Numeri 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen Israël in Sjittim vertoefde, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moab,
1ΚΑΙ κατέλυσεν Ἰσραὴλ ἐν Σαττείν· καὶ ἐβεβηλώθη ὁ λαὸς ἐκπορνεῦσαι εἰς τὰς θυγατέρας Μωάβ.
2en deze nodigden het volk uit tot de offers van haar goden. Het volk nam aan die offermaaltijden deel, aanbad haar goden,
2καὶ ἐκάλεσαν αὐτοὺς εἰς τὰς θυσίας τῶν εἰδώλων αὐτῶν, καὶ ἔφαγεν ὁ λαὸς τῶν θυσιῶν αὐτῶν καὶ προσεκύνησαν τοῖς εἰδώλοις αὐτῶν.
3en Israël diende Báal-Peor. Daarom ontbrandde de toorn van Jahweh tegen Israël.
3καὶ ἐτελέσθη Ἰσραὴλ τῷ Βεελφεγώρ· καὶ ὠργίσθη θυμῷ Κύριος τῷ Ἰσραήλ.
4En Jahweh sprak tot Moses:Neem alle schuldigen onder het volk, en hang ze voor Jahweh op in de volle zon, opdat Jahweh’s gloeiende toorn van Israël moge wijken.
4καὶ εἶπε Κύριος τῷ Μωυσῇ· λαβὲ πάντας τοὺς ἀρχηγοὺς τοῦ λαοῦ καὶ παραδειγμάτισον αὐτοὺς Κυρίῳ κατέναντι τοῦ ἡλίου, καὶ ἀποστραφήσεται ὀργὴ θυμοῦ Κυρίου ἀπὸ Ἰσραήλ.
5Moses beval dus de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden, die Báal-Peor hebben vereerd.
5καὶ εἶπε Μωυσῆς ταῖς φυλαῖς Ἰσραήλ· ἀποκτείνατε ἕκαστος τὸν οἰκεῖον αὐτοῦ τὸν τετελεσμένον τῷ Βεελφεγώρ.
6Maar terwijl Moses en heel de gemeenschap der Israëlieten bij de ingang van de openbaringstent weenden, kwam er nog een Israëliet voor hun ogen een midjanietische vrouw naar de zijnen brengen.
6Καὶ ἰδοὺ ἄνθρωπος τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ ἐλθὼν προσήγαγε τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ πρὸς τὴν Μαδιανῖτιν ἐναντίον Μωυσῆ καὶ ἐναντίον πάσης συναγωγῆς υἱῶν Ἰσραήλ, αὐτοὶ δὲ ἔκλαιον παρὰ τὴν θύραν τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου.
7Toen Pinechas, de zoon van Elazar, den zoon van den priester Aäron, dit zag, stond hij op uit de kring der gemeenschap, greep een speer,
7καὶ ἰδὼν Φινεὲς υἱὸς Ἐλεάζαρ υἱοῦ Ἀαρὼν τοῦ ἱερέως ἐξανέστη ἐκ μέσου τῆς συναγωγῆς καὶ λαβὼν σειρομάστην ἐν τῇ χειρὶ
8ging den Israëliet tot in het slaapvertrek achterna, en doorstak hen beiden, den Israëliet en de vrouw in het slaapvertrek. Toen hield die ramp onder de Israëlieten op.
8εἰσῆλθεν ὀπίσω τοῦ ἀνθρώπου τοῦ Ἰσραηλίτου εἰς τὴν κάμινον καὶ ἀπεκέντησεν ἀμφοτέρους, τόν τε ἄνθρωπον τὸν Ἰσραηλίτην καὶ τὴν γυναῖκα διὰ τῆς μήτρας αὐτῆς· καὶ ἐπαύσατο ἡ πληγὴ ἀπὸ υἱῶν Ἰσραήλ.
9Maar door die ramp waren er intussen vier en twintig duizend gestorven.
9καὶ ἐγένοντο οἱ τεθνηκότες ἐν τῇ πληγῇ τέσσαρες καὶ εἴκοσι χιλιάδες.
10Nu sprak Jahweh tot Moses:
10Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
11Pinechas, de zoon van Elazar, den zoon van den priester Aäron, heeft door zijn ijveren onder hen voor mijn zaak, mijn toorn van de Israëlieten afgewend, zodat Ik de Israëlieten in mijn ijverzucht niet hoef te verdelgen.
11Φινεὲς υἱὸς Ἐλεάζαρ υἱοῦ Ἀαρὼν τοῦ ἱερέως κατέπαυσε τὸν θυμόν μου ἀπὸ υἱῶν Ἰσραὴλ ἐν τῷ ζηλῶσαί μου τὸν ζῆλον ἐν αὐτοῖς, καὶ οὐκ ἐξανήλωσα τοὺς υἱοὺς Ἰσραὴλ ἐν τῷ ζήλῳ μου.
12Zeg daarom: Zie, Ik sluit met hem mijn vredesverbond.
12οὕτως εἶπον· ἰδοὺ ἐγὼ δίδωμι αὐτῷ διαθήκην εἰρήνης,
13Het zal een verbond van een eeuwig priesterschap zijn voor hem en zijn geslacht, omdat hij voor zijn God heeft geijverd en voor de Israëlieten verzoening heeft verkregen.
13καὶ ἔσται αὐτῷ καὶ τῷ σπέρματι αὐτοῦ μετ' αὐτὸν διαθήκη ἱερατείας αἰωνία, ἀνθ' ὧν ἐζήλωσε τῷ Θεῷ αὐτοῦ καὶ ἐξιλάσατο περὶ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ.
14De gedode Israëliet, die met de Midjanietische doorstoken was, heette Zimri; hij was de zoon van Saloe, en een familiehoofd der Simeonieten.
14τὸ δὲ ὄνομα τοῦ ἀνθρώπου τοῦ Ἰσραηλίτου τοῦ πεπληγότος, ὃς ἐπλήγη μετὰ τῆς Μαδιανίτιδος, Ζαμβρὶ υἱὸς Σαλώ, ἄρχων οἴκου πατριᾶς τῶν Συμεών·
15De gedode midjanietische vrouw heette Kozbi; ze was de dochter van Soer, die stam- en familiehoofd was in Midjan.
15καὶ ὄνομα τῇ γυναικὶ τῇ Μαδιανίτιδι τῇ πεπληγυίᾳ Χασβί, θυγάτηρ Σοὺρ ἄρχοντος ἔθνους Ὀμμώθ, οἴκου πατριᾶς ἐστι τῶν Μαδιάμ.
16Jahweh sprak tot Moses:
16Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων· λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ λέγων·
17Behandel de Midjanieten als vijanden en dood ze.
17ἐχθραίνετε τοῖς Μαδιηναίοις καὶ πατάξατε αὐτούς,
18Want ze hebben u als vijand behandeld met hun listige streken, die zij tegen u hebben bedacht in de geschiedenis met Peor en met hun zuster Kozbi, de dochter van het midjanietisch stamhoofd, die doorstoken werd op de dag van de ramp om Peor.
18ὅτι ἐχθραίνουσιν αὐτοὶ ὑμῖν ἐν δολιότητι, ὅσα δολιοῦσιν ὑμᾶς διὰ Φογὼρ καὶ διὰ Χασβὶ θυγατέρα ἄρχοντος Μαδιὰμ ἀδελφὴν αὐτῶν τὴν πεπληγυῖαν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῆς πληγῆς διὰ Φογώρ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.