Jozua 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen riep Josuë de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse,
1その時、ヨシュアはルベン人、ガド人、およびマナセの半部族を呼び寄せて、
2en sprak tot hen: Ge hebt u gehouden aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, u had geboden, en ook mij hebt ge gehoorzaamd in alles, wat ik u bevolen heb.
2彼らに言った。「あなたがたは、主のしもべモーセがあなたがたに命じたことをすべて守り、また私があなたがたに命じたすべてのことにおいて、私の声に聞き従った。
3Lange tijd hebt ge uw broeders niet in de steek gelaten, en tot de dag van vandaag de voorschriften van Jahweh, uw God, opgevolgd.
3あなたがたは今日まで、この長い間、兄弟たちを見捨てず、あなたがたの神、主の命令を忠実に守ってきた。
4Nu echter Jahweh, uw God, aan uw broeders rust heeft verleend, zoals Hij hun had beloofd, moogt ge terugkeren naar uw tenten en naar uw erfland, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u in het Overjordaanse heeft geschonken.
4今、あなたがたの神、主は、約束どおり兄弟たちに安息を与えられた。だから今、自分たちの天幕へ、すなわち主のしもべモーセがヨルダン川の東であなたがたに与えた相続地へ帰りなさい。
5Maar onderhoudt nauwgezet het gebod en de wet, die Moses, de dienaar van Jahweh, u heeft voorgeschreven: hebt Jahweh, uw God, lief, bewandelt zijn wegen, geeft acht op zijn geboden, hangt Hem aan, en dient Hem met heel uw hart en heel uw ziel.
5ただし、主のしもべモーセが命じた戒めと律法を守り行うよう、十分に心を配りなさい。あなたがたの神、主を愛し、そのすべての道を歩み、戒めを守り、主に堅く結びつき、心を尽くし、いのちを尽くして主に仕えなさい。」
6Daarop zegende Josuë hen, en liet hen gaan. En ze gingen naar hun tenten terug.
6こうしてヨシュアは彼らを祝福して送り出し、彼らは自分たちの天幕へ帰って行った。
7Aan de ene helft van de stam van Manasse had Moses in Basjan land gegeven, aan de andere helft had Josuë hetzelfde gedaan ten westen van de Jordaan, evenals aan hun broeders. Maar toen Josuë hen met zijn zegen naar hun tenten liet gaan,
7さて、マナセの一方の半部族には、モーセがバシャンに相続地を与えていた。しかしもう一方の半部族には、ヨシュアがヨルダン川の西側で彼らの兄弟たちの間に相続地を与えた。さらにヨシュアは彼らをその天幕へ送り出す際にも彼らを祝福し、
8sprak hij tot hen bovendien: Keert terug naar uw tenten met grote schatten en zeer veel vee, en met een overvloed van zilver, goud, koper, ijzer en kleren; deelt met uw broeders de buit, op uw vijanden behaald.
8こう言った。「多くの富、多くの家畜、銀、金、青銅、鉄、多くの衣服を携えて、自分たちの天幕へ帰りなさい。敵から得た戦利品を兄弟たちと分け合いなさい。」
9Zo keerden de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse terug, en trokken uit Sjilo, dat in het land Kanaän ligt, van de Israëlieten weg, om naar het land Gilad te gaan, dat hun eigendom was, en waar ze zich gevestigd hadden op Jahweh’s bevel, dat hun door Moses was afgekondigd.
9ルベン人、ガド人、およびマナセの半部族は帰って行った。彼らはカナンの地にあるシロでイスラエルの人々を離れ、ギルアデの地、すなわちモーセを通して主が命じられたとおりに彼らが所有していた地へ行った。
10Toen nu de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse bij de steenhopen aan de Jordaan, die nog in het land Kanaän liggen, waren gekomen, bouwden ze daar bij de Jordaan een altaar, en nog wel een opvallend groot.
10彼らがカナンの地のヨルダン川沿いの地方に来ると、ルベン人、ガド人、マナセの半部族は、ヨルダン川のそばに、ひときわ大きく目立つ祭壇を築いた。
11De Israëlieten hoorden ervan; want men vertelde: De Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse hebben bij de grens van het land Kanaän, bij de steenhopen aan de Jordaan, aan de kant der Israëlieten, een altaar gebouwd.
11イスラエルの人々はこう聞いた。「見よ、ルベン人、ガド人、およびマナセの半部族が、カナンの地の境、ヨルダン川沿いの地方で、イスラエルの人々に属する側に祭壇を築いた。」
12Zodra de Israëlieten deze geruchten vernamen, kwamen ze allen te Sjilo bijeen, om tegen hen ten strijde te trekken.
