Primus Macchabeorum 2
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In diebus illis surrexit Mathathias filius Joannis filii Simeonis, sacerdos ex filiis Joarib, ab Jerusalem, et consedit in monte Modin:
1In die dagen trad Mattatias op, een zoon van Johannes en kleinzoon van Sjimon. Hij was priester uit het geslacht van Jojarib te Jerusalem, maar woonde in Modin.
2et habebat filios quinque, Joannem, qui cognominabatur Gaddis:
2Hij had vijf zonen: Johannes met de bijnaam Gaddi,
3et Simonem, qui cognominabatur Thasi:
3Sjimon met de bijnaam Tassi,
4et Judam, qui vocabatur Machabæus:
4Judas die Makkabeër genoemd werd,
5et Eleazarum, qui cognominabatur Abaron: et Jonathan, qui cognominabatur Apphus:
5Elazar met de bijnaam Hauran, en Jonatan, die ook Affoes heette.
6hi viderunt mala, quæ fiebant in populo Juda, et in Jerusalem.
6Toen hij nu de gruwelen in Juda en Jerusalem aanschouwde,
7Et dixit Mathathias: Væ mihi ! ut quid natus sum videre contritionem populi mei, et contritionem civitatis sanctæ, et sedere illic, cum datur in manibus inimicorum?
7sprak hij: Wee mij! Waartoe werd ik geboren, Nu ik de ondergang van mijn volk aanschouw, de ruïne der heilige stad; Nu ik machteloos zit, terwijl zij aan den vijand wordt overgeleverd En het heiligdom in de handen van vreemden valt.
8Sancta in manu extraneorum facta sunt: templum ejus sicut homo ignobilis.
8Haar tempel werd als een onteerde man, Nu haar heerlijke vaten als buit zijn geroofd.
9Vasa gloriæ ejus captiva abducta sunt: trucidati sunt senes ejus in plateis, et juvenes ejus ceciderunt in gladio inimicorum.
9Haar kinderen werden in haar straten vermoord, Haar jongemannen door het vijandig zwaard.
10Quæ gens non hæreditavit regnum ejus et non obtinuit spolia ejus?
10Is er nog een volk, dat niet over haar heerste, En dat geen beslag heeft gelegd op een deel van de buit?
11Omnis compositio ejus ablata est. Quæ erat libera, facta est ancilla.
11Al haar sieraden zijn haar ontnomen; Die vroeger vrij was, werd een slavin.
12Et ecce sancta nostra, et pulchritudo nostra, et claritas nostra desolata est, et coinquinaverunt ea gentes.
12Ziet eens, hoe ons heiligdom, ons juweel, Hoe onze trots is verwoest, En hoe de heidenen het hebben onteerd!
13Quo ergo nobis adhuc vivere?
13Waartoe leven wij nog?
14Et scidit vestimenta sua Mathathias, et filii ejus: et operuerunt se ciliciis, et planxerunt valde.
14Mattatias en zijn zonen scheurden hun klederen, hulden zich in boetezakken en waren diep bedroefd.
15Et venerunt illuc qui missi erant a rege Antiocho, ut cogerent eos, qui confugerant in civitatem Modin, immolare, et accendere thura, et a lege Dei discedere.
15Op zekere dag verschenen er ook koninklijke beambten in Modin, om de stad tot afval en tot offeren te dwingen.
16Et multi de populo Israël consentientes accesserunt ad eos: sed Mathathias et filii ejus constanter steterunt.
16Vele Israëlieten liepen naar hen over, maar Mattatias en zijn zonen bleven standvastig.
17Et respondentes qui missi erant ab Antiocho, dixerunt Mathathiæ: Princeps, et clarissimus et magnus es in hac civitate, et ornatus filiis et fratribus:
17Daarom spraken de koninklijke beambten Mattatias hierover aan, en zeiden tot hem: In deze stad zijt gij een der leiders; ge staat hoog in aanzien en hebt grote invloed; bovendien staan uw zonen en uw familie achter u.
18ergo accede prior, et fac jussum regis, sicut fecerunt omnes gentes, et viri Juda, et qui remanserunt in Jerusalem: et eris tu, et filii tui, inter amicos regis, et amplificatus auro, et argento, et muneribus multis.
