Numeri 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Jahweh sprak tot Moses:
1ΚΑΙ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
2Beveel de Israëlieten en zeg hun: Wanneer gij het land, waar gij wonen zult en dat Ik u geven zal, zijt binnengegaan,
2λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοῦς· ὅταν εἰσέλθητε εἰς τὴν γῆν τῆς κατοικήσεως ὑμῶν, ἣν ἐγὼ δίδωμι ὑμῖν,
3en gij wilt Jahweh een vuuroffer brengen, een brand- of een slachtoffer, als vervulling van een gelofte, als een vrijwillige gave, of bij uw feesten, om zo Jahweh uit het rundvee of kleinvee een heerlijke geur te bereiden:
3καὶ ποιήσεις ὁλοκαυτώματα Κυρίῳ, ὁλοκάρπωμα ἢ θυσίαν, μεγαλῦναι εὐχὴν ἢ καθ' ἑκούσιον ἢ ἐν ταῖς ἑορταῖς ὑμῶν ποιῆσαι ὀσμὴν εὐωδίας τῷ Κυρίῳ, εἰ μὲν ἀπὸ τῶν βοῶν ἢ ἀπό τῶν προβάτων,
4dan moet hij, die een lam aan Jahweh offert, als spijsoffer een issaron meelbloem, gemengd met een vierde hin olie,
4καὶ προσοίσει ὁ προσφέρων τὸ δῶρον αὐτοῦ Κυρίῳ θυσίαν σεμιδάλεως δέκατον τοῦ οἰφὶ ἀναπεποιημένης ἐν ἐλαίῳ ἐν τετάρτῳ τοῦ ἴν·
5als plengoffer een vierde hin wijn bij het brand- of slachtoffer voegen.
5καὶ οἶνον εἰς σπονδὴν τὸ τέταρτον τοῦ ἲν ποιήσετε ἐπὶ τῆς ὁλοκαυτώσεως, ἢ ἐπὶ τῆς θυσίας· τῷ ἀμνῷ τῷ ἑνὶ ποιήσεις τοσοῦτο, κάρπωμα ὀσμὴν εὐωδίας τῷ Κυρίῳ.
6Bij een ram moet ge als spijsoffer twee issaron meelbloem, gemengd met een derde hin olie,
6καὶ τῷ κριῷ, ὅταν ποιῆτε αὐτὸν εἰς ὁλοκαύτωμα ἢ εἰς θυσίαν, ποιήσεις θυσίαν σεμιδάλεως δύο δέκατα ἀναπεποιημένης ἐν ἐλαίῳ, τὸ τρίτον τοῦ ἴν·
7en als plengoffer een derde hin wijn opdragen als een heerlijke geur voor Jahweh.
7καὶ οἶνον εἰς σπονδὴν τὸ τρίτον τοῦ ἲν προσοίσετε εἰς ὀσμὴν εὐωδίας Κυρίῳ.
8Wanneer gij een jong rund als brand- of slachtoffer wilt brengen, als vervulling van een gelofte, of als vredeoffer voor Jahweh,
8ἐὰν δέ ποιῆτε ἀπὸ τῶν βοῶν εἰς ὁλοκαύτωσιν ἢ εἰς θυσίαν μεγαλῦναι εὐχήν, ἢ εἰς σωτήριον Κυρίῳ,
9dan moet ge bij het rund als spijsoffer drie issaron meelbloem, gemengd met een halve hin olie,
9καὶ προσοίσει ἐπὶ τοῦ μόσχου θυσίαν σεμιδάλεως τρία δέκατα ἀναπεποιημένης ἐν ἐλαίῳ ἥμισυ τοῦ ἲν
10en als plengoffer een halve hin wijn opdragen als een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
10καὶ οἶνον εἰς σπονδὴν τὸ ἥμισυ τοῦ ἴν, κάρπωμα ὀσμὴν εὐωδίας Κυρίῳ.
11Zo moet ge doen bij iederen stier, bij iederen ram, bij ieder lam of elke jonge geit.
11οὕτω ποιήσεις τῷ μόσχῳ τῷ ἑνὶ ἢ τῷ κριῷ τῷ ἑνὶ ἢ τῷ ἀμνῷ τῷ ἑνὶ ἐκ τῶν προβάτων ἢ ἐκ τῶν αἰγῶν·
12Zoveel dieren ge offert, zoveel spijsoffers moet ge brengen.
