2 Tessalonicenzen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Verder, broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heren voort mag ijlen, en verheerlijkt mag worden als onder u;
1De cetero fratres, orate pro nobis ut sermo Dei currat, et clarificetur, sicut et apud vos:
2ook dat we verlost mogen worden van onbetamelijke en slechte mensen; want niet allen bezitten het geloof.
2et ut liberemur ab importunis, et malis hominibus: non enim omnium est fides.
3De Heer is getrouw; Hij zal u sterken, en u voor het kwade bewaren.
3Fidelis autem Deus est, qui confirmabit vos, et custodiet a malo.
4Daarenboven vertrouwen we van u in den Heer, dat gij doet, wat we bevelen, en dat gij het ook zult blijven doen.
4Confidimus autem de vobis, in Domino, quoniam quæ præcepimus, et facitis, et facietis.
5En de Heer neige uw harten tot de liefde voor God en tot de verwachting van Christus.
5Dominus autem dirigat corda vestra in caritate Dei, et patientia Christi.
6Broeders, in de naam van den Heer Jesus Christus drukken we u op het hart, u terug te trekken van elken broeder, die ongeregeld leeft, niet naar de overlevering, die gij van ons hebt ontvangen.
6Denuntiamus autem vobis, fratres, in nomine Domini nostri Jesu Christi, ut subtrahatis vos ab omni fratre ambulante inordinate, et non secundum traditionem, quam acceperunt a nobis.
7Zelf weet gij toch wel, hoe gij ons navolgen moet. Want we hebben onder u niet ongeregeld geleefd.
7Ipsi enim scitis quemadmodum oporteat imitari nos: quoniam non inquieti fuimus inter vos:
8We hebben niemands brood om niet gegeten, maar nacht en dag gearbeid in zwoegen en slaven, om niemand van u tot last te zijn;
8neque gratis panem manducavimus ab aliquo, sed in labore, et in fatigatione, nocte et die operantes, ne quem vestrum gravaremus.
9niet alsof we geen recht er op hadden, maar om onszelf aan u als voorbeeld ter navolging te stellen.
9Non quasi non habuerimus potestatem, sed ut nosmetipsos formam daremus vobis ad imitandum nos.
10Bovendien, toen we bij u waren, hebben we u toch voorgehouden, dat wie niet werken wil, ook niet ete.
10Nam et cum essemus apud vos, hoc denuntiabamus vobis: quoniam si quis non vult operari, nec manducet.
11En nu horen we toch, dat sommigen onder u een ongeregeld leven leiden, zich niet druk maken, maar wel veel drukte.
11Audivimus enim inter vos quosdam ambulare inquiete, nihil operantes, sed curiose agentes.
12Hen gebieden en vermanen we in den Heer Jesus Christus, om rustig te werken en hun eigen brood te eten.
12Iis autem, qui ejusmodi sunt, denuntiemus, et obsecramus in Domino Jesu Christo, ut cum silentio operantes, suum panem manducent.
13En gij broeders, wordt niet moede, het goede te doen.
13Vos autem, fratres, nolite deficere benefacientes.
14Zo iemand niet luistert naar ons woord in deze brief, tekent Hem aan en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd moge staan.
14Quod si quis non obedit verbo nostro per epistolam, hunc notate, et ne commisceamini cum illo ut confundatur:
15Toch moet ge hem niet als uw vijand beschouwen, maar als een broeder vermanen.
15et nolite quasi inimicum existimare, sed corripite ut fratrem.
16De Heer van de vrede, Hij geve u de vrede altijd en in alles. De Heer zij met u allen!
16Ipse autem Dominus pacis det vobis pacem sempiternam in omni loco. Dominus sit cum omnibus vobis.
17De groet is van mijn eigen hand: Paulus. Dit is het teken bij iedere brief; zo schrijf ik:
17Salutatio, mea manu Pauli: quod est signum in omni epistola, ita scribo.
18De genade van onzen Heer Jesus Christus zij met u allen.
18Gratia Domini nostri Jesu Christi cum omnibus vobis. Amen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.