Numeri
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Jahweh sprak tot Aäron: Gij, uw zonen en het huis van uw vader zult de verantwoording voor het heiligdom dragen; gij en uw zonen zult de verantwoording voor uw priesterschap dragen.
1ΚΑΙ εἶπε Κύριος πρὸς Ἀαρὼν λέγων· σὺ καὶ οἱ υἱοί σου καὶ ὁ οἶκος τοῦ πατρός σου λήψεσθε τὰς ἁμαρτίας τῶν ἁγίων, καὶ σὺ καὶ οἱ υἱοί σου λήψεσθε τὰς ἁμαρτίας τῆς ἱερατείας ὑμῶν.
2Maar ook uw broeders, de stam van Levi, de stam van uw vader, moet ge met u doen naderen tot de verbondstent, om zich bij u aan te sluiten, en u en uw zonen te dienen.
2καὶ τοὺς ἀδελφούς σου, φυλὴν Λευί, δῆμον τοῦ πατρός σου, προσαγάγου πρὸς σεαυτόν, καὶ προστεθήτωσάν σοι καὶ λειτουργείτωσάν σοι, καὶ σὺ καὶ οἱ υἱοί σου μετὰ σοῦ ἀπέναντι τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου.
3Zij moeten verrichten wat voor uw ambt en de hele dienst van de Tent nodig is; maar zij mogen de heilige zaken en het altaar niet aanraken; anders sterven zij en ook gijzelf.
3καὶ φυλάξονται τὰς φυλακάς σου καὶ τὰς φυλακὰς τῆς σκηνῆς, πλὴν πρὸς τὰ σκεύη τὰ ἅγια καὶ πρὸς τὸ θυσιαστήριον οὐ προσελεύσονται, καὶ οὐκ ἀποθανοῦνται καὶ οὗτοι καὶ ὑμεῖς.
4Zij mogen zich dus bij u aansluiten om de dienst bij de openbaringstent uit te oefenen, bij alles wat er voor de Tent valt te doen; maar geen onbevoegde mag u naderen.
4καὶ προστεθήσονται πρὸς σὲ καὶ φυλάξονται τὰς φυλακὰς τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου κατὰ πάσας τὰς λειτουργίας τῆς σκηνῆς· καὶ ὁ ἀλλογενὴς οὐ προσελεύσεται πρὸς σέ.
5Gij moet de dienst van het heiligdom en de dienst van het altaar uitoefenen, opdat de Toorn niet opnieuw tegen de Israëlieten losbarst.
5καὶ φυλάξεσθε τὰς φυλακὰς τῶν ἁγίων καὶ τὰς φυλακὰς τοῦ θυσιαστηρίου, καὶ οὐκ ἔσται θυμὸς ἐν τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ.
6Zie, Ik heb uw broeders, de levieten, onder de Israëlieten uitgekozen, als een geschenk voor u; zij zijn ter beschikking van Jahweh gesteld, om de dienst bij de openbaringstent te verrichten.
6καὶ ἐγὼ εἴληφα τοὺς ἀδελφοὺς ὑμῶν τοὺς Λευίτας ἐκ μέσου τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ δόμα δεδομένον Κυρίῳ, λειτουργεῖν τὰς λειτουργίας τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου·
7Maar gij met uw zonen zult het priesterschap uitoefenen, bij alles wat aan het altaar en achter het voorhangsel moet worden verricht; als een geschenk geef Ik u het priesterschap; die onbevoegd durft naderen, moet worden gedood.
7καὶ σὺ καὶ οἱ υἱοί σου μετὰ σοῦ διατηρήσετε τὴν ἱερατείαν ὑμῶν, κατὰ πάντα τρόπον τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τὸ ἔνδοθεν τοῦ καταπετάσματος καὶ λειτουργήσετε τὰς λειτουργίας δόμα τῆς ἱερατείας ὑμῶν· καὶ ὁ ἀλλογενὴς ὁ προσπορευόμενος ἀποθανεῖται.
8Jahweh sprak tot Aäron: Zie, wat van mijn offers overblijft, sta Ik u af; Ik geef het u en uw zonen als uw aandeel van alle gewijde gaven der Israëlieten, als een eeuwig recht.
8Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Ἀαρών· καὶ ἰδοὺ ἐγὼ δέδωκα ὑμῖν τὴν διατήρησιν τῶν ἀπαρχῶν· ἀπὸ πάντων τῶν ἡγιασμένων μοι παρὰ τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ σοὶ δέδωκα αὐτὰ εἰς γέρας καὶ τοῖς υἱοῖς σου μετὰ σὲ νόμιμον αἰώνιον.
9Van de hoogheilige offers, voor zover ze niet worden verbrand, zullen al hun gaven aan spijs-, zonde- en schuldoffers, die zij Mij brengen, voor u zijn; dit hoogheilige zal voor u en uw zonen zijn.
9καὶ τοῦτο ἔστω ὑμῖν ἀπὸ τῶν ἡγιασμένων ἁγίων τῶν καρπωμάτων, ἀπὸ πάντων τῶν δώρων αὐτῶν καὶ ἀπὸ πάντων τῶν θυσιασμάτων αὐτῶν καὶ ἀπὸ πάσης πλημμελείας αὐτῶν καὶ ἀπὸ πασῶν τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν, ὅσα ἀποδιδόασί μοι ἀπὸ πάντων τῶν ἁγίων, σοὶ ἔσται καί τοῖς υἱοῖς σου.
10Op een hoogheilige plaats moet gij het eten; alle mannelijke personen mogen ervan eten. Gij moet het als iets heiligs beschouwen.
10ἐν τῷ ἁγίῳ τῶν ἁγίων φάγεσθε αὐτά· πᾶν ἀρσενικὸν φάγεται αὐτά, σὺ καὶ οἱ υἱοί σου· ἅγια ἔσται σοι.
11Van de geschenken, die men brengt, is het volgende voor u bestemd: Alle strekoffers der Israëlieten geef Ik u en uw zonen en dochters als een eeuwig recht; iedereen van uw gezin, die rein is, mag ervan eten.
11καὶ τοῦτο ἔσται ὑμῖν ἀπαρχὴ δομάτων αὐτῶν· ἀπὸ πάντων τῶν ἐπιθεμάτων τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ σοὶ δέδωκα αὐτὰ καὶ τοῖς υἱοῖς σου καὶ ταῖς θυγατράσι σου μετὰ σοῦ, νόμιμον αἰώνιον· πᾶς καθαρὸς ἐν τῷ οἴκῳ σου ἔδεται αὐτά.
12Ook al het beste van de olie, van de most en het koren, die zij als eerstelingen aan Jahweh brengen, geef Ik u.
12πᾶσα ἀπαρχὴ ἐλαίου καὶ πᾶσα ἀπαρχὴ οἴνου καὶ σίτου, ἀπαρχὴ αὐτῶν, ὅσα ἂν δῶσι τῷ Κυρίῳ, σοὶ δέδωκα αὐτά.
13Ook de eerste vruchten, die zij Jahweh brengen, van alles, wat op hun akkers groeit, zijn voor u; iedereen van uw gezin, die rein is, mag ze eten.
13τὰ πρωτογεννήματα πάντα, ὅσα ἐν τῇ γῇ αὐτῶν, ὅσα ἂν ἐνέγκωσι Κυρίῳ, σοὶ ἔσται· πᾶς καθαρὸς ἐν τῷ οἴκῳ σου ἔδεται αὐτά.
14Ook al wat in Israël met de ban is geslagen, is voor u.
14πᾶν ἀνατεθεματισμένον ἐν υἱοῖς Ἰσραὴλ σοὶ ἔσται.
15Eveneens al wat de moederschoot opent van mens en dier, dat men Jahweh moet offeren, is voor u. Maar het eerstgeborene van de mensen moet ge laten vrijkopen, evenals het eerstgeborene van de onreine dieren.
15καὶ πᾶν διανοῖγον μήτραν ἀπὸ πάσης σαρκός, ὅσα προσφέρουσι Κυρίῳ ἀπὸ ἀνθρώπου ἕως κτήνους, σοὶ ἔσται· ἀλλ' ἢ λύτροις λυτρωθήσεται τὰ πρωτότοκα τῶν ἀνθρώπων, καὶ τὰ πρωτότοκα τῶν κτηνῶν τῶν ἀκαθάρτων λυτρώσῃ.
16Ge moet een kind laten loskopen, als het een maand oud is, en zijn losgeld zal de vastgestelde prijs bedragen, vijf sikkels volgens het heilig gewicht, dus twintig gera.
