Simon quod congregavit Tryphon exercitum copiosum ut veniret in terram Juda, et attereret eam.
1Toen Sjimon dus hoorde, dat Trúfon een groot leger op de been had gebracht, om Juda binnen te vallen en het te vernietigen,
2Videns quia in tremore populus est, et in timore, ascendit Jerusalem, et congregavit populum:
2en hij zag, dat het volk bang en angstig was geworden, ging hij naar Jerusalem, om een volksvergadering te houden.
3et adhortans dixit: Vos scitis quanta ego, et fratres mei, et domus patris mei, fecimus pro legibus et pro sanctis, prælia, et angustias quales vidimus:
3Daar sprak hij hun moed in en zeide: Gij weet, wat ik, mijn broers en het huis van mijn vader hebben gedaan voor de wet en het heiligdom, en wat voor oorlogen en rampen wij hebben doorstaan.
4horum gratia perierunt fratres mei omnes propter Israël, et relictus sum ego solus.
4Voor deze zaak zijn al mijn broers voor Israël gesneuveld; ik alleen ben nog overgebleven.
5Et nunc non mihi contingat parcere animæ meæ in omni tempore tribulationis: non enim melior sum fratribus meis.
5Maar ik denk er niet aan, mijn leven te sparen, onder welke benarde omstandigheden ook; want ik ben niet beter dan mijn broers.
6Vindicabo itaque gentem meam, et sancta, natos quoque nostros, et uxores: quia congregatæ sunt universæ gentes conterere nos inimicitiæ gratia.
6Wraak zal ik nemen voor mijn volk en het heiligdom, voor onze vrouwen en kinderen; want uit haat hebben alle heidenen samengespannen, om ons te verdelgen.
7Et accensus est spiritus populi simul ut audivit sermones istos:
7Toen het volk deze woorden hoorde, laaide de moed weer op, en het juichte:
8et responderunt voce magna, dicentes: Tu es dux noster loco Judæ, et Jonathæ fratris tui:
8Gij zijt onze aanvoerder in de plaats van Judas en van uw broer Jonatan.
9pugna prælium nostrum: et omnia, quæcumque dixeris nobis, faciemus.
9Neem gij de leiding in onze krijg; wij zullen alles doen, wat gij beveelt.
10Et congregans omnes viros bellatores, acceleravit consummare universos muros Jerusalem, et munivit eam in gyro.
10Nu riep hij alle strijdbare mannen op, liet de muren van Jerusalem zo gauw mogelijk opbouwen, en versterkte de stad aan alle kanten.
11Et misit Jonathan filium Absalomi, et cum eo exercitum novum in Joppen, et ejectis his qui erant in ea, remansit illic ipse.
11Bovendien zond hij Jonatan, den zoon van Absalom, met een voldoend aantal soldaten naar Jóppe; deze joeg de inwoners weg en hield de stad bezet.
12Et movit Tryphon a Ptolemaida cum exercitu multo, ut veniret in terram Juda, et Jonathas cum eo in custodia.
12Intussen was Trúfon met een groot leger van Ptolemáis opgerukt, om het land Juda binnen te vallen; hij had Jonatan als krijgsgevangene meegenomen.
13Simon autem applicuit in Addus contra faciem campi.
13Daarom sloeg Sjimon zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte.
14Et ut cognovit Tryphon quia surrexit Simon loco fratris sui Jonathæ, et quia commissurus esset cum eo prælium, misit ad eum legatos,
14Toen Trúfon vernam, dat Sjimon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen, en van plan was, de strijd tegen hem te beginnen, zond hij een gezantschap naar hem toe, en liet hem zeggen:
15dicens: Pro argento, quod debebat frater tuus Jonathas in ratione regis propter negotia quæ habuit, detinuimus eum.
15Wij houden uw broer Jonatan vast, omdat hij bij de uitoefening van zijn ambt schulden heeft gemaakt ten koste van de koninklijke schatkist.
