Jozua
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen riep Josuë de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse,
1Alors Josué appela les Rubénites, les Gadites et la demi-tribu de Manassé.
2en sprak tot hen: Ge hebt u gehouden aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, u had geboden, en ook mij hebt ge gehoorzaamd in alles, wat ik u bevolen heb.
2Il leur dit: Vous avez observé tout ce que vous a prescrit Moïse, serviteur de l’Éternel, et vous avez obéi à ma voix dans tout ce que je vous ai ordonné.
3Lange tijd hebt ge uw broeders niet in de steek gelaten, en tot de dag van vandaag de voorschriften van Jahweh, uw God, opgevolgd.
3Vous n’avez point abandonné vos frères, depuis un long espace de temps jusqu’à ce jour; et vous avez gardé les ordres, les commandements de l’Éternel, votre Dieu.
4Nu echter Jahweh, uw God, aan uw broeders rust heeft verleend, zoals Hij hun had beloofd, moogt ge terugkeren naar uw tenten en naar uw erfland, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u in het Overjordaanse heeft geschonken.
4Maintenant que l’Éternel, votre Dieu, a accordé du repos à vos frères, comme il le leur avait dit, retournez et allez vers vos tentes, dans le pays qui vous appartient, et que Moïse, serviteur de l’Éternel, vous a donné de l’autre côté du Jourdain.
5Maar onderhoudt nauwgezet het gebod en de wet, die Moses, de dienaar van Jahweh, u heeft voorgeschreven: hebt Jahweh, uw God, lief, bewandelt zijn wegen, geeft acht op zijn geboden, hangt Hem aan, en dient Hem met heel uw hart en heel uw ziel.
5Ayez soin seulement d’observer et de mettre en pratique les ordonnances et les lois que vous a prescrites Moïse, serviteur de l’Éternel: aimez l’Éternel, votre Dieu, marchez dans toutes ses voies, gardez ses commandements, attachez-vous à lui, et servez-le de tout votre cœur et de toute votre âme.
6Daarop zegende Josuë hen, en liet hen gaan. En ze gingen naar hun tenten terug.
6Et Josué les bénit et les renvoya, et ils s’en allèrent vers leurs tentes.
7Aan de ene helft van de stam van Manasse had Moses in Basjan land gegeven, aan de andere helft had Josuë hetzelfde gedaan ten westen van de Jordaan, evenals aan hun broeders. Maar toen Josuë hen met zijn zegen naar hun tenten liet gaan,
7Moïse avait donné à une moitié de la tribu de Manassé un héritage en Basan, et Josué donna à l’autre moitié un héritage auprès de ses frères en deçà du Jourdain, à l’occident. Lorsque Josué les renvoya vers leurs tentes, il les bénit,
8sprak hij tot hen bovendien: Keert terug naar uw tenten met grote schatten en zeer veel vee, en met een overvloed van zilver, goud, koper, ijzer en kleren; deelt met uw broeders de buit, op uw vijanden behaald.
8et leur dit: Vous retournez à vos tentes avec de grandes richesses, avec des troupeaux fort nombreux, et avec une quantité considérable d’argent, d’or, d’airain, de fer, et de vêtements. Partagez avec vos frères le butin de vos ennemis.
9Zo keerden de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse terug, en trokken uit Sjilo, dat in het land Kanaän ligt, van de Israëlieten weg, om naar het land Gilad te gaan, dat hun eigendom was, en waar ze zich gevestigd hadden op Jahweh’s bevel, dat hun door Moses was afgekondigd.
9Les fils de Ruben, les fils de Gad, et la demi-tribu de Manassé, s’en retournèrent, après avoir quitté les enfants d’Israël à Silo, dans le pays de Canaan, pour aller dans le pays de Galaad, qui était leur propriété et où ils s’étaient établis comme l’Éternel l’avait ordonné par Moïse.
10Toen nu de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse bij de steenhopen aan de Jordaan, die nog in het land Kanaän liggen, waren gekomen, bouwden ze daar bij de Jordaan een altaar, en nog wel een opvallend groot.
10Quand ils furent arrivés aux districts du Jourdain qui appartiennent au pays de Canaan, les fils de Ruben, les fils de Gad et la demi-tribu de Manassé, y bâtirent un autel sur le Jourdain, un autel dont la grandeur frappait les regards.
11De Israëlieten hoorden ervan; want men vertelde: De Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse hebben bij de grens van het land Kanaän, bij de steenhopen aan de Jordaan, aan de kant der Israëlieten, een altaar gebouwd.
11Les enfants d’Israël apprirent que l’on disait: Voici, les fils de Ruben, les fils de Gad et la demi-tribu de Manassé, ont bâti un autel en face du pays de Canaan, dans les districts du Jourdain, du côté des enfants d’Israël.
12Zodra de Israëlieten deze geruchten vernamen, kwamen ze allen te Sjilo bijeen, om tegen hen ten strijde te trekken.