18Treed gij dus het eerst naar voren, en doe wat de koning beveelt; alle volken hebben het reeds gedaan, en de mannen uit Juda met die in Jerusalem zijn achtergebleven, eveneens. Dan zult gij en uw zonen tot de vrienden van den koning worden gerekend, en goud, zilver en veel andere eregeschenken ontvangen.
19Et respondit Mathathias, et dixit magna voce: Etsi omnes gentes regi Antiocho obediunt, ut discedat unusquisque a servitute legis patrum suorum, et consentiat mandatis ejus:
19Maar Mattatias antwoordde met luider stem: Al gehoorzamen hem alle volken in het rijksgebied van den koning, al valt iedereen van de godsdienst zijner vaderen af en voegt zich naar het bevel van den koning,
20ego et filii mei, et fratres mei, obediemus legi patrum nostrorum:
20ik, mijn zonen en mijn familie blijven trouw aan het verbond onzer vaderen!
21propitius sit nobis Deus: non est nobis utile relinquere legem, et justitias Dei:
21Wij denken er niet aan, de wet te verzaken en haar geboden.
22non audiemus verba regis Antiochi, nec sacrificabimus transgredientes legis nostræ mandata, ut eamus altera via.
22Nooit gehoorzamen wij aan het bevel van den koning; van onze godsdienst wijken we niet af, niet rechts en niet links!
23Et ut cessavit loqui verba hæc, accessit quidam Judæus in omnium oculis sacrificare idolis super aram in civitate Modin, secundum jussum regis:
23Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of er trad een jood voor aller ogen naar voren, om volgens het bevel van den koning een offer te brengen op het altaar van Modin.
24et vidit Mathathias, et doluit, et contremuerunt renes ejus, et accensus est furor ejus secundum judicium legis, et insiliens trucidavit eum super aram:
24Toen Mattatias dit zag, ontstak hij in heilige woede, en heel zijn wezen kwam in opstand. Hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit, en sloeg hem neer bij het altaar.
25sed et virum, quem rex Antiochus miserat, qui cogebat immolare, occidit in ipso tempore, et aram destruxit:
25Tegelijkertijd doodde hij den koninklijken beambte, die het offer had doorgedreven, en vernielde het altaar.
26et zelatus est legem, sicut fecit Phinees Zamri filio Salomi.
26Zo kwam hij op voor de wet, evenals Pinechas tegen Zimri, den zoon van Sjalloem.
27Et exclamavit Mathathias voce magna in civitate, dicens: Omnis qui zelum habet legis, statuens testamentum, exeat post me.
27Nu liet Mattatias met luider stem in de stad afkondigen: Iedereen die het opneemt voor de wet en trouw blijft aan het verbond, volge mij!
28Et fugit ipse, et filii ejus in montes, et reliquerunt quæcumque habebant in civitate.
28Daarop vluchtte hij met zijn zonen naar het gebergte, en ze lieten have en goed in de stad.
29Tunc descenderunt multi quærentes judicium, et justitiam, in desertum:
29Toen trokken er velen, die naar recht en gerechtigheid snakten, naar de woestijn, en bleven daar wonen
30et sederunt ibi ipsi, et filii eorum, et mulieres eorum, et pecora eorum: quoniam inundaverunt super eos mala.
30met vrouwen, kinderen en vee, omdat de nood te hoog was geklommen.
31Et renuntiatum est viris regis, et exercitui qui erat in Jerusalem civitate David, quoniam discessissent viri quidam, qui dissipaverunt mandatum regis, in loca occulta in deserto, et abiissent post illos multi.
31Maar zodra de koninklijke beambte en de bezetting, die zich te Jerusalem in de Davidstad ophield, te weten waren gekomen, dat velen van hen, die het koninklijk bevel in de wind hadden geslagen, naar de holen in de woestijn waren gevlucht,
32Et statim perrexerunt ad eos, et constituerunt adversus eos prælium in die sabbatorum,
32trokken ze hen met een groot leger achterna, haalden hen in en omsingelden hen. Doch eerst op de sabbat gingen ze tot de aanval over,
33et dixerunt ad eos: Resistitis et nunc adhuc? exite, et facite secundum verbum regis Antiochi, et vivetis.
33en riepen hun toe: Nu is het genoeg; komt er uit! Als gij u onderwerpt aan het bevel van den koning, blijft gij in leven!
34Et dixerunt: Non exibimus, neque faciemus verbum regis, ut polluamus diem sabbatorum.
