申命記
Chapter 15
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1七年の終わりごとに、負債を免除せよ。
1Om de zeven jaren moet gij kwijtschelding verlenen.
2免除の規定は次のとおりである。隣人に貸し付けた債権者は皆、その債権を免除する。隣人や兄弟から取り立ててはならない。主の免除が布告されたからである。
2Dit is de wet omtrent de kwijtschelding: Iedere schuldeiser moet kwijtschelden, wat hij aan zijn naaste heeft geleend: hij mag zijn naaste en zijn broeder er niet lastig om vallen, omdat een kwijtschelding is afgekondigd ter ere van Jahweh.
3外国人からは取り立ててもよい。しかし、兄弟に対する債権は免除せよ。
3Een buitenlander moogt ge tot betaling dwingen, maar wat ge bij uw broeder hebt uitstaan, moet ge kwijtschelden.
4ただし、あなたの間には貧しい者がいなくなるはずである。(あなたの神、主が所有地としてあなたに与える地で、主は確かにあなたを祝福されるからである。)
4Trouwens er behoeft onder u geen arme te zijn; want Jahweh, uw God, zal u zegenen in het land, dat Jahweh, uw God, u als erfbezit gaat geven,
5それはただ、あなたがあなたの神、主の御声に熱心に聞き従い、わたしが今日あなたに命じるこのすべての命令を注意して行うなら、そうなるのである。
5zo ge slechts gewillig luistert naar de stem van Jahweh, uw God, en al die geboden, die ik u heden geef, nauwgezet onderhoudt.
6あなたの神、主はあなたに約束されたとおりにあなたを祝福される。あなたは多くの国々の民に貸し与えるが、借りることはない。あなたは多くの国々の民を治めるが、彼らがあなたを治めることはない。
6Want Jahweh, uw God, zal u zegenen, zoals Hij het u heeft beloofd, zodat gij aan vele volken kunt lenen, maar zelf niets behoeft te lenen, en over vele volken zult heersen, maar niet door hen zult worden beheerst.
7あなたの神、主が与えられる地のどの町であれ、兄弟の一人が貧しくしているなら、その貧しい兄弟に心をかたくなにせず、手を閉ざしてはならない。
7Wanneer er onder u in een van uw steden in het land, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, toch een arme medebroeder is, dan moogt gij niet hardvochtig zijn, en uw hand voor uw armen broeder niet gesloten houden.
8むしろ、あなたは彼に向かって確かに手を開き、彼の必要を満たすのに十分なものを彼に貸し与えよ。
8Gij moet uw hand wijd voor hem openen, en hem bereidwillig lenen, wat hij nodig heeft voor zijn behoefte.
9心に卑しい思いを抱き、「第七年、免除の年が近い」と言って、貧しい兄弟に惜しむ心を抱き、何も与えないことがないよう気をつけよ。彼があなたを主に訴えて叫ぶなら、それはあなたの罪となる。
9Zorg er voor, dat ge bij uzelf niet listig berekent: “Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding is nabij”, en zo onwillig zoudt worden, uw armen broeder iets te geven. Want hij zou u aanklagen bij Jahweh, en gij zoudt schuldig staan.
10あなたは彼に確実に与えよ。彼に与えるとき、あなたの心は惜しんではならない。このことのために、あなたの神、主は、あなたのすべての働きと、あなたの手のすべての業において、あなたを祝福されるからである。
10Geef hem dus gaarne; laat uw hart niet bezwaard zijn, wanneer gij hem geeft. Want Jahweh, uw God, zal u daarvoor zegenen in al uw werken en in heel uw bedrijf.
11貧しい者はいつまでもその地から絶えることがない。それゆえ、わたしはあなたに命じる。「あなたの地にいる兄弟、困窮する者、貧しい者に、惜しみなく手を開け。」
11En omdat het in uw land niet zal ontbreken aan armen, gebied ik u: Open uw hand voor uw behoeftigen en armen broeder in uw land!
