Jacobus 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Mijn broeders, paart het aanzien van personen niet met het geloof in onzen verheerlijkten Heer Jesus Christus.
1Браћо моја! У вери Господа нашег славног Исуса Христа не гледајте ко је ко;
2Welnu, wanneer bij uw samenkomst een man binnentreedt met gouden ringen en een prachtig gewaad, maar er ook een arme binnenkomt met onverzorgde kleding,
2јер ако дође у цркву вашу човек са златним прстеном и у светлој хаљини, а дође и сиромах у рђавој хаљини,
3en wanneer gij dan opziet tegen den man met het prachtig gewaad en hem zegt: “Zet u hier op de ereplaats neer;” maar wanneer gij tot den arme zegt: “Blijf ginder staan,” of “Ga zitten bij mijn voetbank,”
3и погледате на оног у светлој хаљини, и кажете му: Ти седи овде лепо, а сиромаху кажете: Ти стани тамо, или седи овде ниже подножја мог;
4hebt gij dan bij uzelf geen onderscheid gemaakt, en oordeelt gij dan niet op verkeerde gronden?
4и не расудисте у себи, него бисте судије злих помисли.
5Luistert wél, mijn geliefde broeders! Heeft God de armen der wereld niet uitverkoren, om rijk te woren in geloof, en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben;
5Чујте, љубазна браћо моја, не изабра ли Бог сиромахе овог света да буду богати вером, и наследници царства које обрече онима који њега љубе?
6en gij zoudt den arme verachten? En zijn het juist de rijken niet, die u verdrukken en u voor de rechtbank slepen;
6А ви осрамотисте сиромаха. Нису ли то богати који вас муче и вуку вас на судове?
7zijn zij het niet, die de heerlijke Naam lasteren, waarnaar gij genoemd wordt?
7Не хуле ли они на добро име ваше којим сте се назвали?
8Welnu, wanneer gij de koninklijke wet volbrengt, overeenkomstig de Schrift: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf,” dan doet gij wèl;
8Ако, дакле, закон царски извршујете по писму: Љуби ближњег као самог себе, добро чините;
9maar wanneer gij handelt volgens aanzien van personen, dan zondigt gij, en wordt gij als overtreder aangeklaagd door de wet.
9ако ли гледате ко је ко, грех чините, и бићете покарани од закона као преступници;
10Immers wie de ganse wet onderhoudt, maar in één punt misdoet, is schuldig aan het geheel.
10јер који сав закон одржи а сагреши у једном, крив је за све,
11Want Hij, die gezegd heeft: “Ge zult geen overspel doen, “Hij heeft ook gezegd: “Ge zult niet doodslaan.” Wanneer ge dus geen overspel doet, maar wel doodslaat, dan zijt gij een overtreder der wet.
11јер Онај који је рекао: Не чини прељубе, рекао је и: Не убиј. Ако дакле не учиниш прељубе а убијеш, постао си преступник закона.
12Spreekt dus en handelt als mensen, die geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid.
12Тако говорите и тако творите као они који ће законом слободе бити суђени;
13Want onbarmhartig is het oordeel over hem, die geen barmhartigheid heeft getoond; maar de barmhartigheid neemt het tegen het oordeel op.
13јер ће ономе бити суд без милости који не чини милости; и хвали се милост на суду.
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert, het geloof te bezitten, zo hij de werken niet heeft? Kan het geloof hem soms redden?
14Каква је корист, браћо моја, ако ко рече да има веру а дела нема? Зар га може вера спасти?
15Wanneer een broeder of zuster naakt zou zijn en van het dagelijks voedsel beroofd,
15Ако, на пример, брат и ли сестра голи буду, или немају шта да једу,
16en iemand van u zou hun zeggen: Gaat heen in vrede, verwarmt en verzadigt u, maar gij schenkt hun niet, wat ze voor hun lichaam behoeven, wat zal het baten?
16и рече им који од вас: Идите с миром, грејте се, и наситите се, а не да им потребе телесне, шта помаже?
17Zo gaat het ook met het geloof: zonder de werken is het innerlijk dood.
17Тако и вера ако нема дела, мртва је по себи.
18Bovendien zou men zo iemand kunnen zeggen: “Gij hebt het geloof, en ik heb de werken? Toon me eens uw geloof zonder de werken; mijn geloof zal ik u uit de werken bewijzen.
18Но може ко рећи: Ти имаш веру, а ја имам дела. Покажи ми веру своју без дела својих, а ја ћу теби показати веру своју из дела својих.
19Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!”
19Ти верујеш да је један Бог; добро чиниш; и ђаволи верују, и дрхћу.
20Wilt ge zien, lege mens, hoe het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
20Али хоћеш ли разумети, о човече сујетни! Да је вера без дела мртва?
21Werd Abraham, onze Vader, niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij Isaäk, zijn zoon, op het altaar had geofferd?
21Авраам отац наш не оправда ли се делима кад принесе Исака, сина свог, на олтар?
22Ge ziet, hoe het geloof met zijn werken gepaard ging, en hoe door de werken het geloof werd volmaakt.
22Видиш ли да вера поможе делима његовим, и кроз дела сврши се вера?
23En toen ging de Schrift in vervulling, die zegt: “Abraham geloofde aan God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend;” toen ook werd hij genoemd: “de vriend van God.”
23И изврши се писмо које говори: Авраам верова Богу, и прими му се у правду, и пријатељ Божји назва се.
24Ge ziet: uit wèrken wordt de mens gerechtvaardigd, en niet uit geloof alleen.
24Видите ли, дакле, да се делима правда човек, а не самом вером?
25Werd ook de ontuchtige Rachab niet gerechtvaardigd uit werken, omdat ze de boden gastvrij ontving, en ze langs een andere weg liet vertrekken?
25А тако и Раав курва не оправда ли се делима кад прими уходе, и изведе их другим путем?
26Want zoals het lichaam dood is zonder geest, zo is ook dood het geloof zonder werken.
26Јер, као што је тело без духа мртво, тако је и вера без добрих дела мртва.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.