Timotheum Ii 4
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Testificor coram Deo, et Jesu Christo, qui judicaturus est vivos et mortuos, per adventum ipsius, et regnum ejus:
1Ik bezweer u bij God, en bij Christus Jesus, die levenden en doden zal oordelen, en bij zijn Verschijning en zijn Rijk:
2prædica verbum, insta opportune, importune: argue, obsecra, increpa in omni patientia, et doctrina.
2Verkondig het woord; treed op, welkom of niet; weerleg, berisp en vermaan in alle lankmoedigheid en met alle soort van lering.
3Erit enim tempus, cum sanam doctrinam non sustinebunt, sed ad sua desideria coacervabunt sibi magistros, prurientes auribus,
3Want er komt een tijd, dat men de gezonde leer niet verdraagt, maar zich een massa leraars bijeenraapt naar eigen smaak; dat men zich de oren laat strelen,
4et a veritate quidem auditum avertent, ad fabulas autem convertentur.
4maar ze afkeert van de waarheid, om zich te houden aan fabels.
5Tu vero vigila, in omnibus labora, opus fac evangelistæ, ministerium tuum imple. Sobrius esto.
5Gij daarentegen, wees nuchter bij alles, wees lijdzaam; volbreng de taak van Evangelist, vervul uw ambt ten volle.
6Ego enim jam delibor, et tempus resolutionis meæ instat.
6Zie, ikzelf word reeds als drankoffer geplengd, en de tijd van mijn verscheiden is nabij.
7Bonum certamen certavi, cursum consummavi, fidem servavi.
7De goede strijd heb ik gestreden, de wedloop volbracht, het geloof bewaard.
8In reliquo reposita est mihi corona justitiæ, quam reddet mihi Dominus in illa die, justus judex: non solum autem mihi, sed et iis, qui diligunt adventum ejus. Festina ad me venire cito.
8Van nu af ligt voor mij de kroon der gerechtigheid gereed, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij schenken zal op die Dag. —En niet alleen aan mij, maar ook aan allen, die zijn verschijnen hebben liefgehad.
9Demas enim me reliquit, diligens hoc sæculum, et abiit Thessalonicam:
9Doe uw best, om spoedig bij me te komen.
10Crescens in Galatiam, Titus in Dalmatiam.
10Want Demas, die deze wereld heeft liefgekregen, heeft me verlaten, en is naar Tessalonika vertrokken; Crescens naar Galátië, Titus naar Dalmátië.
11Lucas est mecum solus. Marcum assume, et adduc tecum: est enim mihi utilis in ministerium.
11Alleen Lukas is bij me gebleven. Haal Markus op, en breng hem met u mee; want hij komt mij goed van pas bij het werk.
12Tychicum autem misi Ephesum.
12Túchicus heb ik naar Éfese gezonden.
13Penulam, quam reliqui Troade apud Carpum, veniens affer tecum, et libros, maxime autem membranas.
13Wanneer ge komt, breng dan de mantel mee, die ik in Troas bij Carpus heb achtergelaten; ook de boeken en vooral de perkamenten.
14Alexander ærarius multa mala mihi ostendit: reddet illi Dominus secundum opera ejus:
14Alexander, de edelsmid, heeft me veel kwaad gedaan; de Heer zal hem vergelden naar werken;
15quem et tu devita: valde enim restitit verbis nostris.
15en ook gij moet u voor hem wachten. Zeer heftig toch heeft hij ons pleidooi bestreden.
16In prima mea defensione nemo mihi affuit, sed omnes me dereliquerunt: non illis imputetur.
16Bij mijn eerste verdediging stond niemand mij ter zijde, maar allen lieten me in de steek; het worde hun niet toegerekend.
17Dominus autem mihi astitit, et confortavit me, ut per me prædicatio impleatur, et audiant omnes gentes: et liberatus sum de ore leonis.
17Maar de Heer heeft mij ter zijde gestaan en mij kracht verleend, opdat door mij de prediking haar volle maat zou krijgen, en al de heidenen ze zouden horen; zo werd ik verlost uit de muil van den leeuw.
18Liberavit me Dominus ab omni opere malo: et salvum faciet in regnum suum cæleste, cui gloria in sæcula sæculorum. Amen.
18De Heer zal mij verlossen van alle boze aanslagen, en mij behouden voor zijn hemels Rijk: Hem zij de eer in de eeuwen der eeuwen. Amen!
19Saluta Priscam, et Aquilam, et Onesiphori domum.
19Groet Priska en Aquila en het gezin van Onesiforus. Erastus is in Korinte gebleven;
20Erastus remansit Corinthi. Trophimum autem reliqui infirmum Mileti.
20Trófimus heb ik ziek in Milete achtergelaten.
21Festina ante hiemem venire. Salutant te Eubulus, et Pudens, et Linus, et Claudia, et fratres omnes.
21Doe uw best, nog vóór de winter te komen. Eubulus, Pudens, Linus, Cláudia en alle broeders groeten u.
22Dominus Jesus Christus cum spiritu tuo. Gratia vobiscum. Amen.
22De Heer zij met uw geest. De genade zij met u allen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.