12κατὰ τὸν ἀριθμὸν ὧν ἐὰν ποιήσητε, οὕτως ποιήσετε τῷ ἑνὶ κατὰ τὸν ἀριθμὸν αὐτῶν.
13Zo moet ieder landskind handelen, als hij Jahweh een heerlijk geurend vuuroffer wil brengen.
13πᾶς ὁ αὐτόχθων ποιήσει οὕτως τοιαῦτα, προσενέγκαι καρπώματα εἰς ὀσμὴν εὐωδίας Κυρίῳ.
14Wanneer een vreemdeling, die tijdelijk bij u vertoeft, of reeds geslachten lang in uw midden woont, Jahweh een heerlijk geurend vuuroffer wil brengen, dan moet hij het op dezelfde manier doen als gij.
14ἐὰν δὲ προσήλυτος ἐν ὑμῖν προσγένηται ἐν τῇ γῇ ὑμῶν, ἢ ὃς ἂν γένηται ἐν ὑμῖν ἐν ταῖς γενεαῖς ὑμῶν, καὶ ποιήσει κάρπωμα ὀσμὴν εὐωδίας Κυρίῳ, ὃν τρόπον ποιεῖτε ὑμεῖς, οὕτω ποιήσει ἡ συναγωγὴ Κυρίῳ.
15Hetzelfde voorschrift geldt voor u en voor den vreemdeling, die bij u vertoeft; het is een eeuwig geldend voorschrift van geslacht tot geslacht. Gij en de vreemdeling zullen voor Jahweh gelijk zijn.
15νόμος εἷς ἔσται ὑμῖν καὶ τοῖς προσηλύτοις τοῖς προσκειμένοις ἐν ὑμῖν, νόμος αἰώνιος εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν· ὡς ὑμεῖς καὶ ὁ προσήλυτος ἔσται ἔναντι Κυρίου.
16Dezelfde wet en dezelfde bepalingen gelden voor u en voor den vreemdeling, die bij u vertoeft.
16νόμος εἷς ἔσται καὶ δικαίωμα ἓν ἔσται ὑμῖν καὶ τῷ προσηλύτῳ τῷ προσκειμένῳ ἐν ὑμῖν.
17Jahweh sprak tot Moses:
17Καί ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
18Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land zijt gekomen, waarheen Ik u breng,
18λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ἐν τῷ εἰσπορεύεσθαι ὑμᾶς εἰς τὴν γῆν, εἰς ἣν ἐγὼ εἰσάγω ὑμᾶς ἐκεῖ,
19en gij eet het brood van het land, dan moet gij een cijns aan Jahweh afstaan.
19καὶ ἔσται ὅταν ἔσθητε ὑμεῖς ἀπὸ τῶν ἄρτων τῆς γῆς, ἀφελεῖτε ἀφαίρεμα ἀφόρισμα Κυρίῳ· ἀπαρχὴν φυράματος ὑμῶν
20Als eersteling van uw meel moet ge een koek als cijns afdragen; als een cijns van de dorsvloer moet ge ze brengen.
20ἄρτον ἀφοριεῖτε ἀφαίρεμα αὐτό· ὡς ἀφαίρεμα ἀπὸ ἅλω, οὕτως ἀφελεῖτε αὐτόν,
21Van uw eerste meel moet gij een cijns aan Jahweh brengen van geslacht tot geslacht.
21ἀπαρχὴν φυράματος ὑμῶν, καὶ δώσετε Κυρίῳ ἀφαίρεμα εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν.
22Wanneer de gemeenschap een misstap begaat, en al deze geboden, die Jahweh aan Moses heeft gegeven, niet onderhoudt:
22¨Οταν δὲ διαμάρτητε καὶ μὴ ποιήσητε πάσας τὰς ἐντολὰς ταύτας, ἃς ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν,
23alles namelijk wat Jahweh u door Moses heeft geboden van de dag af, dat Jahweh het u bevolen heeft tot later bij uw nageslacht:
23καθὰ συνέταξε Κύριος πρὸς ὑμᾶς ἐν χειρὶ Μωυσῆ ἀπὸ τῆς ἡμέρας, ᾗ συνέταξε Κύριος πρὸς ὑμᾶς καὶ ἐπέκεινα εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν,
24maar het buiten weten van de gemeenschap bij vergissing gebeurt, dan moet heel de gemeenschap een jongen stier als een heerlijk geurend brandoffer met zijn voorgeschreven spijs- en drankoffer aan Jahweh opdragen, en een bok als zondeoffer.