34Men riep hun terug: Wij komen er niet uit; wij onderwerpen ons niet aan het bevel van den koning, en willen nog minder de sabbat schenden.
35Et concitaverunt adversus eos prælium.
35Nu vielen ze hen onmiddellijk aan.
36Et non responderunt eis, nec lapidem miserunt in eos, nec oppilaverunt loca occulta,
36Maar de anderen verweerden zich niet; ze wierpen geen enkele steen naar hen, en sloten zelfs de holen niet af.
37dicentes: Moriamur omnes in simplicitate nostra: et testes erunt super nos cælum et terra, quod injuste perditis nos.
37Ze riepen: We willen allen sterven met een rein geweten! Hemel en aarde zijn onze getuigen, dat gij ons wederrechtelijk vermoordt.
38Et intulerunt illis bellum sabbatis: et mortui sunt ipsi, et uxores eorum, et filii eorum, et pecora eorum usque ad mille animas hominum.
38Zij vielen hen dus op sabbat aan, en ongeveer duizend mannen, vrouwen en kinderen vonden de dood met het vee.
39Et cognovit Mathathias et amici ejus, et luctum habuerunt super eos valde.
39Toen Mattatias en zijn vrienden dit vernamen, betreurden ze hen diep.
40Et dixit vir proximo suo: Si omnes fecerimus sicut fratres nostri fecerunt, et non pugnaverimus adversus gentes pro animabus nostris et justificationibus nostris, nunc citius disperdent nos a terra.
40Maar ze zeiden ook tegen elkander: Wanneer wij allen doen als onze broeders, en ons leven en onze wet niet tegen de heidenen verdedigen dan zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgen.
41Et cogitaverunt in die illa, dicentes: Omnis homo, quicumque venerit ad nos in bello die sabbatorum, pugnemus adversus eum: et non moriemur omnes, sicut mortui sunt fratres nostri in occultis.
41Nog diezelfde dag maakten ze dan ook het besluit: We grijpen iedereen aan, die ons aanvalt op sabbat, en laten ons niet tot den laatsten man uitmoorden, zoals onze broeders, die in de holen gedood zijn.
42Tunc congregata est ad eos synagoga Assidæorum fortis viribus ex Israël, omnis voluntarius in lege:
42Nu sloot zich ook een groep chasidéen bij hen aan; het waren dappere Israëlieten, die allen met hart en ziel voor de wet opkwamen.
43et omnes, qui fugiebant a malis, additi sunt ad eos, et facti sunt illis ad firmamentum.
43Ook allen, die voor de nood moesten vluchten, sloten zich bij hen aan, en versterkten hun macht.
44Et collegerunt exercitum, et percusserunt peccatores in ira sua, et viros iniquos in indignatione sua: et ceteri fugerunt ad nationes, ut evaderent.
44Zo vormden zij een legerschare, en In hun verbittering sloegen zij de goddelozen neer, En de afvalligen in hun woede! De rest wist zich te redden, door naar de heidenen te vluchten.
45Et circuivit Mathathias et amici ejus, et destruxerunt aras:
45Nu trokken Mattatias en zijn vrienden overal rond, en vernielden de altaren.
46et circumciderunt pueros incircumcisos quotquot invenerunt in finibus Israël: et in fortitudine.
46En wanneer ze ergens binnen het gebied van Israël een onbesneden kind ontdekten, lieten zij het desnoods met geweld besnijden;
47Et persecuti sunt filios superbiæ, et prosperatum est opus in manibus eorum:
47die zich hooghartig verzetten, joegen ze er uit. Hun werk werd met goede uitslag bekroond:
48et obtinuerunt legem de manibus gentium, et de manibus regum, et non dederant cornu peccatori.
48ze beschermden de wet tegen heidenen en koningen, en gaven de goddelozen geen kans.
49Et appropinquaverunt dies Mathathiæ moriendi, et dixit filiis suis: Nunc confortata est superbia, et castigatio, et tempus eversionis, et ira indignationis.
49Toen de tijd aanbrak, dat Mattatias zou sterven, sprak hij tot zijn zonen: Nu hebben trots en geweld de overhand, Het is een tijd van verwoesting en grimmige woede.
