申命記 9
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1聞きなさい、イスラエルよ。あなたは今日ヨルダン川を渡り、あなたよりも大きくて力強い国々、天にまで届く城壁のある大きな町々を所有するために入って行く。
1Hoor, Israël! Thans trekt ge naar de overkant van de Jordaan, om volken te onderwerpen, die groter en sterker zijn dan gij, met steden groot en met muren tot de hemel;
2その民は大きくて背が高く、あなたが知っているアナクの子孫であり、「だれがアナクの子らの前に立つことができようか」と、あなたが聞いたことのある者たちである。
2om een groot en machtig volk te onderwerpen, de Anakskinderen, die ge kent, en van wie ge hebt horen zeggen: Wie houdt stand voor de Anakskinderen?
3それゆえ今日、あなたの神、主ご自身が、焼き尽くす火としてあなたの先頭に立って渡って行かれることを知りなさい。主は彼らを滅ぼし、あなたの前に彼らを打ち倒される。こうしてあなたは、主があなたに語られたとおりに、彼らを追い払い、彼らを速やかに滅ぼす。
3Beseft dan heden, dat het Jahweh, uw God is, die als een verslindend vuur voor u uitgaat; Hij zal ze verdelgen en voor u vernederen, zodat gij ze spoedig zult kunnen verdrijven en vernietigen, zoals Jahweh het u heeft beloofd.
4あなたの神、主があなたの前から彼らを追い払われた後、あなたは心の中で、「私の義のゆえに、主は私を導き入れてこの地を所有させてくださったのだ」と言ってはならない。これらの国々の悪のゆえに、主はあなたの前から彼らを追い払われるからである。
4Maar wanneer Jahweh, uw God, ze voor u heeft uitgedreven, meen dan niet bij uzelf: Om mijn gerechtigheid heeft Jahweh mij hierheen geleid en dit land in bezit laten nemen; want om de boosheid dezer volken drijft Jahweh ze voor u uit.
5あなたが彼らの地を所有するために入って行くのは、あなたの義のゆえでも、あなたの心の正しさのゆえでもない。これらの国々の悪のゆえに、あなたの神、主はあなたの前から彼らを追い払われるのであり、あなたの父祖アブラハム、イサク、ヤコブに誓われた言葉を主が確立されるためである。
5Neen, niet om uw gerechtigheid en onberispelijk gedrag gaat ge hun land in bezit nemen; maar om de boosheid dezer volken drijft Jahweh, uw God, ze voor u uit, en ook om zijn woord gestand te doen, dat Jahweh aan uw vaderen, aan Abraham, Isaäk en Jakob heeft gezworen.
6それゆえ、あなたの神、主がこの良い地をあなたに与えて所有させてくださるのは、あなたの義のゆえではないことを知りなさい。あなたはうなじの強い民だからである。
6Begrijpt het dus goed, dat het niet om uw gerechtigheid is, dat Jahweh, uw God, u dit heerlijke land in bezit geeft; neen, want ge zijt een hardnekkig volk.
7荒野であなたがあなたの神、主を激しく怒らせたことを思い起こし、忘れてはならない。あなたがエジプトの地から出てきた日から、この場所に来るまで、あなたがたは主に対して反逆し続けてきた。
7Denk er aan en vergeet het nooit, hoe gij Jahweh, uw God, in de woestijn hebt vergramd; hoe gij sinds de dag, dat gij uit Egypte zijt getrokken, totdat gij op deze plaats zijt gekomen, weerspannig zijt geweest tegen Jahweh.
8ホレブにおいても、あなたがたは主を激しく怒らせたので、主はあなたがたに対して怒り、あなたがたを滅ぼそうとされた。
8Bij de Horeb hebt gij Jahweh zo hevig vergramd, dat Jahweh in zijn toorn u had willen verdelgen.
9わたしが山に登って石の板、すなわち主があなたがたと結ばれた契約の板を受け取ったとき、わたしは山に四十日四十夜とどまった。わたしはパンも食べず、水も飲まなかった。
9Ik had toen de berg beklommen, om de stenen tafelen, de tafelen van het Verbond, dat Jahweh met u had gesloten, in ontvangst te nemen, en was veertig dagen en veertig nachten op de berg gebleven, zonder brood te eten of water te drinken.
10主は神の指で書き記された二枚の石の板をわたしに渡された。その上には、集まりの日に山で火のただ中から主があなたがたに語られたすべての言葉があった。
10En Jahweh had mij de twee stenen tafelen gegeven, die door Gods vinger waren beschreven, en waarop alle geboden stonden, die Jahweh op de berg midden uit het vuur u had gegeven, op de dag, dat Hij u bijeen had geroepen.
11四十日四十夜の終わりに、主はわたしに二枚の石の板、すなわち契約の板を与えられた。
11Toen Jahweh dan aan het einde van die veertig dagen en veertig nachten mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het Verbond, had gegeven,
12そして主はわたしに言われた。「立ち上がり、ここから急いで下りなさい。あなたがエジプトから導き出したあなたの民が、自らを堕落させたからである。彼らはわたしが命じた道から速やかにそれて、自分たちのために鋳造した偶像を造った。」
12sprak Hij tot mij: Sta op, ga snel van hier naar beneden, want uw volk, dat gij uit Egypte hebt geleid, is diep bedorven. Het heeft nu de weg al verlaten, die Ik het heb voorgeschreven, en zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.
13さらに主はわたしに言われた。「わたしはこの民を見たが、見よ、彼らはうなじの強い民である。
13En Jahweh vervolgde tot mij: Ik heb nu gemerkt, wat voor een volk het is, een hardnekkig volk.
