1 Kronieken 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Chirom, de koning van Tyrus, zond gezanten tot David; ook cederhout, timmerlieden en steenhouwers, om voor hem een paleis te bouwen.
1And Hiram king of Tyre sent messengers to David, and cedar trees, and masons, and carpenters, to build him a house.
2Zo begreep David, dat Jahweh hem tot koning van Israël had bevestigd, en dat Hij zijn koningschap verheven had terwille van zijn volk Israël.
2And David perceived that the Lord had confirmed him king over Israel, and that his kingdom was exalted over his people Israel.
3Ook te Jerusalem nam David nog vrouwen, en kreeg hij nog meer zonen en dochters.
3And David took other wives in Jerusalem: and he beget sons, and daughters.
4Hier volgen de namen van hen, die hem te Jerusalem geboren werden: Sjammóea, Sjobab, Natan, Salomon,
4Now these are the names of them that were born to him in Jerusalem: Samua, and Sobad, Nathan, and Solomon,
5Jibchar, Elisjóea, Elpélet,
5Jebahar, and Elisua, and Eliphalet,
6Nóga, Néfeg, Jafia,
6And Noga, and Napheg, and Japhia,
7Elisjama, Beëljada en Elifélet.
7Elisama. and Baaliada, and Eliphalet.
8Maar toen de Filistijnen vernamen, dat men David tot koning van heel Israël had gezalfd, trokken alle Filistijnen op, om zich van David meester te maken. Bij het vernemen hiervan ging David hun tegemoet.
8And the Philistines hearing that David was anointed king over all Israel, went all up to seek him: and David heard of it, and went out against them.
9Toen de Filistijnen gekomen waren en zich over het dal der Refaïeten verspreid hadden,
9And the Philistines came and spread themselves in the vale of Raphaim.
10vroeg David aan God: Moet ik oprukken tegen de Filistijnen; zult Gij ze aan mij overleveren? Jahweh antwoordde: Trek op; want Ik lever ze aan u over.
10And David consulted the Lord, saying: Shall I go up against the Philistines, and wilt thou deliver them into my hand? And the Lord said to him: Go up, and I will deliver them into thy hand.
11Zo kwam David bij Báal-Perasim; hij versloeg ze daar, en zeide: Zoals water door een dam breekt, zo heeft God mij door mijn vijanden heen laten breken! Vandaar dat die plaats Báal-Perasim heet.
11And when they were come to Baalpharasim, David defeated them there, and he said: God hath divided my enemies by my hand, as waters are divided: and therefore the name of that place was called Baalpharasim.
12Ze lieten daar hun goden achter, die op bevel van David verbrand werden.
12And they left there their gods, and David commanded that they should be burnt.
13Toen de Filistijnen zich andermaal over het dal der Refaïeten hadden verspreid,
13Another time also the Philistines made an irruption, and spread themselves abroad in the valley.
14raadpleegde David God opnieuw. God antwoordde: Val niet aan, maar maak een omtrekkende beweging naar hun achterhoede, en ga op hen af van de kant der balsemstruiken.
14And David consulted God again, and God said to him: Go not up after them, turn away from them, and come upon them over against the pear trees.
15Als ge in de toppen der balsemstruiken het geruis van schreden verneemt, maak u dan gereed; want dan gaat God u vóór, om het leger der Filistijnen te verslaan.
15And when thou shalt hear the sound of one going in the tops of the pear trees, then shalt thou go out to battle. For God is gone out before thee to strike the army of the Philistines.
16David deed juist zoals God het hem bevolen had, en het leger der Filistijnen werd verslagen van Gibon tot Gézer.
16And David did as God had commanded him, and defeated the army of the Philistines, slaying them from Gabaon to Gazera.
17Vandaar dat de naam van David in alle landen bekend werd, en door de hulp van Jahweh alle volken ontzag voor hem kregen.
17And the name of David became famous in all countries, and the Lord made all nations fear him.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.