24καὶ ἔσται ἐὰν ἐξ ὀφθαλμῶν τῆς συναγωγῆς γενηθῇ ἀκουσίως, καὶ ποιήσει πᾶσα ἡ συναγωγὴ μόσχον ἕνα ἐκ βοῶν ἄμωμον εἰς ὁλοκαύτωμα εἰς ὀσμὴν εὐωδίας Κυρίῳ καὶ θυσίαν τούτου καὶ σπονδὴν αὐτοῦ κατὰ τὴν σύνταξιν καὶ χίμαρον ἐξ αἰγῶν ἕνα περὶ ἁμαρτίας.
25De priester zal voor heel de gemeenschap der Israëlieten verzoening verkrijgen, en hun zal vergiffenis worden geschonken, omdat het een vergissing was, en omdat zij voor hun vergissing hun gaven als een vuuroffer aan Jahweh en hun zondeoffer voor het aanschijn van Jahweh hebben gebracht.
25καὶ ἐξιλάσεται ὁ ἱερεὺς περὶ πάσης συναγωγῆς υἱῶν Ἰσραήλ, καὶ ἀφεθήσεται αὐτοῖς· ὅτι ἀκούσιόν ἐστι, καὶ αὐτοὶ ἤνεγκαν τὸ δῶρον αὐτῶν κάρπωμα Κυρίῳ περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτῶν ἔναντι Κυρίου, περὶ τῶν ἀκουσίων αὐτῶν.
26Heel de gemeenschap der Israëlieten zal die vergiffenis moeten verkrijgen, met den vreemdeling, die in uw midden woont; want de vergissing drukt op heel het volk.
26καὶ ἀφεθήσεται κατὰ πᾶσαν συναγωγὴν υἱῶν Ἰσραὴλ καὶ τῷ προσηλύτῳ τῷ προσκειμένῳ πρὸς ὑμᾶς, ὅτι παντὶ τῷ λαῷ ἀκούσιον.
27Wanneer een enkel persoon bij vergissing een zonde begaat, moet hij een eenjarig geitje als zondeoffer brengen.
27ἐάν τε ψυχὴ μία ἁμάρτῃ ἀκουσίως, προσάξει αἶγα μίαν ἐνιαυσίαν περὶ ἁμαρτίας,
28De priester zal voor het aanschijn van Jahweh voor hem, die bij vergissing zonde heeft begaan, verzoening verkrijgen door de verzoeningsplechtigheid voor hem te verrichten; dan zal hem vergiffenis worden geschonken.
28καὶ ἐξιλάσεται ὁ ἱερεὺς περὶ τῆς ψυχῆς τῆς ἀκουσιασθείσης καὶ ἁμαρτούσης ἀκουσίως ἔναντι Κυρίου ἐξιλάσασθαι περὶ αὐτοῦ.
29Dezelfde wet geldt voor u allen, die een vergissing begaat, voor den ingezetene onder de Israëlieten en voor den vreemdeling in uw midden.
29τῷ ἐγχωρίῳ ἐν υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ τῷ προσηλύτῳ τῷ προσκειμένῳ ἐν αὐτοῖς νόμος εἷς ἔσται αὐτοῖς, ὃς ἐὰν ποιήσῃ ἀκουσίως.
30Maar wanneer iemand, een ingezetene of een vreemdeling, met opzet zondigt, dan hoont hij Jahweh, en zal van zijn volk worden afgesneden.
30καὶ ψυχή, ἥτις ποιήσει ἐν χειρὶ ὑπερηφανίας ἀπὸ τῶν αὐτοχθόνων ἢ ἀπὸ τῶν προσηλύτων, τὸν Θεὸν οὗτος παροξυνεῖ, ἐξολοθρευθήσεται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἐκ τοῦ λαοῦ αὐτῆς,
31Want hij heeft het woord van Jahweh veracht, en zijn gebod overtreden; hij zal onherroepelijk worden afgesneden, en zijn zonde moeten boeten.
