Numeri 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen sprak Balaäm tot Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren, en maak zeven stieren en zeven rammen voor mij gereed.
1バラムはバラクに言った。「ここに七つの祭壇を築き、七頭の雄牛と七頭の雄羊を用意してください。」
2Balak deed zoals Balaäm gezegd had, en offerde een stier en een ram op ieder altaar.
2バラクはバラムの言うとおりにし、二人はそれぞれの祭壇に雄牛一頭と雄羊一頭をささげた。
3Nu sprak Balaäm tot Balak: Blijf hier bij uw offer, terwijl ik heenga. Misschien dat Jahweh mij verschijnt; dan zal ik u verkondigen, wat Hij mij openbaart. Toen ging hij naar een kale heuvel,
3バラムはバラクに言った。「あなたは全焼のささげ物のそばに立っていてください。私は行ってきます。もしかすると、主が私に会ってくださるかもしれません。示されたことをあなたに告げましょう。」 そして彼は何もない高台へ行った。
4waar God hem verscheen. Balaäm zeide tot Hem: Ik heb zeven altaren gebouwd, en op ieder altaar een stier en een ram laten offeren.
4神はバラムに会われた。バラムは言った。「私は七つの祭壇を整え、それぞれに雄牛一頭と雄羊一頭をささげました。」
5Nu legde Jahweh Balaäm een woord in de mond, en sprak: Keer terug naar Balak, en zeg dit.
5主はバラムの口に言葉を置いて言われた。「バラクのもとへ戻り、このように語りなさい。」
6Hij keerde dan naar hem terug, terwijl hij nog bij zijn offer stond met al de vorsten van Moab.
6バラムが戻ると、バラクはモアブのすべての指導者とともに、全焼のささげ物のそばに立っていた。
7Hij hief zijn orakel aan en sprak: Uit Aram heeft mij Balak ontboden, Moabs koning uit de bergen ten oosten: Kom, vloek voor mij Jakob, Kom, verwens Israël!
7バラムは託宣を述べた。 「バラクは私をアラムから、 モアブの王は東の山々から連れて来た。 『来て、私のためにヤコブを呪え。 来て、イスラエルを責めよ。』
8Maar hoe zal ik vervloeken, Dien God niet vervloekt; Hoe zal ik verwensen Dien Jahweh niet verwenst!
8神が呪わない者を、どうして私が呪えよう。 主が責めない者を、どうして私が責められよう。
9Waarachtig, ik zie het van de top van de rotsen, Ik aanschouw het van de heuvelen af: Zie, een volk dat in afzondering woont, En zich niet onder de volken rekent.
9岩の頂から私は彼を見る。 丘の上から彼を見渡す。 見よ、ひとり離れて住み、 国々の一つには数えられない民。
10Maar wie zal het stof van Jakob tellen, Wie Israëls drommen berekenen? Mocht ik de dood der rechtvaardigen sterven, Mocht mijn einde zijn als het hunne!
10だれがヤコブのちりを数え、 イスラエルの四分の一を数えられよう。 私も正しい者たちの死を遂げたい。 私の終わりも彼らのようであれ。」
11Maar Balak zeide tot Balaäm: Wat doet ge me nu! Ik heb u ontboden om mijn vijanden te vervloeken; en zie, ge spreekt een zegening uit!
11バラクはバラムに言った。「あなたは私に何ということをしたのか。敵を呪わせるために連れて来たのに、彼らを祝福してしまったではないか。」
12Hij gaf hem ten antwoord: Moet ik dan niet eerlijk spreken, wat Jahweh mij in de mond heeft gelegd?
12バラムは答えた。「主が私の口に置かれる言葉を、忠実に語るべきではありませんか。」
13Toen zei Balak tot hem: Kom met mij naar een andere plaats, vanwaar gij slechts zijn uiterste rijen kunt zien, en niet het geheel; vandaar zult ge het voor mij vervloeken.
13バラクは言った。「どうか私と別の場所へ行ってください。そこからなら民の一部は見えますが、全体は見えません。そこから私のために彼らを呪ってください。」
14Hij nam hem dus mee naar het Spiedersveld op de top van de Pisga, waar hij zeven altaren bouwde, en op ieder altaar een stier en een ram offerde.