16Et nunc mitte argenti talenta centum, et duos filios ejus obsides, ut non dimissus fugiat a nobis, et remittemus eum.
16Wij laten hem vrij, als gij ons honderd talenten zilver zendt en bovendien twee van zijn zoons als gijzelaars; want anders valt hij na zijn vrijstelling weer van ons af.
17Et cognovit Simon quia cum dolo loqueretur secum: jussit tamen dari argentum et pueros, ne inimicitiam magnam sumeret ad populum Israël, dicentem:
17Ofschoon Sjimon het listige van hun voorstel doorzag, liet hij het geld en de knapen toch halen, om zich niet erg gehaat te maken bij het volk,
18Quia non misit ei argentum, et pueros, propterea periit.
18dat anders zou zeggen: Omdat hij het geld en de knapen niet heeft willen geven, is Jonatan omgekomen.
19Et misit pueros, et centum talenta: et mentitus est, et non dimisit Jonathan.
19Hij zond dus de knapen en de honderd talenten; maar Trúfon brak zijn woord, en liet Jonatan niet los.
20Et post hæc venit Tryphon intra regionem, ut contereret eam: et gyraverunt per viam quæ ducit Ador: et Simon et castra ejus ambulabant in omnem locum quocumque ibant.
20Nu brak Trúfon op, om naar Judea te trekken, en het te verwoesten. Daarvoor maakte hij een omweg over Adóra. Maar overal waar hij heentrok, trad Sjimon met zijn leger hem in de weg.
21Qui autem in arce erant, miserunt ad Tryphonem legatos, ut festinaret venire per desertum, et mitteret illis alimonias.
21De burchtbezetting zond echter een boodschap naar Trúfon, om hem er toe te bewegen, toch door de woestijn naar hen toe te komen, en hen van levensmiddelen te voorzien.
22Et paravit Tryphon omnem equitatum, ut veniret illa nocte: erat autem nix multa valde, et non venit in Galaaditim.
22Daarom liet Trúfon zijn gehele ruiterij er op uit rukken. Maar er viel in de nacht zoveel sneeuw, dat men door de sneeuw niet vooruit kon. Nu trok hij maar af, en ging naar Gilad;
23Et cum appropinquasset Bascaman, occidit Jonathan et filios ejus illic.
23en toen hij in de nabijheid van Báskama kwam, liet hij Jonatan vermoorden, die daar ook begraven werd.
24Et convertit Tryphon, et abiit in terram suam.
24Daarop maakte Trúfon rechtsomkeer, en ging terug naar zijn land.
25Et misit Simon, et accepit ossa Jonathæ fratris sui, et sepelivit ea in Modin civitate patrum ejus.
25Nu liet Sjimon het gebeente van zijn broer Jonatan weghalen, en begroef het in Modin, de stad van zijn vaderen.
26Et planxerunt eum omnis Israël planctu magno, et luxerunt eum dies multos.
26Heel Israël hield een plechtige dodenklacht over hem, en men beweende hem dagen lang.
27Et ædificavit Simon super sepulchrum patris sui et fratrum suorum ædificium altum visu, lapide polito retro et ante.
27Vervolgens liet Sjimon op het graf van zijn vader en van zijn broers een gedenkteken oprichten, van voren en achteren van gepolijste steen, en zo hoog, dat het uit verte te zien was.
28Et statuit septem pyramidas, unam contra unam, patri et matri, et quatuor fratribus:
28Daarop plaatste hij zeven pyramiden tegenover elkander: voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers.
29et his circumposuit columnas magnas: et super columnas arma, ad memoriam æternam: et juxta arma naves sculptas, quæ viderentur ab omnibus navigantibus mare:
29Hier omheen ontwierp hij een sierlijke en hoge zuilengang, en op de zuilen liet hij, tot een eeuwig aandenken, wapenrustingen aanbrengen en naast de wapenrustingen gebeeldhouwde schepen; want het moest door alle zeevarenden gezien kunnen worden.