50Nunc ergo, o filii, æmulatores estote legis, et date animas vestras pro testamento patrum vestrorum,
50Strijdt dus, mijn kinderen, voor de wet, En geeft uw leven voor het verbond onzer vaderen.
51et mementote operum patrum, quæ fecerunt in generationibus suis: et accipietis gloriam magnam, et nomen æternum.
51Denkt aan het werk van uw vaderen, Dat zij bij hun leven hebben verricht: Dan valt u grote eer ten deel, En eeuwige roem!
52Abraham nonne in tentatione inventus est fidelis, et reputatum est ei ad justitiam?
52Toonde Abraham zich niet trouw in de beproeving, En werd hem dit niet tot gerechtigheid gerekend?
53Joseph in tempore angustiæ suæ custodivit mandatum, et factus est dominus Ægypti.
53In zijn nood hield Josef vast aan de wet, En hij werd heer van Egypte.
54Phinees pater noster, zelando zelum Dei, accepit testamentum sacerdotii æterni.
54Pinechas, onze vader, was een voorbeeld van ijver; Daarom werd hem een priesterschap voor eeuwig beloofd.
55Jesus dum implevit verbum, factus est dux in Israël.
55Omdat Josuël zijn plicht vervulde, Werd hij rechter in Israël.
56Caleb dum testificatur in ecclesia, accepit hæreditatem.
56Omdat Kaleb voor het volk heeft getuigd, Kreeg hij een erfdeel in bezit.
57David in sua misericordia consecutus est sedem regni in sæcula.
57David ontving voor zijn vroomheid De koningstroon voor altijd.
58Elias, dum zelat zelum legis, receptus est in cælum.
58Omdat Elias voor de wet had geijverd, Werd hij in de hemel opgenomen.
59Ananias et Azarias et Misaël credentes, liberati sunt de flamma.
59Ananja, Azarja en Misjaël werden door hun geloof Voor de vuurdood behoed.
60Daniel in sua simplicitate liberatus est de ore leonum.
60De onschuld van Daniël Redde hem uit de muil van de leeuwen.
61Et ita cogitate per generationem et generationem: quia omnes qui sperant in eum, non infirmantur.
61Zo kunt gij nagaan van geslacht tot geslacht, Dat niemand, die op God vertrouwt, het onderspit delft.
62Et a verbis viri peccatoris ne timueritis, quia gloria ejus stercus et vermis est:
62Weest dus niet bang voor het dreigen van den goddeloze; Want zijn pracht vervuilt en valt de wormen ten prooi.
63hodie extollitur, et cras non invenietur: quia conversus est in terram suam, et cogitatio ejus periit.
63Vandaag nog is hij hoog verheven, Morgen niet eens meer te vinden; Tot zijn stof keert hij terug, En met zijn plannen is het gedaan.
64Vos ergo filii, confortamini, et viriliter agite in lege: quia in ipsa gloriosi eritis.
64Dus kinderen, weest moedig, en staat pal voor de wet, Want daarin alleen ligt uw roem!
65Et ecce Simon frater vester, scio quod vir consilii est: ipsum audite semper, et ipse erit vobis pater.
65En omdat ik weet, dat uw broer Sjimon een man is met doorzicht, moet gij altijd naar hem luisteren; hij zal uw vader zijn.
66Et Judas Machabæus, fortis viribus a juventute sua, sit vobis princeps militiæ, et ipse aget bellum populi.
66Maar Judas de Makkabeër moet uw legeraanvoerder zijn, omdat hij van jongsaf een dapper held is geweest; hij moet de leiding nemen in de oorlog tegen de heidenen.
67Et adducetis ad vos omnes factores legis: et vindicate vindictam populi vestri.
67Verzamelt dan allen, die de wet onderhouden, om u heen, en neemt wraak voor uw volk.
68Retribuite retributionem gentibus, et intendite in præceptum legis.
68Vergeldt de heidenen wat ze ons deden, en houdt vast aan de wet en haar geboden.
69Et benedixit eos, et appositus est ad patres suos.
69Daarna zegende hij hen, en ging tot zijn vaderen.
70Et defunctus est anno centesimo et quadragesimo sexto: et sepultus est a filiis suis in sepulchris patrum suorum in Modin, et planxerunt eum omnis Israël planctu magno.
70Hij stierf in het jaar 146, en werd in het familiegraf te Modin begraven. Heel Israël hield over hem een plechtige rouwklacht.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.