Jacobus 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn broeders, paart het aanzien van personen niet met het geloof in onzen verheerlijkten Heer Jesus Christus.
1Fratres mei, nolite in personarum acceptione habere fidem Domini nostri Jesu Christi gloriæ.
2Welnu, wanneer bij uw samenkomst een man binnentreedt met gouden ringen en een prachtig gewaad, maar er ook een arme binnenkomt met onverzorgde kleding,
2Etenim si introierit in conventum vestrum vir aureum annulum habens in veste candida, introierit autem et pauper in sordido habitu,
3en wanneer gij dan opziet tegen den man met het prachtig gewaad en hem zegt: “Zet u hier op de ereplaats neer;” maar wanneer gij tot den arme zegt: “Blijf ginder staan,” of “Ga zitten bij mijn voetbank,”
3et intendatis in eum qui indutus est veste præclara, et dixeritis ei: Tu sede hic bene: pauperi autem dicatis: Tu sta illic; aut sede sub scabello pedum meorum:
4hebt gij dan bij uzelf geen onderscheid gemaakt, en oordeelt gij dan niet op verkeerde gronden?
4nonne judicatis apud vosmetipsos, et facti estis judices cogitationum iniquarum?
5Luistert wél, mijn geliefde broeders! Heeft God de armen der wereld niet uitverkoren, om rijk te woren in geloof, en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben;
5Audite, fratres mei dilectissimi: nonne Deus elegit pauperes in hoc mundo, divites in fide, et hæredes regni, quod repromisit Deus diligentibus se?
6en gij zoudt den arme verachten? En zijn het juist de rijken niet, die u verdrukken en u voor de rechtbank slepen;
6vos autem exhonorastis pauperem. Nonne divites per potentiam opprimunt vos, et ipsi trahunt vos ad judicia?
7zijn zij het niet, die de heerlijke Naam lasteren, waarnaar gij genoemd wordt?
7nonne ipsi blasphemant bonum nomen, quod invocatum est super vos?
8Welnu, wanneer gij de koninklijke wet volbrengt, overeenkomstig de Schrift: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf,” dan doet gij wèl;
8Si tamen legem perficitis regalem secundum Scripturas: Diliges proximum tuum sicut teipsum: bene facitis:
9maar wanneer gij handelt volgens aanzien van personen, dan zondigt gij, en wordt gij als overtreder aangeklaagd door de wet.
9si autem personas accipitis, peccatum operamini, redarguti a lege quasi transgressores.
10Immers wie de ganse wet onderhoudt, maar in één punt misdoet, is schuldig aan het geheel.
10Quicumque autem totam legem servaverit, offendat autem in uno, factus est omnium reus.
11Want Hij, die gezegd heeft: “Ge zult geen overspel doen, “Hij heeft ook gezegd: “Ge zult niet doodslaan.” Wanneer ge dus geen overspel doet, maar wel doodslaat, dan zijt gij een overtreder der wet.
11Qui enim dixit: Non mœchaberis, dixit et: Non occides. Quod si non mœchaberis, occides autem, factus es transgressor legis.
12Spreekt dus en handelt als mensen, die geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid.
12Sic loquimini, et sic facite sicut per legem libertatis incipientes judicari.
13Want onbarmhartig is het oordeel over hem, die geen barmhartigheid heeft getoond; maar de barmhartigheid neemt het tegen het oordeel op.
13Judicium enim sine misericordia illi qui non fecit misericordiam: superexaltat autem misericordia judicium.
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert, het geloof te bezitten, zo hij de werken niet heeft? Kan het geloof hem soms redden?
14Quid proderit, fratres mei, si fidem quis dicat se habere, opera autem non habeat? numquid poterit fides salvare eum?
15Wanneer een broeder of zuster naakt zou zijn en van het dagelijks voedsel beroofd,
15Si autem frater et soror nudi sint, et indigeant victu quotidiano,
16en iemand van u zou hun zeggen: Gaat heen in vrede, verwarmt en verzadigt u, maar gij schenkt hun niet, wat ze voor hun lichaam behoeven, wat zal het baten?
16dicat autem aliquis ex vobis illis: Ite in pace, calefacimini et saturamini: non dederitis autem eis quæ necessaria sunt corpori, quid proderit?
17Zo gaat het ook met het geloof: zonder de werken is het innerlijk dood.
17Sic et fides, si non habeat opera, mortua est in semetipsa.
18Bovendien zou men zo iemand kunnen zeggen: “Gij hebt het geloof, en ik heb de werken? Toon me eens uw geloof zonder de werken; mijn geloof zal ik u uit de werken bewijzen.
18Sed dicet quis: Tu fidem habes, et ego opera habeo: ostende mihi fidem tuam sine operibus: et ego ostendam tibi ex operibus fidem meam.
19Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!”
19Tu credis quoniam unus est Deus: bene facis: et dæmones credunt, et contremiscunt.
20Wilt ge zien, lege mens, hoe het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
20Vis autem scire, o homo inanis, quoniam fides sine operibus mortua est?
21Werd Abraham, onze Vader, niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij Isaäk, zijn zoon, op het altaar had geofferd?
21Abraham pater noster nonne ex operibus justificatus est, offerens Isaac filium suum super altare?
22Ge ziet, hoe het geloof met zijn werken gepaard ging, en hoe door de werken het geloof werd volmaakt.
22Vides quoniam fides cooperabatur operibus illius: et ex operibus fides consummata est?
23En toen ging de Schrift in vervulling, die zegt: “Abraham geloofde aan God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend;” toen ook werd hij genoemd: “de vriend van God.”
23Et suppleta est Scriptura, dicens: Credidit Abraham Deo, et reputatum est illi ad justitiam, et amicus Dei appellatus est.
24Ge ziet: uit wèrken wordt de mens gerechtvaardigd, en niet uit geloof alleen.
24Videtis quoniam ex operibus justificatur homo, et non ex fide tantum?
25Werd ook de ontuchtige Rachab niet gerechtvaardigd uit werken, omdat ze de boden gastvrij ontving, en ze langs een andere weg liet vertrekken?
25Similiter et Rahab meretrix, nonne ex operibus justificata est, suscipiens nuntios, et alia via ejiciens?
26Want zoals het lichaam dood is zonder geest, zo is ook dood het geloof zonder werken.
26Sicut enim corpus sine spiritu mortuum est, ita et fides sine operibus mortua est.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.