Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Vijfde reeks. De wijsheid en onze verhouding tot anderen. Inleiding. Het hooglied der wijsheid. De wijsheid gaat zichzelve prijzen, Te midden van haar volk zich roemen.
1Wisdom shall praise herself, and shall glory in the midst of her people.
2Zij opent haar mond in de gemeente van den Allerhoogste, En gaat zich verheffen voor zijn heirschaar; Bij het uitverkoren volk gaat zij zich loven, En onder de gezegenden zich verheerlijken:
2In the congregation of the most High shall she open her mouth, and triumph before his power.
3“Uit de mond des Allerhoogsten kwam ik voort, En bedekte de aarde als een nevel;
3I came out of the mouth of the most High, and covered the earth as a cloud.
4In de hoogten had ik mijn woontent, Op de wolkenzuil mijn troon.
4I dwelt in high places, and my throne is in a cloudy pillar.
5Ik alleen doorliep de kring des hemels, En wandelde in de diepten van de afgrond;
5I alone compassed the circuit of heaven, and walked in the bottom of the deep.
6Over de golven der zee en heel de aarde, In iedere stam en volk toonde zich mijn macht.
6In the waves of the sea and in all the earth, and in every people and nation, I got a possession.
7Bij die allen zocht ik een rustplaats, Een erfdeel, waar ik kon blijven.
7With all these I sought rest: and in whose inheritance shall I abide?
8Toen gaf de Schepper van het heelal mij zijn bevel; Hij, die mij vormde, wees mijn tent een plaats, En sprak: “In Jakob zal uw woontent zijn, In Israël uw erfdeel.”
8So the Creator of all things gave me a commandment, and he that made me caused my tabernacle to rest, and said, Let thy dwelling be in Jacob, and thine inheritance in Israel.
9Vóór de eeuwen, van de aanvang af door Hem gevormd, Blijf ik tot in eeuwigheid bestaan.
9He created me from the beginning before the world, and I shall never fail.
10In de heilige tent deed ik dienst voor zijn aanschijn, En kreeg ik op de Sion vaste voet;
10In the holy tabernacle I served before him; and so was I established in Sion.
11Hij deed mij wonen in zijn geliefde stad, En vestigde in Jerusalem mijn heerschappij.
11Likewise in the beloved city he gave me rest, and in Jerusalem was my power.
12Zo schoot ik wortel in een roemvol volk, In het erfdeel van Jahweh, midden in zijn bezit.
12And I took root in an honourable people, even in the portion of the Lord’s inheritance.
13Ik rees omhoog als een ceder op de Libanon, Als een cypres op de berg Hermon;
13I was exalted like a cedar in Libanus, and as a cypress tree upon the mountains of Hermon.
14Ik schoot op als een palm in En-Gédi, Als rozenstruiken in Jericho, Als een schone olijf op het veld, En groot werd ik als een plataan.
14I was exalted like a palm tree in En-gaddi, and as a rose plant in Jericho, as a fair olive tree in a pleasant field, and grew up as a plane tree by the water.
15Ik geurde als kaneel en muskaat, Verspreidde zoete reuk als kostelijke mirre, Als hars of nagelen en balsem, Als de geur van wierook in de Tent.
15I gave a sweet smell like cinnamon and aspalathus, and I yielded a pleasant odour like the best myrrh, as galbanum, and onyx, and sweet storax, and as the fume of frankincense in the tabernacle.
16Ik strekte als een terebint mijn takken uit, En mijn twijgen waren vol schoonheid en pracht;
16As the turpentine tree I stretched out my branches, and my branches are the branches of honour and grace.
17Als een wijnstok schoot ik frisse loten, En mijn bloesem gaf heerlijke en rijke vrucht.
17As the vine brought I forth pleasant savour, and my flowers are the fruit of honour and riches.
18Ik ben de moeder van de schone liefde, Van de godsvrucht, de kennis en de heilige hoop; In mij is alle genade van leven en waarheid, In mij alle hoop op leven en deugd.
18I am the mother of fair love, and fear, and knowledge, and holy hope: I therefore, being eternal, am given to all my children which are named of him.
19Komt tot mij, gij die mij begeert, En verzadigt u aan mijn vruchten.
19Come unto me, all ye that be desirous of me, and fill yourselves with my fruits.
20Aan mij te denken is zoeter dan honing, Mij te bezitten gaat boven honingraat uit;
20For my memorial is sweeter than honey, and mine inheritance than the honeycomb.
21Wie mij eten, blijven naar mij hongeren, Wie mij drinken, dorsten naar meer.
21They that eat me shall yet be hungry, and they that drink me shall yet be thirsty.
22Wie naar mij luistert, wordt nimmer te schande, En wie zich om mij beijveren, zondigen niet.”
22He that obeyeth me shall never be confounded, and they that work by me shall not do amiss.
23Dit alles is het Verbondsboek van den Allerhoogste, De wet, die Moses gaf als erfgoed voor Jakobs gemeenten;
23All these things are the book of the covenant of the most high God, even the law which Moses commanded for an heritage unto the congregations of Jacob.
no verse 24 in this text
24Faint not to be strong in the Lord; that he may confirm you, cleave unto him: for the Lord Almighty is God alone, and beside him there is no other Saviour.
25Die wijsheid geeft, overvloedig als de Pisjon, Als de Tigris in de dagen der eerstelingen;
25He filleth all things with his wisdom, as Phison and as Tigris in the time of the new fruits.
26Die inzicht verleent, zo vol als de Eufraat, Als de Jordaan in de dagen van de oogst.
26He maketh the understanding to abound like Euphrates, and as Jordan in the time of the harvest.
27Die kennis doet stromen als de Nijl, Als de Gichon in de tijd van de wijnoogst.
27He maketh the doctrine of knowledge appear as the light, and as Geon in the time of vintage.
28Geen eerste heeft haar kunnen doorgronden, Geen laatste heeft haar doorvorst;
28The first man knew her not perfectly: no more shall the last find her out.
29Want rijker dan de zee is haar inhoud, Rijker dan de grote Oceaan haar zin.
29For her thoughts are more than the sea, and her counsels profounder than the great deep.
30En ik kwam als een zijtak uit die stroom, Als een kanaal, dat een lusthof bevloeit.
30I also came out as a brook from a river, and as a conduit into a garden.
31Ik sprak: “Drenken wil ik mijn hof, En besproeien mijn weide.” En zie, mijn zijtak wies tot een stroom, En mijn stroom tot een zee.
31I said, I will water my best garden, and will water abundantly my garden bed: and, lo, my brook became a river, and my river became a sea.
32Nog meer wil ik wijsheid doen stralen als de morgen, En tot in de verte ze doen lichten;
32I will yet make doctrine to shine as the morning, and will send forth her light afar off.
33Verder nog de onderrichting als een profetie laten stromen, En ze achterlaten voor verre geslachten.
33I will yet pour out doctrine as prophecy, and leave it to all ages for ever.
34Ziet, ik zwoeg niet voor mijzelf alleen, Maar ook voor allen, die haar zoeken.
34Behold that I have not laboured for myself only, but for all them that seek wisdom.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.