16καὶ ἡ λύτρωσις αὐτοῦ ἀπὸ μηνιαίου· ἡ συντίμησις πέντε σίκλων, κατὰ τὸν σίκλον τὸν ἅγιον, εἴκοσιν ὀβολοί εἰσι.
17Maar het eerstgeborene van runderen, schapen en geiten, moogt gij niet laten vrijkopen, want zij zijn heilig; hun bloed moet ge tegen het altaar sprenkelen, en hun vet in rook doen opgaan als een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
17πλὴν πρωτότοκα μόσχων καὶ πρωτότοκα προβάτων καὶ πρωτότοκα αἰγῶν οὐ λυτρώσῃ, ἅγιά ἐστι· καὶ τὸ αἷμα αὐτῶν προσχεεῖς πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ τὸ στέαρ ἀνοίσεις κάρπωμα εἰς ὀσμὴν εὐωδίας Κυρίῳ,
18Hun vlees is voor u, evenals de borst van het strekoffer en de rechterschenkel.
18καὶ τὰ κρέα ἔσται σοί· καθὰ καὶ τὸ στηθύνιον τοῦ ἐπιθέματος καὶ κατὰ τὸν βραχίονα τὸν δεξιὸν σοὶ ἔσται.
19Al deze heilige gaven, die de Israëlieten aan Jahweh schenken, geef Ik u en uw zonen en dochters als een eeuwig recht; het is voor u en uw geslacht een eeuwig verbond door zout bekrachtigd voor het aanschijn van Jahweh.
19πᾶν ἀφαίρεμα τῶν ἁγίων, ὅσα ἑὰν ἀφέλωσιν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ Κυρίῳ, δέδωκά σοι καὶ τοῖς υἱοῖς σου καὶ ταῖς θυγατράσι σου μετὰ σοῦ, νόμιμον αἰώνιον· διαθήκη ἁλὸς αἰωνίου ἔστιν ἔναντι Κυρίου σοὶ καὶ τῷ σπέρματί σου μετὰ σέ.
20Maar tot Aäron zei Jahweh: Gij zult in hun land geen erfbezit ontvangen, en geen aandeel onder hen krijgen. Ik ben uw aandeel en erfbezit te midden van Israëls kinderen.
20Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Ἀαρών· ἐν τῇ γῇ αὐτῶν οὐ κληρονομήσεις, καὶ μερὶς οὐκ ἔσται σοι ἐν αὐτοῖς, ὅτι ἐγὼ μερίς σου καὶ κληρονομία σου ἐν μέσῳ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ.
21Aan de levieten geef Ik alle tienden in Israël tot erfdeel als vergoeding voor hun dienst, die zij bij de openbaringstent verrichten.
21καὶ τοῖς υἱοῖς Λευὶ ἰδοὺ δώδεκα πᾶν ἐπιδέκατον ἐν Ἰσραὴλ ἐν κλήρῳ ἀντὶ τῶν λειτουργιῶν αὐτῶν, ὅσα αὐτοὶ λειτουργοῦσι λειτουργίαν ἐν τῇ σκηνῇ τοῦ μαρτυρίου.
22De Israëlieten mogen dus niet langer tot de openbaringstent naderen; zij zouden daardoor een dodelijke schuld op zich laden.
22καὶ οὐ προσελεύσονται ἔτι οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ εἰς τὴν σκηνὴν τοῦ μαρτυρίου λαβεῖν ἁμαρτίαν θανατηφόρον.
23Maar de levieten zullen de dienst bij de openbaringstent verrichten, en daarvoor verantwoordelijk zijn; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht. Zij zullen onder de Israëlieten geen erfdeel ontvangen;
23καὶ λειτουργήσει ὁ Λευίτης αὐτὸς τὴν λειτουργίαν τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ αὐτοὶ λήψονται τὰ ἁμαρτήματα αὐτῶν, νόμιμον αἰώνιον εἰς τὰς γενεὰς αὐτῶν· καὶ ἐν μέσῳ υἱῶν Ἰσραὴλ οὐ κληρονομήσουσι κληρονομίαν·
24want de tienden der Israëlieten, die zij als cijns aan Jahweh moeten opbrengen, geef Ik aan de levieten tot erfdeel. Daarom heb Ik aangaande hen bepaald: Zij zullen geen erfdeel verkrijgen onder Israëls kinderen.
