Timotheum Ii
Chapter 2

Timotheum Ii

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Timotheum Ii 2

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tu ergo fili mi, confortare in gratia, quæ est in Christo Jesu:
1Gij dan mijn kind, toon u kloek door de genade, die ge in Christus Jesus bezit;
2et quæ audisti a me per multos testes, hæc commenda fidelibus hominibus, qui idonei erant et alios docere.
2wat ge van mij onder vele getuigen gehoord hebt, draag dat aan betrouwbare mannen over, die geschikt zijn, ook anderen te onderrichten;
3Labora sicut bonus miles Christi Jesu.
3neem ook uw aandeel in het lijden als een goed krijgsknecht van Christus Jesus.
4Nemo militans Deo implicat se negotiis sæcularibus: ut ei placeat, cui se probavit.
4Wie krijgsdienst verricht, bemoeit zich niet met levensonderhoud, om slechts den krijgsheer te behagen.
5Nam et qui certat in agone, non coronatur nisi legitime certaverit.
5Eveneens wordt een kampvechter niet gekroond, als hij niet volgens vaste regels heeft geworsteld.
6Laborantem agricolam oportet primum de fructibus percipere.
6En slechts de landman, die zich afslooft, moet het eerst van de vruchten genieten.
7Intellige quæ dico: dabit enim tibi Dominus in omnibus intellectum.
7Denk na over wat ik zeg; en de Heer zal u inzicht geven in alles.
8Memor esto Dominum Jesum Christum resurrexisse a mortuis ex semine David, secundum Evangelium meum,
8Denk ook eens terug aan “Jesus Christus, uit Davids zaad, maar van de doden opgewekt;” zoals mijn Evangelie luidt,
9in quo laboro usque ad vincula, quasi male operans: sed verbum Dei non est alligatum.
9waarvoor ik lijd, tot boeien toe, een misdadiger gelijk; maar het Woord van God is niet geboeid!
10Ideo omnia sustineo propter electos, ut et ipsi salutem consequantur, quæ est in Christo Jesu, cum gloria cælesti.
10Daarom juist verdraag ik alles terwille der uitverkorenen, opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jesus, en de eeuwige glorie bovendien.
11Fidelis sermo: nam si commortui sumus, et convivemus:
11Dit woord is waarachtig! Immers zijn wij met Hem gestorven, dan zullen wij ook met Hem leven;
12si sustinebimus, et conregnabimus: si negaverimus, et ille negabit nos:
12lijden wij, dan zullen wij ook met Hem heersen; verloochenen wij Hem, dan zal Hij ook ons verloochenen;
13si non credimus, ille fidelis permanet, negare seipsum non potest.
13zijn wij ontrouw, Hij blijft trouw, want Zich verloochenen kan Hij niet.
14Hæc commone, testificans coram Domino. Noli contendere verbis: ad nihil enim utile est, nisi ad subversionem audientium.
14Scherp hun deze dingen in, en bezweer hen bij God, geen woordenstrijd te voeren, die tot niets anders dient, dan tot verderf der hoorders.
15Sollicite cura teipsum probabilem exhibere Deo, operarium inconfusibilem, recte tractantem verbum veritatis.
15Doe zelf uw best, voor God te staan als een beproefd man, als arbeider, die zich niet heeft te schamen, als voorsnijder, die het woord der waarheid rechtaf snijdt.
16Profana autem et vaniloquia devita: multum enim proficiunt ad impietatem:
16Profane beuzelpraat moet ge vermijden; want zij, die er zich aan schuldig maken, vervallen tot steeds groter goddeloosheid,
17et sermo eorum ut cancer serpit: ex quibus est Hymenæus et Philetus,
17en hun woord vreet voort als de kanker. Hiertoe behoren Humeneus en Filetus;
18qui a veritate exciderunt, dicentes resurrectionem esse jam factam, et subverterunt quorumdam fidem.
18door te beweren, dat de opstanding reeds heeft plaats gehad, zijn ze zelf afgedwaald van de waarheid en verwoesten ze het geloof van anderen.
19Sed firmum fundamentum Dei stat, habens signaculum hoc: cognovit Dominus qui sunt ejus, et discedat ab iniquitate omnis qui nominat nomen Domini.
19Zeker, Gods grondsteen staat ongeschokt, en draagt als stempel: “De Heer kent de zijnen,” en “Wie de naam des Heren aanroept, sta ver van de boosheid.”
20In magna autem domo non solum sunt vasa aurea, et argentea, sed et lignea, et fictilia: et quædam quidem in honorem, quædam autem in contumeliam.
20Maar in een groot huis zijn niet slechts vaten van goud en zilver, maar ook van hout en leem; sommige met eervolle, andere met smadelijke bestemming.
21Si quis ergo emundaverit se ab istis, erit vas in honorem sanctificatum, et utile Domino ad omne opus bonum paratum.
21Wie zich dus rein houdt van dit alles, zal een vat zijn tot ere, geheiligd, bruikbaar voor den Heer, en geschikt voor ieder goed werk.
22Juvenilia autem desideria fuge, sectare vero justitiam, fidem, spem, caritatem, et pacem cum iis qui invocant Dominum de corde puro.
22Vlucht dus de lusten der jeugd, en streef naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede, in gemeenschap met hen, die den Heer aanroepen met een zuiver hart.
23Stultas autem et sine disciplina quæstiones devita: sciens quia generant lites.
23Vermijd eveneens de dwaze en onverstandige twistvragen, daar ge weet, dat ze slechts strijd doen ontstaan.
24Servum autem Domini non oportet litigare: sed mansuetum esse ad omnes, docibilem, patientem,
24Een dienaar des Heren moet niet vechten, maar hij moet vriendelijk jegens allen zijn, geschikt voor het onderricht en lankmoedig.
25cum modestia corripientem eos qui resistunt veritati, nequando Deus det illis pœnitentiam ad cognoscendam veritatem,
25De koppigen moet hij terechtwijzen met zachtheid; want misschien brengt God ze tot inkeer en tot erkenning der waarheid,
26et resipiscant a diaboli laqueis, a quo captivi tenentur ad ipsius voluntatem.
26en komen ze nog tot bezinning, als ze uit de strik van den duivel door Hem zijn gevangen om zijn wil te volbrengen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.