12兄弟であるヘブル人の男または女があなたに売られ、六年間仕えたなら、七年目に自由の身にして去らせよ。
12Wanneer uw volksgenoot, een hebreeuwse man of vrouw, zich aan u verkoopt, dan zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar moet ge hem vrijlaten.
13あなたが彼をあなたのもとから自由の身にして去らせるとき、彼を何も持たせずに去らせてはならない。
13En wanneer ge hem vrijlaat, moogt ge hem niet met lege handen laten vertrekken.
14あなたの羊の群れ、あなたの打ち場、あなたのぶどう搾り場から、彼に惜しみなく与えよ。あなたの神、主があなたを祝福されたように、あなたは彼に与えよ。
14Gij moet hem ruimschoots bedelen uit uw kudde, van uw dorsvloer en kelder, en hem geven naar mate Jahweh, uw God, u heeft gezegend.
15あなたはエジプトの地で奴隷であり、あなたの神、主があなたを贖い出されたことを思い起こしなさい。それゆえ、わたしは今日、このことをあなたに命じるのである。
15Denk er aan, dat gij slaaf zijt geweest in het land van Egypte, en dat Jahweh, uw God, u bevrijd heeft; daarom geef ik u thans dit gebod.
16しかし、もし彼があなたに「私はあなたのもとから去りません」と言うなら(彼があなたとあなたの家族を愛し、あなたのもとで幸せだからである)、
16Maar wanneer hij zegt: “Ik wil niet van u heengaan”, omdat hij u en uw huisgezin liefheeft, en het goed bij u heeft,
17あなたは錐を取り、彼の耳を戸に突き刺しなさい。そうすれば彼は永遠にあなたの奴隷となる。あなたの女奴隷に対しても同じようにせよ。
17dan moet gij een priem nemen, en die door zijn oor in de deur steken; dan is hij voor altijd uw slaaf. Met uw dienstmaagd zult ge hetzelfde doen.
18あなたが彼をあなたのもとから自由の身にして去らせることは、あなたにとって耐えがたいことであってはならない。彼は雇い人の二倍の働きで、六年間あなたに仕えたからである。あなたの神、主は、あなたの行うすべてのことにおいてあなたを祝福される。
18Het mag u niet zwaar vallen, hem de vrijheid te geven. Want de zes jaren, dat hij u diende, heeft hij voor u het dubbele loon van een knecht verdiend; bovendien zal Jahweh, uw God, u zegenen bij al wat gij doet.
19あなたの牛や羊の群れから生まれる初子の雄はすべて、あなたの神、主に聖別せよ。あなたの牛の初子で仕事をしてはならず、あなたの羊の初子の毛を刈ってはならない。
19Alle mannelijke eerstelingen, die bij uw rundvee of kudde worden geboren, moet gij Jahweh, uw God, wijden. Ge moogt dus met den eersteling van uw rund geen arbeid verrichten, en den eersteling van uw kudde niet scheren.
20あなたは毎年、主が選ばれる場所で、あなたの神、主の前でそれを食べよ。あなたもあなたの家族も同様である。
20Ge moet ze met uw huisgezin jaarlijks voor het aanschijn van Jahweh, uw God, komen eten, op de plaats, die Jahweh zal uitverkiezen.
21しかし、もしそれに欠陥があり、足が不自由であったり、目が見えなかったり、あるいは何か重い欠陥があるなら、それをあなたの神、主にいけにえとしてささげてはならない。
21Maar wanneer het iets scheelt, wanneer het lam is of blind, kortom een of ander lelijk gebrek heeft, dan moogt ge het niet aan Jahweh, uw God, offeren.
22あなたは自分の町でそれを食べよ。ガゼルや鹿のように、汚れた者もきよい者も等しくそれを食べてもよい。
22Dan kunt ge er binnen uw poorten van eten, de onreine zowel als de reine, zoals van gazel en van hert.
23ただし、その血を食べてはならない。水のように地面に注ぎ出せ。
23Het bloed moogt ge echter niet nuttigen, maar ge moet het als water op de aarde uitstorten.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.