Jozua 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen al de koningen der Amorieten aan de westelijke oever van de Jordaan, en al de kanaänietische koningen langs de zee hoorden, dat Jahweh het water van de Jordaan voor de Israëlieten zo lang had doen opdrogen, tot ze er over waren, sloeg hun de schrik om het hart, en ontzonk hun de moed uit vrees voor de Israëlieten.
1Lorsque tous les rois des Amoréens à l’occident du Jourdain et tous les rois des Cananéens près de la mer apprirent que l’Éternel avait mis à sec les eaux du Jourdain devant les enfants d’Israël jusqu’à ce que nous eussions passé, ils perdirent courage et furent consternés à l’aspect des enfants d’Israël.
2In die tijd sprak Jahweh tot Josuë: Maak u stenen messen, en besnijd de kinderen Israëls een tweede maal.
2En ce temps-là, l’Éternel dit à Josué: Fais-toi des couteaux de pierre, et circoncis de nouveau les enfants d’Israël, une seconde fois.
3En Josuë maakte zich stenen messen, en besneed de Israëlieten bij de Heuvel der voorhuiden.
3Josué se fit des couteaux de pierre, et il circoncit les enfants d’Israël sur la colline d’Araloth.
4Dit was de reden, dat Josuë hen liet besnijden: Van al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, hadden alle strijdbare mannen op hun uittocht uit Egypte de dood gevonden.
4Voici la raison pour laquelle Josué les circoncit. Tout le peuple sorti d’Égypte, les mâles, tous les hommes de guerre, étaient morts dans le désert, pendant la route, après leur sortie d’Égypte.
5Nu was al het volk, dat uitgetrokken was, wel besneden; maar allen, die onderweg in de woestijn waren geboren na de uittocht uit Egypte, waren niet besneden.
5Tout ce peuple sorti d’Égypte était circoncis; mais tout le peuple né dans le désert, pendant la route, après la sortie d’Égypte, n’avait point été circoncis.
6Want veertig jaar hadden de Israëlieten door de woestijn gezworven, tot er niemand meer over was van heel het volk, van al de strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken: van allen, die niet naar de stem van Jahweh hadden geluisterd, en aan wie Jahweh gezworen had, dat Hij hun het land niet zou laten zien, dat Hij hun vaderen onder ede beloofd had, ons te zullen geven, een land, dat druipt van melk en honing.
6Car les enfants d’Israël avaient marché quarante ans dans le désert jusqu’à la destruction de toute la nation des hommes de guerre qui étaient sortis d’Égypte et qui n’avaient point écouté la voix de l’Éternel; l’Éternel leur jura de ne pas leur faire voir le pays qu’il avait juré à leurs pères de nous donner, pays où coulent le lait et le miel.
7Nu had Hij hun zonen in hun plaats gesteld, en hen liet Josuë besnijden; want ze waren nog onbesneden, omdat men ze onderweg niet had kunnen besnijden.
7Ce sont leurs enfants qu’il établit à leur place; et Josué les circoncit, car ils étaient incirconcis, parce qu’on ne les avait point circoncis pendant la route.
8Nadat de besnijdenis van heel het volk was verricht, bleven ze daar in de legerplaats, tot ze genezen waren.
8Lorsqu’on eut achevé de circoncire toute la nation, ils restèrent à leur place dans le camp jusqu’à leur guérison.
9En Jahweh sprak tot Josuë: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld! Daarom noemde hij die plaats Gilgal; zo heet ze nu nog.
9L’Éternel dit à Josué: Aujourd’hui, j’ai roulé de dessus vous l’opprobre de l’Égypte. Et ce lieu fut appelé du nom de Guilgal jusqu’à ce jour.
10Terwijl de Israëlieten in Gilgal legerden, vierden ze op de avond van de veertiende dag der maand het paasfeest op de vlakten van Jericho;
10Les enfants d’Israël campèrent à Guilgal; et ils célébrèrent la Pâque le quatorzième jour du mois, sur le soir, dans les plaines de Jéricho.
11en daags na het Pascha aten ze van de opbrengst van het land ongedesemd brood en geroosterd graan.
11Ils mangèrent du blé du pays le lendemain de la Pâque, des pains sans levain et du grain rôti; ils en mangèrent ce même jour.
12Op dezelfde dag, dat ze van de opbrengst van het land aten, hield het manna op. De kinderen Israëls kregen geen manna meer, maar ze aten dat jaar wat het land Kanaän opbracht.
12La manne cessa le lendemain de la Pâque, quand ils mangèrent du blé du pays; les enfants d’Israël n’eurent plus de manne, et ils mangèrent des produits du pays de Canaan cette année-là.
13Terwijl Josuë nu bij Jericho vertoefde, gebeurde het eens, dat hij opkeek, en een man voor zich zag staan met een getrokken zwaard in zijn hand. Josuë ging op hem af, en vroeg hem: Hoort gij bij ons of bij onze vijanden?
13Comme Josué était près de Jéricho, il leva les yeux, et regarda. Voici, un homme se tenait debout devant lui, son épée nue dans la main. Il alla vers lui, et lui dit: Es-tu des nôtres ou de nos ennemis?
14Hij antwoordde: Bij geen van beiden; maar ik ben de aanvoerder van Jahweh ‘s heir; ik kom hier dus van pas. Toen viel Josuë plat ter aarde, huldigde hem, en vroeg hem: Wat heeft mijn Heer tot zijn dienaar te zeggen?
14Il répondit: Non, mais je suis le chef de l’armée de l’Éternel, j’arrive maintenant. Josué tomba le visage contre terre, se prosterna, et lui dit: Qu’est-ce que mon seigneur dit à son serviteur?
15En de aanvoerder van Jahweh’s heir gaf Josuë ten antwoord: Trek uw schoenen uit; want de plaats, waarop ge staat, is heilig. En Josuë deed het.
15Et le chef de l’armée de l’Éternel dit à Josué: Ote tes souliers de tes pieds, car le lieu sur lequel tu te tiens est saint. Et Josué fit ainsi.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.