12イスラエルの人々がこれを聞いた時、イスラエルの人々の全会衆は、彼らに対して戦いに上るため、シロに集まった。
13Ze zonden den priester Pinechas, den zoon van Elazar, naar de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilad.
13イスラエルの人々は、ギルアデの地にいるルベン人、ガド人、およびマナセの半部族のところへ、祭司エルアザルの子ピネハスを遣わした。
14Tien vorsten vergezelden hem, één familievorst uit elke stam van Israël, en ieder van hen familiehoofd in een van Israëls geslachten.
14彼とともに十人の族長がいた。イスラエルの各部族から父祖の家を代表する族長が一人ずつ選ばれ、それぞれがイスラエルの諸氏族のかしらであった。
15Bij de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilad aangekomen, zeiden ze tot hen:
15彼らはギルアデの地にあるルベン人、ガド人、およびマナセの半部族のところに来て、彼らに言った。
16Zo zegt het gehele vergaderde volk van Jahweh: Aan wat ontrouw hebt ge u tegenover den God van Israël schuldig gemaakt? Door u een altaar te bouwen, keert gij u heden van Jahweh af, en komt gij in opstand tegen Jahweh.
16「主の全会衆はこう言う。『イスラエルの神に対して犯したこの背信は何か。今日、主に従うことから離れ、自分たちのために祭壇を築いて、主に反逆するとは。
17Hebben we nu nog niet genoeg aan de zonde met Peor, waarvan we ons tot op de dag van vandaag nog niet hebben gezuiverd, en waarvoor de plaag over het volk van Jahweh is gekomen!
17ペオルで犯した咎では足りないというのか。主の会衆に災いが下り、私たちは今日に至るまで、あの咎から清められきっていない。
18Toch keert ge u heden van Jahweh af! Maar als gij vandaag tegen Jahweh opstaat, breekt morgen zijn toorn over het hele volk van Israël los.
18それなのにあなたがたは今日、主に従うことから背き去ろうとするのか。あなたがたが今日、主に逆らうなら、明日には主がイスラエルの全会衆に対して怒られることになる。
19Als ge denkt, dat uw erfdeel onrein is, komt dan over naar het erfdeel van Jahweh, waar zijn tabernakel staat, en vestigt u onder ons; maar staat niet op tegen Jahweh, en evenmin tegen ons, door u een altaar te bouwen naast het altaar van Jahweh, onzen God.
19もし、あなたがたの相続地が汚れているというのであれば、主の幕屋がある主の相続地に渡って来て、私たちの間で相続地を得なさい。しかし、私たちの神、主の祭壇のほかに別の祭壇を築いて、主に逆らってはならない。また私たちにも逆らってはならない。
20Is niet over het hele volk van Israël toorn losgebarsten, toen Akan, de zoon van Zérach, zich aan de ban vergreep? Neen, het was niet enkel die man, die voor zijn misdaad moest sterven!
20ゼラの子アカンが聖絶されたものについて背信の罪を犯した時、イスラエルの全会衆に御怒りが下ったではないか。その咎によって滅びたのは、彼一人ではなかった。』」
21Maar de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse gaven aan de hoofden der stammen van Israël ten antwoord:
21するとルベン人、ガド人、およびマナセの半部族は答えて、イスラエルの千人隊のかしらたちに言った。
22Bij Jahweh, den God der goden! Jahweh, de God der goden, weet het, en ook Israël zal het weten! Als dit opstand of ontrouw jegens Jahweh is, dan redde Hij ons heden niet.
22「力ある神、主。力ある神、主。その方はご存じです。イスラエルも知りますように。これが主への反逆や背信であったなら、今日、私たちを救わないでください。
23Wij een altaar bouwen, om ons van Jahweh af te keren! Jahweh moge het wreken, als het onze bedoeling was, daarop brand- of spijs- offers op te dragen, of vredeoffers te brengen!
23私たちが主に従うことから離れるために祭壇を築いたのなら、また、その上で全焼のささげ物や穀物のささげ物、和解のいけにえを献げるためであったのなら、主ご自身が裁かれますように。
24Neen, enkel uit bezorgdheid hebben we dit gedaan. We dachten: Later zouden uw kinderen wel eens tot de onze kunnen zeggen: “Wat hebt gij te maken met Jahweh, Israëls God?
24そうではありません。私たちは、ある心配があってこれを行ったのです。後の日に、あなたがたの子らが私たちの子らにこう言うかもしれないと思いました。『あなたがたはイスラエルの神、主と何のかかわりがあるのか。
25Jahweh heeft toch tussen ons en de kinderen van Ruben en Gad de Jordaan als grens gesteld? Ge hebt dus geen deel aan Jahweh!” En zo zouden uw kinderen oorzaak zijn, dat de onze Jahweh niet meer vreesden.