30hoc est sepulchrum, quod fecit in Modin usque in hunc diem.
30Dit was het grafmonument, dat hij in Modin oprichtte, en en dat nu nog bestaat.
31Tryphon autem cum iter faceret cum Antiocho rege adolescente, dolo occidit eum:
31Intussen was Trúfon op verraderlijke wijze tegen den jongen koning Antiochus te werk gegaan, en had hem laten vermoorden.
32et regnavit loco ejus, et imposuit sibi diadema Asiæ, et fecit plagam magnam in terra.
32Hij trad in zijn plaats als koning op, zette zich de kroon van Azië op het hoofd, en bracht veel onheil over het land.
33Et ædificavit Simon præsidia Judææ, muniens ea turribus excelsis, et muris magnis, et portis, et seris: et posuit alimenta in munitionibus.
33Maar Sjimon ging voort met het bouwen van vestingen in Judea; hij voorzag ze van hoge torens, zware muren, poorten en grendels, en liet in de vestingen levensmiddelen opslaan.
34Et elegit Simon viros, et misit ad Demetrium regem ut faceret remissionem regioni: quia actus omnes Tryphonis per direptionem fuerant gesti.
34Tevens koos Sjimon enkele mannen uit, die hij naar koning Demétrius zond, om te verkrijgen, dat het land zou worden ontzien, daar Trúfon niets anders gedaan had dan roven.
35Et Demetrius rex ad verba ista respondit ei, et scripsit epistolam talem:
35Koning Demétrius willigde zijn verzoek in, en zond hem een schriftelijk antwoord van de volgende inhoud:
36Rex Demetrius Simoni summo sacerdoti et amico regum, et senioribus, et genti Judæorum, salutem.
36Koning Demétrius, aan Sjimon, den hogepriester en vriend van de koningen, aan de oudsten en aan het volk der Joden: heil!
37Coronam auream, et bahem, quam misistis, suscepimus: et parati sumus facere vobiscum pacem magnam, et scribere præpositis regis remittere vobis quæ indulsimus.
37De gouden kroon en de palmtak, die gij hebt gezonden, hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid, om een duurzame vrede met u te sluiten, en zullen aan onze ambtenaren berichten, dat zij u moeten vrijstellen van belasting.
38Quæcumque enim constituimus, vobis constant: munitiones, quas ædificastis, vobis sint:
38Wat wij vroeger voor u hebben bepaald, blijft van kracht; ook moogt gij de vestingen, die gij gebouwd hebt, behouden.
39remittimus quoque ignorantias et peccata usque in hodiernum diem, et coronam quam debebatis: et si quid aliud erat tributarium in Jerusalem, jam non sit tributarium.
39Al uw misstappen en tekortkomingen, tot op de dag van vandaag, schelden wij u kwijt. Bovendien zullen de kroongelden, die gij moet opbrengen, en de andere cijnzen, die er in Jerusalem worden geheven, niet langer verplicht zijn.
40Et si qui ex vobis apti sunt conscribi inter nostros, conscribantur, et sit inter nos pax.
40En wanneer er onder u mochten worden gevonden, die geschikt zijn, om in onze lijfwacht te worden opgenomen, dan kunnen zij worden ingeschreven. Er moet dus vrede tussen ons zijn.
41Anno centesimo septuagesimo, ablatum est jugum gentium ab Israël.
41Zo werd in het jaar het juk der heidenen van Israël weggenomen,
42Et cœpit populus Israël scribere in tabulis, et gestis publicis, anno primo sub Simone summo sacerdote, magno duce, et principe Judæorum.
42en het volk begon in oorkonden en contracten te schrijven: In het eerste jaar van Sjimon, den hogepriester, veldheer en vorst der Joden.