31ὅτι τὸ ρῆμα Κυρίου ἐφαύλισε καὶ τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ διεσκέδασεν· ἐκτρίψει ἐκτριβήσεται ἡ ψυχὴ ἐκείνη, ἡ ἁμαρτία αὐτῆς ἐν αὐτῇ.
32Terwijl de Israëlieten in de woestijn vertoefden, betrapten zij een man, die op de sabbat hout aan het sprokkelen was.
32Καὶ ἦσαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐν τῇ ἐρήμῳ καὶ εὗρον ἄνδρα συλλέγοντα ξύλα τῇ ἡμέρᾳ τῶν σαββάτων.
33Zij, die hem daarbij betrapten, brachten hem voor Moses en Aäron en heel de gemeenschap.
33καὶ προσήγαγον αὐτὸν οἱ εὑρόντες συλλέγοντα ξύλα τῇ ἡμέρᾳ τῶν σαββάτων πρὸς Μωυσῆν καὶ Ἀαρὼν καὶ πρὸς πᾶσαν συναγωγὴν υἱῶν Ἰσραήλ.
34Men zette hem in verzekerde bewaring, omdat er nog niet duidelijk was bepaald, wat er met hem moest gebeuren.
34καὶ ἀπέθεντο αὐτὸν εἰς φυλακήν, οὐ γὰρ συνέκριναν τί ποιήσωσιν αὐτόν.
35Maar Jahweh sprak tot Moses: Die man moet ter dood worden gebracht; heel de gemeenschap moet hem buiten de legerplaats stenigen.
35καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων· θανάτῳ θανατούσθω ὁ ἄνθρωπος, λιθοβολήσατε αὐτὸν λίθοις πᾶσα ἡ συναγωγή.
36Heel de gemeenschap voerde hem dus buiten de legerplaats, en stenigde hem dood, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
36καὶ ἐξήγαγον αὐτὸν πᾶσα ἡ συναγωγὴ ἔξω τῆς παρεμβολῆς, καὶ ἐλιθοβόλησεν αὐτὸν πᾶσα ἡ συναγωγὴ λίθοις ἔξω τῆς παρεμβολῆς, καθὰ συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ.
37Jahweh sprak tot Moses:
37Καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
38Beveel de Israëlieten, en zeg hun, dat zij en hun nageslacht kwasten moeten maken aan de slippen van hun kleren, en aan de slipkwasten een violette draad.
38λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς καὶ ποιησάτωσαν ἑαυτοῖς κράσπεδα ἐπὶ τὰ πτερύγια τῶν ἱματίων αὐτῶν εἰς τὰς γενεὰς αὐτῶν καὶ ἐπιθήσετε ἐπὶ τὰ κράσπεδα τῶν πτερυγίων κλῶσμα ὑακίνθινον.
39Dit is de bedoeling der kwasten: Wanneer gij ze ziet, zult ge u alle geboden van Jahweh herinneren, en ze volbrengen, en niet uw harten en ogen volgen, en u daardoor laten verleiden.
39καὶ ἔσται ὑμῖν ἐν τοῖς κρασπέδοις καὶ ὄψεσθε αὐτὰ καὶ μνησθήσεσθε πασῶν τῶν ἐντολῶν Κυρίου καὶ ποιήσετε αὐτάς, καὶ οὐ διαστραφήσεσθε ὀπίσω τῶν διανοιῶν ὑμῶν καὶ τῶν ὀφθαλμῶν ὑμῶν, ἐν οἷς ὑμεῖς ἐκπορνεύετε ὀπίσω αὐτῶν,
40Zo zult ge al mijn geboden indachtig zijn, ze volbrengen, en heilig zijn voor uw God.
40ὅπως ἂν μνησθῆτε καὶ ποιήσητε πάσας τὰς ἐντολάς μου καὶ ἔσεσθε ἅγιοι τῷ Θεῷ ὑμῶν.
41Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, om uw God te zijn; Ik ben Jahweh, uw God!
41ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν ὁ ἐξαγωγὼν ὑμᾶς ἐκ γῆς Αἰγύπτου εἶναι ὑμῶν Θεός, ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.