25主は、私たちとあなたがた、すなわちルベン人とガド人との間の境界として、ヨルダン川を定められた。あなたがたには主にあずかる分はない』と言うかもしれない、ということです。こうしてあなたがたの子らは、私たちの子らが主を恐れることをやめさせるかもしれないのです。
26Daarom hebben we gedacht: We bouwen ons een altaar, niet voor brand- of slachtoffers,
26そこで私たちは言いました。『さあ、自分たちのために祭壇を築こう。ただし、全焼のささげ物や、いけにえを献げるためではない。
27maar als een getuige tussen ons en u en onze nakomelingen na ons, dat wij met onze brand-, slacht- en vredeoffers Jahweh’s aanschijn willen dienen, zodat uw kinderen later tot de onze niet zeggen: “Gij hebt geen deel aan Jahweh!”
27これは、私たちとあなたがたとの間、また後の世代との間で証しとなるためである。私たちは主の御前で、全焼のささげ物、いけにえ、和解のいけにえを献げて主に仕える。』こうして後の日に、あなたがたの子らが私たちの子らに、『あなたがたには主にあずかる分がない』と言わないためです。
28We dachten: Als men later tot ons en onze nakomelingen zo iets zou zeggen, dan antwoorden wij: Let op de vorm van Jahweh’s altaar, dat onze vaderen hebben gemaakt; dat is niet bestemd voor brand- en slachtoffers, maar om een getuige te zijn tussen ons en u.
28私たちはこう考えました。『後の日に、彼らが私たちや後の世代にそう言うなら、こう答えよう。私たちの父たちが造った主の祭壇の形を見よ。これは全焼のささげ物や、いけにえのためではなく、私たちとあなたがたとの間の証しである。』
29We denken er niet aan, in opstand tegen Jahweh te komen, en ons heden van Jahweh af te keren, door een altaar voor brand-, spijs- en slachtoffers te bouwen naast het altaar van Jahweh, onzen God, dat voor zijn tabernakel staat.
29私たちが主に逆らい、今日、主に従うことから背き去って、主の幕屋の前にある私たちの神、主の祭壇のほかに、全焼のささげ物、穀物のささげ物、いけにえのための祭壇を築くことは、決してありません。」
30Toen de priester Pinechas, de vorsten van het volk en de stamhoofden van Israël, die hem vergezelden, de Rubenieten, Gadieten en Manassieten zo hoorden spreken, waren ze tevreden gesteld.
30祭司ピネハスと会衆の族長たち、すなわち彼とともにいたイスラエルの千人隊のかしらたちは、ルベン人、ガド人、マナセの子らが語った言葉を聞き、それを良いことと思った。
31En de priester Pinechas, de zoon van Elazar, sprak tot de Rubenieten, Gadieten en Manassieten: Nu weten we, dat Jahweh onder ons is; omdat gij u niet aan zulk een ontrouw jegens Jahweh hebt schuldig gemaakt. Hiermee hebt ge de Israëlieten uit de hand van Jahweh gered.
31祭司エルアザルの子ピネハスは、ルベン人、ガド人、マナセの子らに言った。「あなたがたが主に対してこの背信の罪を犯していなかったので、今日、主が私たちの間におられることが分かった。あなたがたは今、イスラエルの人々を主の御手から救い出した。」
32Daarna keerde de priester Pinechas, de zoon van Elazar, met de vorsten van de Rubenieten en Gadieten, uit het land Gilad naar de Israëlieten in het land Kanaän terug, en brachten hun verslag uit.
32祭司エルアザルの子ピネハスと族長たちは、ギルアデの地を出て、ルベン人とガド人のところからカナンの地のイスラエルの人々のもとへ帰り、彼らに報告した。
33En de Israëlieten waren tevreden gesteld, en loofden God. Ze dachten er niet meer aan, om tegen hen ten strijde te trekken, en het land te verwoesten, waar de Rubenieten en Gadieten woonden.
33その事はイスラエルの人々を喜ばせた。イスラエルの人々は神をほめたたえ、ルベン人とガド人が住んでいる地を滅ぼすために、彼らに対して戦いに上ることをもはや語らなかった。
34En de Rubenieten en Gadieten noemden het altaar: “Getuige”; want het is getuige tussen ons, dat Jahweh God is.
34ルベン人とガド人は、その祭壇を「主が神であることの、私たちの間の証し」と名づけた。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.