Jacobus
Chapter 2

Jacobus

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Mijn broeders, paart het aanzien van personen niet met het geloof in onzen verheerlijkten Heer Jesus Christus.
1FRATELLI miei, non abbiate la fede della gloria di Gesù Cristo, Signor nostro, con riguardi alle qualità delle persone.
2Welnu, wanneer bij uw samenkomst een man binnentreedt met gouden ringen en een prachtig gewaad, maar er ook een arme binnenkomt met onverzorgde kleding,
2Perciocchè, se nella vostra raunanza entra un uomo con l'anel d'oro, in vestimento splendido; e v 'entra parimente un povero, in vestimento sozzo;
3en wanneer gij dan opziet tegen den man met het prachtig gewaad en hem zegt: “Zet u hier op de ereplaats neer;” maar wanneer gij tot den arme zegt: “Blijf ginder staan,” of “Ga zitten bij mijn voetbank,”
3e voi riguardate a colui che porta il vestimento splendido, e gli dite: Tu, siedi qui onorevolmente; e al povero dite: Tu, stattene quivi in piè, o siedi qui sotto allo scannello de' miei piedi;
4hebt gij dan bij uzelf geen onderscheid gemaakt, en oordeelt gij dan niet op verkeerde gronden?
4non avete voi fatta differenza in voi stessi? e non siete voi divenuti de' giudici con malvagi pensieri?
5Luistert wél, mijn geliefde broeders! Heeft God de armen der wereld niet uitverkoren, om rijk te woren in geloof, en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben;
5Ascoltate, fratelli miei diletti: non ha Iddio eletti i poveri del mondo, per esser ricchi in fede, ed eredi dell'eredità ch'egli ha promessa a coloro che l'amano?
6en gij zoudt den arme verachten? En zijn het juist de rijken niet, die u verdrukken en u voor de rechtbank slepen;
6Ma voi avete disonorato il povero. I ricchi non son eglino quelli che vi tiranneggiano? non son eglino quelli che vi traggono alle corti?
7zijn zij het niet, die de heerlijke Naam lasteren, waarnaar gij genoemd wordt?
7Non son eglino quelli che bestemmiano il buon nome, del quale voi siete nominati?
8Welnu, wanneer gij de koninklijke wet volbrengt, overeenkomstig de Schrift: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf,” dan doet gij wèl;
8Se invero voi adempiete la legge reale, secondo la scrittura: Ama il tuo prossimo, come te stesso, fate bene.
9maar wanneer gij handelt volgens aanzien van personen, dan zondigt gij, en wordt gij als overtreder aangeklaagd door de wet.
9Ma, se avete riguardo alla qualità delle persone, voi commettete peccato, essendo dalla legge convinti, come trasgressori.
10Immers wie de ganse wet onderhoudt, maar in één punt misdoet, is schuldig aan het geheel.
10Perciocchè, chiunque avrà osservata tutta la legge, ed avrà fallito in un sol capo , è colpevole di tutti.
11Want Hij, die gezegd heeft: “Ge zult geen overspel doen, “Hij heeft ook gezegd: “Ge zult niet doodslaan.” Wanneer ge dus geen overspel doet, maar wel doodslaat, dan zijt gij een overtreder der wet.
11Poichè colui che ha detto: Non commettere adulterio; ha ancor detto: Non uccidere; che se tu non commetti adulterio, ma uccidi, tu sei divenuto trasgressor della legge.
12Spreekt dus en handelt als mensen, die geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid.
12Così parlate, e così operate, come avendo da esser giudicati per la legge della libertà.
13Want onbarmhartig is het oordeel over hem, die geen barmhartigheid heeft getoond; maar de barmhartigheid neemt het tegen het oordeel op.
13Perciocchè il giudicio senza misericordia sarà contro a colui che non avrà usata misericordia; e misericordia si gloria contro a giudicio.
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert, het geloof te bezitten, zo hij de werken niet heeft? Kan het geloof hem soms redden?
14CHE utilità vi è , fratelli miei, se alcuno dice d'aver fede, e non ha opere? può la fede salvarlo?
15Wanneer een broeder of zuster naakt zou zijn en van het dagelijks voedsel beroofd,
15Che se un fratello, o sorella, son nudi, e bisognosi del nudrimento cotidiano;
16en iemand van u zou hun zeggen: Gaat heen in vrede, verwarmt en verzadigt u, maar gij schenkt hun niet, wat ze voor hun lichaam behoeven, wat zal het baten?
16ed alcun di voi dice loro: Andatevene in pace, scaldatevi, e satollatevi; e voi non date loro i bisogni del corpo; qual pro fate loro ?
17Zo gaat het ook met het geloof: zonder de werken is het innerlijk dood.
17Così ancora la fede a parte, se non ha le opere, è per sè stessa morta.
18Bovendien zou men zo iemand kunnen zeggen: “Gij hebt het geloof, en ik heb de werken? Toon me eens uw geloof zonder de werken; mijn geloof zal ik u uit de werken bewijzen.
18Anzi alcuno dirà; Tu hai la fede, ed io ho le opere; mostrami la tua fede senza le tue opere, ed io ti mostrerò la fede mia per le mie opere.
19Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!”
19Tu credi che Iddio è un solo; ben fai; i demoni lo credono anch'essi, e tremano.
20Wilt ge zien, lege mens, hoe het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
20Ora, o uomo vano, vuoi tu conoscere che la fede senza le opere è morta?
21Werd Abraham, onze Vader, niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij Isaäk, zijn zoon, op het altaar had geofferd?
21Non fu Abrahamo, nostro padre, giustificato per le opere, avendo offerto il suo figliuolo Isacco sopra l'altare?
22Ge ziet, hoe het geloof met zijn werken gepaard ging, en hoe door de werken het geloof werd volmaakt.
22Tu vedi che la fede operava insieme con le opere d'esso, e che per le opere la fede fu compiuta.
23En toen ging de Schrift in vervulling, die zegt: “Abraham geloofde aan God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend;” toen ook werd hij genoemd: “de vriend van God.”
23E fu adempiuta la scrittura, che dice: Ed Abrahamo credette a Dio, e ciò gli fu imputato a giustizia; ed egli fu chiamato: Amico di Dio.
24Ge ziet: uit wèrken wordt de mens gerechtvaardigd, en niet uit geloof alleen.
24Voi vedete adunque che l'uomo è giustificato per le opere, e non per la fede solamente.
25Werd ook de ontuchtige Rachab niet gerechtvaardigd uit werken, omdat ze de boden gastvrij ontving, en ze langs een andere weg liet vertrekken?
25Simigliantemente ancora non fu Raab, la meretrice, giustificata per le opere, avendo accolti i messi, e mandati li via per un altro cammino?
26Want zoals het lichaam dood is zonder geest, zo is ook dood het geloof zonder werken.
26Poichè, siccome il corpo senza spirito è morto, così ancora la fede senza le opere è morta.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.