24ὅτι τὰ ἐπιδέκατα τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, ὅσα ἐὰν ἀφορίσωσι Κυρίῳ, ἀφαίρεμα δέδωκα τοῖς Λευίταις ἐν κλήρῳ· διὰ τοῦτο εἴρηκα αὐτοῖς, ἐν μέσῳ υἱῶν Ἰσραὴλ οὐ κληρονομήσουσι κλῆρον.
25Jahweh sprak tot Moses:
25Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
26Beveel de levieten, en zeg hun: Wanneer gij van de Israëlieten de tienden ontvangt, die Ik u als uw erfdeel heb gegeven, dan moet gij daarvan een cijns aan Jahweh afdragen, de tienden namelijk van die tienden;
26καὶ τοῖς Λευίταις λαλήσεις καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ἐὰν λάβητε παρὰ τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ τὸ ἐπιδέκατον, ὃ δέδωκα ὑμῖν παρ' αὐτῶν ἐν κλήρῳ, καὶ ἀφελεῖτε ὑμεῖς ἀπ' αὐτοῦ ἀφαίρεμα Κυρίῳ ἐπιδέκατον ἀπὸ τοῦ ἐπιδεκάτου.
27dit zal worden beschouwd als uw cijns van het koren op de dorsvloer, en van de wijn uit de perskuip.
27καὶ λογισθήσεται ὑμῖν τὰ ἀφαιρέματα ὑμῶν ὡς σῖτος ἀπὸ ἅλω καὶ ἀφαίρεμα ἀπὸ ληνοῦ.
28Dus ook gij moet uw cijns aan Jahweh afdragen, en wel van al uw tienden, die gij van de Israëlieten ontvangt; deze cijns aan Jahweh moet gij aan den priester Aäron afstaan.
28οὕτως ἀφελεῖτε αὐτοὺς καὶ ὑμεῖς ἀπὸ πάντων τῶν ἀφαιρεμάτων Κυρίου ἀπὸ πάντων τῶν ἐπιδεκάτων ὑμῶν, ὅσα ἐὰν λάβητε παρὰ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, καὶ δώσετε ἀπ' αὐτῶν ἀφαίρεμα Κυρίῳ Ἀαρὼν τῷ ἱερεῖ.
29Van al wat gij ontvangt moet gij de volle cijns aan Jahweh brengen, en de heilige gaven moeten het beste deel daarvan zijn.
29ἀπὸ πάντων τῶν δομάτων ὑμῶν ἀφελεῖτε ἀφαίρεμα Κυρίῳ ἢ ἀπὸ πάντων τῶν ἀπαρχῶν τὸ ἡγιασμένον ἀπ' αὐτοῦ.
30Ge moet hun dus zeggen: Slechts wanneer gij het beste deel daarvan afdraagt, zal dit de levieten worden aangerekend als de opbrengst van dorsvloer en perskuip.
30καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ὅταν ἀφαιρῆτε τὴν ἀπαρχὴν ἀπ' αὐτοῦ, καὶ λογισθήσεται τοῖς Λευίταις ὡς γένημα ἀπὸ ἅλω καὶ ὡς γένημα ἀπὸ ληνοῦ.
31De rest moogt ge met uw gezinnen op alle plaatsen eten; want het is het loon voor uw dienst bij de openbaringstent.
31καὶ ἔδεσθε αὐτὸ ἐν παντὶ τόπῳ ὑμεῖς καὶ οἱ οἶκοι ὑμῶν, ὅτι μισθὸς οὗτος ὑμῖν ἐστιν ἀντὶ τῶν λειτουργιῶν ὑμῶν τῶν ἐν τῇ σκηνῇ τοῦ μαρτυρίου.
32Wanneer gij maar het beste deel afdraagt, zult ge geen schuld op u laden, de heilige gaven der Israëlieten niet ontwijden, en niet sterven.
32καὶ οὐ λήψεσθε δι' αὐτὸ ἁμαρτίαν, ὅτι ἂν ἀφαιρῆτε τὴν ἀπαρχὴν ἀπ' αὐτοῦ· καὶ τὰ ἅγια τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ οὐ βεβηλώσετε, ἵνα μὴ ἀποθάνητε.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.