14わたしに任せておきなさい。わたしは彼らを滅ぼし、天の下から彼らの名を消し去る。そして、わたしはあなたを彼らよりも力強く大きな国民とする。」
14Laat Mij begaan; Ik zal ze vernietigen en hun naam onder de hemel verdelgen, en van u een sterker en talrijker volk maken dan dit.
15そこでわたしは向きを変えて山から下りた。山は火で燃え上がっており、二枚の契約の板はわたしの両手にあった。
15Toen keerde ik om, en daalde af van de berg, die in vlammen stond, met de beide tafelen van het Verbond in mijn handen.
16わたしが見ると、見よ、あなたがたはあなたがたの神、主に対して罪を犯していた。あなたがたは自分たちのために鋳造した子牛を造っていた。あなたがたは主が命じられた道から速やかにそれていた。
16Ik moest het aanschouwen, dat gij hadt gezondigd tegen Jahweh, uw God, u een gegoten kalf hadt gemaakt, en al spoedig de weg hadt verlaten, die Jahweh u had voorgeschreven.
17わたしは二枚の板を握り、それを両手から投げ捨てて、あなたがたの目の前で砕いた。
17Toen pakte ik de beide tafelen, slingerde ze uit mijn handen, smeet ze stuk voor uw ogen.
18それからわたしは、以前のように四十日四十夜、主の前にひれ伏した。わたしはパンも食べず、水も飲まなかった。それはあなたがたが主の御目に悪であることを行い、主を怒らせたすべての罪のためであった。
18Daarna wierp ik mij als de eerste maal veertig dagen en veertig nachten, zonder brood te eten of water te drinken, voor Jahweh neer, om heel uw zondig gedrag, en om het kwaad, dat ge in de ogen van Jahweh gedaan hadt, door Hem te tarten.
19主があなたがたに対して怒り、あなたがたを滅ぼそうとされるその怒りと激しい憤りを、わたしは恐れたからである。しかし主はその時もわたしの願いを聞き入れられた。
19Want ik was bang voor de toorn en de gramschap van Jahweh, die zo hevig op u was verbolgen, dat Hij u wilde verdelgen. En ook ditmaal verhoorde mij Jahweh.
20主はアロンに対しても非常に怒り、彼を滅ぼそうとされた。わたしはその時、アロンのためにも祈った。
20Ook op Aäron was Jahweh zo hevig vergramd, dat Hij ook hem wilde verdelgen; daarom bad ik toen ook voor Aäron.
21わたしはあなたがたが犯した罪、すなわちあの造られた子牛を取り、それを火で燃やして砕き、細かなちりのようになるまでよくすりつぶした。そしてそのちりを、山から流れ下る川に投げ捨てた。
21Het kalf, dat ge gemaakt hadt, en waarmee ge hadt gezondigd, nam ik weg, en verbrandde het in het vuur; ik sloeg het aan stukken en stampte het fijn, tot het tot stof was vergruizeld; toen wierp ik het stof in de beek, die van de berg stroomt.
22タベラで、マサで、そしてキブロト・ハタアワでも、あなたがたは主を激しく怒らせた。
22Ook te Tabera, te Massa en te Kibrot-Hattaäwa, hebt gij de toorn van Jahweh opgewekt.
23主があなたがたをカデシュ・バルネアから遣わし、「上って行き、わたしがあなたがたに与えた地を所有しなさい」と言われたとき、あなたがたはあなたがたの神、主の命令に背き、主を信じず、主の御声に聞き従わなかった。
23En toen Jahweh u uitzond van Kadesj-Barnéa en tot u sprak: “Trekt op, en neemt het land in bezit, dat Ik u heb gegeven”, hebt gij u verzet tegen het bevel van Jahweh, uw God, niet in Hem geloofd en niet naar Hem willen luisteren.
24わたしがあなたがたを知った日から、あなたがたは主に対して反逆し続けてきた。
24Gij zijt tegen Jahweh weerspannig geweest van de dag af, dat ik u ken.
25主があなたがたを滅ぼすと言われたので、わたしは四十日四十夜、主の前にひれ伏していた。その間、わたしはひれ伏していたのである。
25Toen ik mij dus, zoals ik zeide, die veertig dagen en veertig nachten voor Jahweh had neergeworpen, omdat Jahweh gezegd had, dat Hij u wilde verdelgen,
26わたしは主に祈って言った。「主なる神よ、あなたの偉大さによって贖い、力強い御手によってエジプトから導き出されたあなたの民、あなたの受け継ぐ民を滅ぼさないでください。
26bad ik tot Jahweh en sprak: O Heer, Jahweh, verdelg uw volk en uw erfdeel toch niet, dat Gij door uw macht hebt bevrijd, en met sterke hand uit Egypte geleid.
27あなたのしもべたち、アブラハム、イサク、ヤコブを思い起こしてください。この民の頑なさや、その悪や、その罪に目を向けないでください。
27Wees uw dienaren, Abraham, Isaäk en Jakob indachtig, en reken dit volk zijn halsstarrigheid, boosheid en zonde niet aan.
28そうでなければ、あなたがわたしたちを導き出されたあの地の人々が、『主は彼らに約束した地へ彼らを導き入れることができず、また彼らを憎んでいたので、荒野で彼らを殺すために導き出したのだ』と言うでしょう。
28Laat het land, waaruit Gij ons hebt weggeleid, toch niet zeggen: “Omdat Jahweh niet machtig genoeg was, ze naar het land te brengen, dat Hij hun had beloofd, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze weggevoerd, om ze in de woestijn te doen sterven”.
29しかし彼らはあなたの民であり、あなたの大いなる力と伸ばされた腕によって導き出された、あなたの受け継ぐ民なのです。」
29Zij zijn toch uw volk en uw erfdeel, dat Gij met uw geweldige kracht en uw gespierde arm hebt uitgeleid!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.