12Lorsque les enfants d’Israël eurent appris cela, toute l’assemblée des enfants d’Israël se réunit à Silo, pour monter contre eux et leur faire la guerre.
13Ze zonden den priester Pinechas, den zoon van Elazar, naar de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilad.
13Les enfants d’Israël envoyèrent auprès des fils de Ruben, des fils de Gad et de la demi-tribu de Manassé, au pays de Galaad, Phinées, fils du sacrificateur Éléazar,
14Tien vorsten vergezelden hem, één familievorst uit elke stam van Israël, en ieder van hen familiehoofd in een van Israëls geslachten.
14et dix princes avec lui, un prince par maison paternelle pour chacune des tribus d’Israël; tous étaient chefs de maison paternelle parmi les milliers d’Israël.
15Bij de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilad aangekomen, zeiden ze tot hen:
15Ils se rendirent auprès des fils de Ruben, des fils de Gad et de la demi-tribu de Manassé, au pays de Galaad, et ils leur adressèrent la parole, en disant:
16Zo zegt het gehele vergaderde volk van Jahweh: Aan wat ontrouw hebt ge u tegenover den God van Israël schuldig gemaakt? Door u een altaar te bouwen, keert gij u heden van Jahweh af, en komt gij in opstand tegen Jahweh.
16Ainsi parle toute l’assemblée de l’Éternel: Que signifie cette infidélité que vous avez commise envers le Dieu d’Israël, et pourquoi vous détournez-vous maintenant de l’Éternel, en vous bâtissant un autel pour vous révolter aujourd’hui contre l’Éternel?
17Hebben we nu nog niet genoeg aan de zonde met Peor, waarvan we ons tot op de dag van vandaag nog niet hebben gezuiverd, en waarvoor de plaag over het volk van Jahweh is gekomen!
17Regardons-nous comme peu de chose le crime de Peor, dont nous n’avons pas jusqu’à présent enlevé la tache de dessus nous, malgré la plaie qu’il attira sur l’assemblée de l’Éternel?
18Toch keert ge u heden van Jahweh af! Maar als gij vandaag tegen Jahweh opstaat, breekt morgen zijn toorn over het hele volk van Israël los.
18Et vous vous détournez aujourd’hui de l’Éternel! Si vous vous révoltez aujourd’hui contre l’Éternel, demain il s’irritera contre toute l’assemblée d’Israël.
19Als ge denkt, dat uw erfdeel onrein is, komt dan over naar het erfdeel van Jahweh, waar zijn tabernakel staat, en vestigt u onder ons; maar staat niet op tegen Jahweh, en evenmin tegen ons, door u een altaar te bouwen naast het altaar van Jahweh, onzen God.
19Si vous tenez pour impur le pays qui est votre propriété, passez dans le pays qui est la propriété de l’Éternel, où est fixée la demeure de l’Éternel, et établissez-vous au milieu de nous; mais ne vous révoltez pas contre l’Éternel et ne vous séparez pas de nous, en vous bâtissant un autel, outre l’autel de l’Éternel, notre Dieu.
20Is niet over het hele volk van Israël toorn losgebarsten, toen Akan, de zoon van Zérach, zich aan de ban vergreep? Neen, het was niet enkel die man, die voor zijn misdaad moest sterven!
20Acan, fils de Zérach, ne commit-il pas une infidélité au sujet des choses dévouées par interdit, et la colère de l’Éternel ne s’enflamma-t-elle pas contre toute l’assemblée d’Israël? Il ne fut pas le seul qui périt à cause de son crime.
21Maar de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse gaven aan de hoofden der stammen van Israël ten antwoord:
21Les fils de Ruben, les fils de Gad et la demi-tribu de Manassé, répondirent ainsi aux chefs des milliers d’Israël:
22Bij Jahweh, den God der goden! Jahweh, de God der goden, weet het, en ook Israël zal het weten! Als dit opstand of ontrouw jegens Jahweh is, dan redde Hij ons heden niet.
22Dieu, Dieu, l’Éternel, Dieu, Dieu, l’Éternel le sait, et Israël le saura! Si c’est par rébellion et par infidélité envers l’Éternel, ne viens point à notre aide en ce jour!
23Wij een altaar bouwen, om ons van Jahweh af te keren! Jahweh moge het wreken, als het onze bedoeling was, daarop brand- of spijs- offers op te dragen, of vredeoffers te brengen!
23Si nous nous sommes bâti un autel pour nous détourner de l’Éternel, si c’est pour y présenter des holocaustes et des offrandes, et si c’est pour y faire des sacrifices d’actions de grâces, que l’Éternel en demande compte!
24Neen, enkel uit bezorgdheid hebben we dit gedaan. We dachten: Later zouden uw kinderen wel eens tot de onze kunnen zeggen: “Wat hebt gij te maken met Jahweh, Israëls God?
24C’est bien plutôt par une sorte d’inquiétude que nous avons fait cela, en pensant que vos fils diraient un jour à nos fils: Qu’y a-t-il de commun entre vous et l’Éternel, le Dieu d’Israël?