43In diebus illis applicuit Simon ad Gazam, et circumdedit eam castris, et fecit machinas, et applicuit ad civitatem, et percussit turrem unam, et comprehendit eam.
43In die tijd sloeg Sjimon het beleg om Gézer en sloot het met zijn leger in. Hij liet een belegeringstoren opstellen, bracht die dicht bij de stad, en wist een der stadstorens zo te havenen, dat hij hem kon innemen.
44Et eruperant qui erant intra machinam in civitatem, et factus est motus magnus in civitate.
44Toen sprongen de soldaten van de belegeringstoren de stad in en verwekten grote verwarring.
45Et ascenderunt qui erant in civitate cum uxoribus et filiis supra murum, scissis tunicis suis, et clamaverunt voce magna, postulantes a Simone dextras sibi dari,
45Nu kwamen de inwoners met vrouwen en kinderen op de muren, scheurden hun klederen en smeekten Sjimon met luider stem, dat hij vrede zou sluiten.
46et dixerunt: Non nobis reddas secundum malitias nostras, sed secundum misericordias tuas.
46Zij riepen: Behandel ons niet naar onze misdaden, maar volgens uw barmhartigheid.
47Et flexus Simon, non debellavit eos: ejecit tamen eos de civitate, et mundavit ædes in quibus fuerant simulacra, et tunc intravit in eam cum hymnis benedicens Dominum:
47En Sjimon liet zich verbidden, en bestreed hen niet verder. Maar hij joeg hen de stad uit, liet de huizen reinigen, waarin zich afgodsbeelden bevonden, en hield toen zijn intocht onder het zingen van lofzang en danklied.
48et ejecta ab ea omni immunditia, collocavit in ea viros qui legem facerent: et munivit eam, et fecit sibi habitationem.
48Al wat onrein was ruimde hij op, en liet er mensen wonen, die de wet onderhielden; hij herstelde de vestingwerken en liet er een huis voor zich bouwen.
49Qui autem erant in arce Jerusalem, prohibebantur egredi et ingredi regionem, et emere ac vendere: et esurierunt valde, et multi ex eis fame perierunt,
49Ondertussen bleef voor de bewoners van de burcht in Jerusalem elk contact met de buitenwereld, en iedere koop en verkoop afgesloten. Zij leden derhalve groot gebrek, en velen van hen kwamen om van honger.
50et clamaverunt ad Simonem ut dextras acciperent: et dedit illis: et ejecit eos inde, et mundavit arcem a contaminationibus:
50Toen smeekten zij Sjimon om vrede, en hij schonk hun de vrede. Maar hij joeg hen de burcht uit, en reinigde die van de ontering.
51et intraverunt in eam tertia et vigesima die secundi mensis, anno centesimo septuagesimo primo, cum laude, et ramis palmarum, et cinyris, et cymbalis, et nablis, et hymnis, et canticis, quia contritus est inimicus magnus ex Israël.
51En op de drie en twintigste dag van de tweede maand in het jaar 171 hield hij zijn plechtige intocht onder gejuich en het wuiven van palmen, onder het spelen van citers, cymbalen en harpen, en het zingen van hymnen en liederen: Want de grote vijand was uit Israël verdreven!
52Et constituit ut omnibus annis agerentur dies hi cum lætitia.
52En Sjimon bepaalde, dat men deze dag elk jaar in vreugde zou vieren. Hij versterkte de tempelberg naast de burcht, en ging daar met de zijnen wonen.
53Et munivit montem templi, qui erat secus arcem, et habitavit ibi ipse, et qui cum eo erant.
53En omdat Sjimon ondervonden had, dat zijn zoon Johannes een volwassen man was geworden, stelde hij hem aan tot bevelhebber over alle troepen. Deze ging zich toen in Gézer vestigen.
54Et vidit Simon Joannem filium suum, quod fortis prælii vir esset: et posuit eum ducem virtutum universarum: et habitavit in Gazaris.
no verse 54 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.