Numeri 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen Israël in Sjittim vertoefde, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moab,
1And Israel at that time abode in Settim, and the people committed fornication with the daughters of Moab,
2en deze nodigden het volk uit tot de offers van haar goden. Het volk nam aan die offermaaltijden deel, aanbad haar goden,
2Who called them to their sacrifices. And they ate of them, and adored their gods.
3en Israël diende Báal-Peor. Daarom ontbrandde de toorn van Jahweh tegen Israël.
3And Israel was initiated to Beelphegor: upon which the Lord being angry,
4En Jahweh sprak tot Moses:Neem alle schuldigen onder het volk, en hang ze voor Jahweh op in de volle zon, opdat Jahweh’s gloeiende toorn van Israël moge wijken.
4Said to Moses: Take all the princes of the people, and hang them up on gibbets against the sun: that my fury may be turned away from Israel.
5Moses beval dus de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden, die Báal-Peor hebben vereerd.
5And Moses said to the judges of Israel: Let every man kill his neighbours, that have been initiated to Beelphegor.
6Maar terwijl Moses en heel de gemeenschap der Israëlieten bij de ingang van de openbaringstent weenden, kwam er nog een Israëliet voor hun ogen een midjanietische vrouw naar de zijnen brengen.
6And behold one of the children of Israel went in before his brethren to a harlot of Madian, in the sight of Moses, and of all the children of Israel, who were weeping before the door of the tabernacle.
7Toen Pinechas, de zoon van Elazar, den zoon van den priester Aäron, dit zag, stond hij op uit de kring der gemeenschap, greep een speer,
7And when Phinees the son of Eleazar the son of Aaron the priest saw it, he rose up from the midst; of the multitude, and taking a dagger,
8ging den Israëliet tot in het slaapvertrek achterna, en doorstak hen beiden, den Israëliet en de vrouw in het slaapvertrek. Toen hield die ramp onder de Israëlieten op.
8Went in after the Israelite into the brothel house, and thrust both of them through together, to wit, the man and the woman in the genital parts. And the scourge ceased from the children of Israel:
9Maar door die ramp waren er intussen vier en twintig duizend gestorven.
9And there were slain four and twenty thousand men.
10Nu sprak Jahweh tot Moses:
10And the Lord said to Moses:
11Pinechas, de zoon van Elazar, den zoon van den priester Aäron, heeft door zijn ijveren onder hen voor mijn zaak, mijn toorn van de Israëlieten afgewend, zodat Ik de Israëlieten in mijn ijverzucht niet hoef te verdelgen.
11Phinees the son of Eleazar the son of Aaron the priest, hath turned away my wrath from the children of Israel: because he was moved with my zeal against them, that I myself might not destroy the children of Israel in my zeal.
12Zeg daarom: Zie, Ik sluit met hem mijn vredesverbond.
12Therefore say to him: Behold I give him the peace of my covenant,
13Het zal een verbond van een eeuwig priesterschap zijn voor hem en zijn geslacht, omdat hij voor zijn God heeft geijverd en voor de Israëlieten verzoening heeft verkregen.
13And the covenant of the priesthood for ever shall be both to him and his seed, because he hath been zealous for his God, and hath made atonement for the wickedness of the children of Israel.
14De gedode Israëliet, die met de Midjanietische doorstoken was, heette Zimri; hij was de zoon van Saloe, en een familiehoofd der Simeonieten.
14And the name of the Israelite, was slain with the woman of Madian, was Zambri the son of Salu, a prince the kindred and tribe of Simeon.
15De gedode midjanietische vrouw heette Kozbi; ze was de dochter van Soer, die stam- en familiehoofd was in Midjan.
15And the Madianite woman, that was slain with him, was called Cozbi the daughter of Sur, a most noble prince among the Madianites.
16Jahweh sprak tot Moses:
16And the Lord spoke to Moses, saying:
17Behandel de Midjanieten als vijanden en dood ze.
17Let the Madianites find you enemies, and slay you them:
18Want ze hebben u als vijand behandeld met hun listige streken, die zij tegen u hebben bedacht in de geschiedenis met Peor en met hun zuster Kozbi, de dochter van het midjanietisch stamhoofd, die doorstoken werd op de dag van de ramp om Peor.
18Because they also have acted like enemies against you, and have guilefully deceived you by the idol Phogor, and Cozbi their sister, a daughter of a prince of Madian, who was slain in the day the plague for the sacrilege of Phogor.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.