14バラクは彼をツォフィムの野、ピスガの頂へ連れて行き、七つの祭壇を築き、それぞれの祭壇に牛一頭と雄羊一頭をささげた。
15En Balaäm sprak tot Balak: Blijf hier bij uw offer staan: terwijl ik heenga, om een nieuwe verschijning te hebben.
15バラムはバラクに言った。「私が向こうで神に会っている間、あなたはここで全焼のささげ物のそばに立っていてください。」
16En Jahweh verscheen aan Balaäm, legde een woord in zijn mond en sprak: Keer terug naar Balak, en zeg dit.
16主はバラムに会い、その口に言葉を置いて言われた。「バラクのもとへ戻り、このように語りなさい。」
17Hij ging naar hem toe, terwijl deze nog bij zijn offer stond met de vorsten van Moab. Balak vroeg hem: Wat heeft Jahweh gezegd?
17バラムが戻ると、バラクはモアブの指導者たちとともに、全焼のささげ物のそばに立っていた。バラクは尋ねた。「主は何と語られたか。」
18Toen hief hij zijn orakel aan en sprak: Sta op, Balak, en hoor: Luister naar mij, zoon van Sippor:
18バラムは託宣を述べた。 「バラクよ、立って聞け。 ツィポルの子よ、私に耳を傾けよ。
19God is geen mens, die zijn woord breekt, Geen mensenkind, wien iets berouwt. Zou Hij iets zeggen, dat Hij niet uitvoert; Iets spreken, dat Hij niet houdt?
19神は人ではなく、偽ることがない。 人の子ではなく、悔いることがない。 神が言われて、行わないことがあろうか。 語られて、成し遂げないことがあろうか。
20Zie, ik heb opdracht te zegenen, Ik zegen, en trek het niet terug:
20見よ、私は祝福せよとの命を受けた。 神が祝福された。私はそれを覆せない。
21Ik aanschouw geen onheil in Jakob, Zie geen rampen in Israël! Jahweh, zijn God, is met hem, Koningsjubel klinkt onder hem op.
21ヤコブの中に咎を見ず、 イスラエルの中に不正を認めない。 彼らの神、主がともにおられ、 王を迎える歓声がその中に響く。
22God heeft hem uit Egypte geleid, Het heeft hoornen als die van een buffel.
22神は彼らをエジプトから導き出された。 彼らには野牛のような力がある。
23Neen, tegen Jakob helpt geen waarzeggerij, Geen wichelarij tegen Israël: Thans wordt over Jakob gezegd, En over Israël, wat God zal doen.
23ヤコブに対する呪術はなく、 イスラエルに対する占いもない。 今、ヤコブとイスラエルについて言われる。 『神は何を成し遂げられたことか。』
24Ziedaar een volk, dat zich opricht als een leeuwin, En als een leeuw zich verheft; Dat niet neerligt, eer het zijn buit heeft verslonden, En het bloed der gesneuvelden heeft gedronken.
24見よ、その民は雌獅子のように立ち上がり、 獅子のように身を起こす。 獲物を食らい、 殺された者の血を飲むまで横たわらない。」
25Nu zei Balak tot Balaäm: Kunt ge het niet vervloeken, zegen het tenminste niet.
25バラクはバラムに言った。「彼らを呪うことも、祝福することもやめてくれ。」
26Maar Balaäm antwoordde Balak: Heb ik u niet gezegd: “Al wat Jahweh mij zegt, zal ik doen?”
26バラムは答えた。「『主が語られることはすべて行う』と、あなたに申したではありませんか。」
27Toen zei Balak tot Balaäm: Kom, ik zal u naar een andere plaats brengen: misschien behaagt het God, dat gij het van daaruit vervloekt.
27バラクはバラムに言った。「さあ、別の場所へ連れて行こう。そこから彼らを呪うことを、神がよしとされるかもしれない。」
28Balak nam Balaäm dus mee naar de top van de Peor, die oprijst ten oosten van de woestenij.
28バラクはバラムを、荒れ地を見下ろすペオルの頂へ連れて行った。
29Daar sprak Balaäm tot Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren, en maak zeven stieren en zeven rammen voor mij gereed.
29バラムはバラクに言った。「ここに七つの祭壇を築き、七頭の雄牛と七頭の雄羊を用意してください。」
30Balak deed, wat Balaäm gezegd had, en offerde een stier en een ram op ieder altaar.
30バラクはバラムの言うとおりにし、それぞれの祭壇に雄牛一頭と雄羊一頭をささげた。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.