25Jahweh heeft toch tussen ons en de kinderen van Ruben en Gad de Jordaan als grens gesteld? Ge hebt dus geen deel aan Jahweh!” En zo zouden uw kinderen oorzaak zijn, dat de onze Jahweh niet meer vreesden.
25L’Éternel a mis le Jourdain pour limite entre nous et vous, fils de Ruben et fils de Gad; vous n’avez point de part à l’Éternel! Et vos fils seraient ainsi cause que nos fils cesseraient de craindre l’Éternel.
26Daarom hebben we gedacht: We bouwen ons een altaar, niet voor brand- of slachtoffers,
26C’est pourquoi nous avons dit: Bâtissons-nous donc un autel, non pour des holocaustes et pour des sacrifices,
27maar als een getuige tussen ons en u en onze nakomelingen na ons, dat wij met onze brand-, slacht- en vredeoffers Jahweh’s aanschijn willen dienen, zodat uw kinderen later tot de onze niet zeggen: “Gij hebt geen deel aan Jahweh!”
27mais comme un témoin entre nous et vous, entre nos descendants et les vôtres, que nous voulons servir l’Éternel devant sa face par nos holocaustes et par nos sacrifices d’expiation et d’actions de grâces, afin que vos fils ne disent pas un jour à nos fils: Vous n’avez point de part à l’Éternel!
28We dachten: Als men later tot ons en onze nakomelingen zo iets zou zeggen, dan antwoorden wij: Let op de vorm van Jahweh’s altaar, dat onze vaderen hebben gemaakt; dat is niet bestemd voor brand- en slachtoffers, maar om een getuige te zijn tussen ons en u.
28Nous avons dit: S’ils tiennent dans l’avenir ce langage à nous ou à nos descendants, nous répondrons: Voyez la forme de l’autel de l’Éternel, qu’ont fait nos pères, non pour des holocaustes et pour des sacrifices, mais comme témoin entre nous et vous.
29We denken er niet aan, in opstand tegen Jahweh te komen, en ons heden van Jahweh af te keren, door een altaar voor brand-, spijs- en slachtoffers te bouwen naast het altaar van Jahweh, onzen God, dat voor zijn tabernakel staat.
29Loin de nous la pensée de nous révolter contre l’Éternel et de nous détourner aujourd’hui de l’Éternel, en bâtissant un autel pour des holocaustes, pour des offrandes et pour des sacrifices, outre l’autel de l’Éternel, notre Dieu, qui est devant sa demeure!
30Toen de priester Pinechas, de vorsten van het volk en de stamhoofden van Israël, die hem vergezelden, de Rubenieten, Gadieten en Manassieten zo hoorden spreken, waren ze tevreden gesteld.
30Lorsque le sacrificateur Phinées, et les princes de l’assemblée, les chefs des milliers d’Israël, qui étaient avec lui, eurent entendu les paroles que prononcèrent les fils de Ruben, les fils de Gad et les fils de Manassé, ils furent satisfaits.
31En de priester Pinechas, de zoon van Elazar, sprak tot de Rubenieten, Gadieten en Manassieten: Nu weten we, dat Jahweh onder ons is; omdat gij u niet aan zulk een ontrouw jegens Jahweh hebt schuldig gemaakt. Hiermee hebt ge de Israëlieten uit de hand van Jahweh gered.
31Et Phinées, fils du sacrificateur Éléazar, dit aux fils de Ruben, aux fils de Gad, et aux fils de Manassé: Nous reconnaissons maintenant que l’Éternel est au milieu de nous, puisque vous n’avez point commis cette infidélité contre l’Éternel; vous avez ainsi délivré les enfants d’Israël de la main de l’Éternel.
32Daarna keerde de priester Pinechas, de zoon van Elazar, met de vorsten van de Rubenieten en Gadieten, uit het land Gilad naar de Israëlieten in het land Kanaän terug, en brachten hun verslag uit.
32Phinées, fils du sacrificateur Éléazar, et les princes, quittèrent les fils de Ruben et les fils de Gad, et revinrent du pays de Galaad dans le pays de Canaan, auprès des enfants d’Israël, auxquels ils firent un rapport.
33En de Israëlieten waren tevreden gesteld, en loofden God. Ze dachten er niet meer aan, om tegen hen ten strijde te trekken, en het land te verwoesten, waar de Rubenieten en Gadieten woonden.
33Les enfants d’Israël furent satisfaits; ils bénirent Dieu, et ne parlèrent plus de monter en armes pour ravager le pays qu’habitaient les fils de Ruben et les fils de Gad.
34En de Rubenieten en Gadieten noemden het altaar: “Getuige”; want het is getuige tussen ons, dat Jahweh God is.
34Les fils de Ruben et les fils de Gad appelèrent l’autel Ed, car, dirent-ils, il est témoin entre nous que l’Éternel est Dieu.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.