Jezussirach 44
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Nu wil ik de vrome mannen prijzen, Onze vaderen, naar hun geslachten,
1Let us now praise famous men, and our fathers that begat us.
2Aan wie de Allerhoogste veel glorie gaf, Die groot waren in vroegere tijden:
2The Lord hath wrought great glory by them through his great power from the beginning.
3Heersers van landen door hun koningschap, Mannen van naam door hun kracht; Raadsheren door hun schranderheid, Profeten door hun voorzeggingen.
3Such as did bear rule in their kingdoms, men renowned for their power, giving counsel by their understanding, and declaring prophecies:
4Leiders van volkeren door hun plannen, Vorsten door hun scherpzinnigheid; Wijze denkers door hun geleerdheid, Bestuurders door hun waakzaamheid.
4Leaders of the people by their counsels, and by their knowledge of learning meet for the people, wise and eloquent are their instructions:
5Zangers van psalmen op maat, Dichters van spreuken op schrift;
5Such as found out musical tunes, and recited verses in writing:
6Mannen van rijkdom, steunend op hun kracht, Vreedzaam wonend in hun oord.
6Rich men furnished with ability, living peaceably in their habitations:
7Zij allen stonden bij hun tijdgenoten in ere, En waren in hun dagen beroemd;
7All these were honoured in their generations, and were the glory of their times.
8Sommigen van hen verwierven een naam, Zodat men van hen met lof bleef gewagen.
8There be of them, that have left a name behind them, that their praises might be reported.
9Toch waren er anderen, die men niet meer gedacht; Zodra ze vergingen, was het uit. Ze zijn, als waren ze er nimmer geweest, En hun kinderen eveneens.
9And some there be, which have no memorial; who are perished, as though they had never been; and are become as though they had never been born; and their children after them.
10Maar de eersten waren vrome mannen, Wier hoop niet is vervlogen;
10But these were merciful men, whose righteousness hath not been forgotten.
11Hun geluk houdt stand bij hun geslacht, Hun erfdeel blijft bij hun kinderen.
11With their seed shall continually remain a good inheritance, and their children are within the covenant.
12Hun kroost houdt vast aan Gods verbond, Hun kinderen, om hunnentwil;
12Their seed standeth fast, and their children for their sakes.
13Hun aandenken blijft voor immer, Hun gerechtigheid wordt niet vergeten.
13Their seed shall remain for ever, and their glory shall not be blotted out.
14In vrede werd hun lichaam begraven, Maar hun naam leeft voort van geslacht tot geslacht;
14Their bodies are buried in peace; but their name liveth for evermore.
15Van hun wijsheid blijft de gemeente gewagen, En de vergadering verkondigt hun lof.
15The people will tell of their wisdom, and the congregation will shew forth their praise.
16Henok verkeerde met Jahweh en werd opgenomen: Een toonbeeld van wijsheid voor alle geslachten.
16Enoch pleased the Lord, and was translated, being an example of repentance to all generations.
17Noë werd rechtschapen en onberispelijk bevonden; In de tijd der verdelging werd hij een nieuwe stam. Om zijnentwil bleef er een rest behouden, Om het verbond met hem hield de zondvloed op;
17Noah was found perfect and righteous; in the time of wrath he was taken in exchange for the world; therefore was he left as a remnant unto the earth, when the flood came.
18Een eeuwig verbond werd er met hem gesloten, Dat nooit meer alle vlees zou worden verdelgd.
18An everlasting covenant was made with him, that all flesh should perish no more by the flood.
19Abraham werd de vader van vele volken; Er kleefde geen smet op zijn eer.
19Abraham was a great father of many people: in glory was there none like unto him;
20Want hij volbracht de bevelen van den Allerhoogste, En sloot met Hem een verbond; Hij sneed zich het verbond in zijn vlees, En werd trouw bevonden in de beproeving.
20Who kept the law of the most High, and was in covenant with him: he established the covenant in his flesh; and when he was proved, he was found faithful.
21Daarom beloofde Hij hem onder ede: De volkeren te zegenen in zijn zaad, Hem talrijk te maken als het zand op de aarde, Als de sterren zijn zaad te verheffen, Een bezit hun te geven van zee tot zee, Van de Eufraat tot aan de grenzen der aarde.
21Therefore he assured him by an oath, that he would bless the nations in his seed, and that he would multiply him as the dust of the earth, and exalt his seed as the stars, and cause them to inherit from sea to sea, and from the river unto the utmost part of the land.
22Ook aan Isaäk beloofde Hij hetzelfde, Om wille van Abraham, zijn vader.
22With Isaac did he establish likewise for Abraham his father’s sake the blessing of all men, and the covenant,
23Daarna schonk Hij aan Israël het verbond der vaderen, En de zegen rustte op zijn hoofd. Want hèm stelde Hij in het eerstgeboorterecht, Aan hèm gaf Hij zijn erfbezit, Dat Hij had vastgesteld voor de stammen, Als een erfdeel voor de twaalf.
23And made it rest upon the head of Jacob. He acknowledged him in his blessing, and gave him an heritage, and divided his portions; among the twelve tribes did he part them.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.