申命記
Chapter 2
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1それからわたしたちは向きを変え、主がわたしに語られたとおりに紅海への道を通って荒野へ旅立ち、長い間セイル山を巡り歩いた。
1Daarna trokken wij weer de woestijn in, in de richting van de Rode Zee, zoals Jahweh het mij had gelast, en reisden lange tijd om het Seïr-gebergte heen.
2主はわたしに言われた。
2Toen sprak Jahweh tot mij:
3「あなたがたはこの山を長く巡り歩きすぎた。北に向かいなさい。
3Gij hebt nu lang genoeg rond dit gebergte gezworven; wendt u nu naar het noorden.
4民に命じて言いなさい。『あなたがたはセイルに住むエサウの子らである、あなたがたの兄弟たちの境界を通ろうとしている。彼らはあなたがたを恐れるであろう。だから十分に気をつけなさい。
4Maar geef het volk dit bevel: Gij komt nu door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau, die in Seïr wonen, en die bevreesd voor u zijn. Maar wacht u er wel voor,
5彼らと争ってはならない。わたしは彼らの地を、足の裏が踏むほどの広さでさえ、あなたがたには与えないからである。わたしはセイル山をエサウに所有地として与えたからである。
5de strijd met hen aan te binden, want Ik zal u zelfs geen voetbreed van zijn land geven, daar Ik het Seïr-gebergte als erfelijk bezit aan Esau heb geschonken.
6あなたがたは彼らから食べ物を金で買い、それを食べなさい。また水も彼らから金で買い、それを飲みなさい。』」
6Het voedsel, dat ge nodig hebt, moet ge dus voor geld van hem kopen en zelfs geld geven voor het nodige water.
7あなたの神、主は、あなたの手のすべての業においてあなたを祝福された。主はこの大きな荒野を行くあなたの旅を知っておられる。この四十年間、あなたの神、主はあなたとともにおられ、あなたは何も欠けることがなかった。
7Waarachtig, Jahweh, uw God, heeft u gezegend bij al wat ge hebt ondernomen. Hij droeg zorg voor u bij uw tocht door deze grote woestijn. Jahweh, uw God, is veertig jaar lang met u geweest, en het heeft u aan niets ontbroken.
8そこでわたしたちは、セイルに住むエサウの子らであるわたしたちの兄弟たちから離れ、エラトとエツヨン・ゲベルからのアラバの道を通り過ぎた。わたしたちは向きを変え、モアブの荒野の道を通って進んだ。
8Zo trokken wij onze broeders, de zonen van Esau, die op het Seïr-gebergte wonen voorbij, over de weg van de Araba, langs Elat en Es-jon-Géber, en namen de richting van de steppe van Moab.
9主はわたしに言われた。「モアブを悩ませてはならない。また、戦いで彼らと争ってはならない。わたしはその地を所有地としてあなたに与えないからである。わたしはアルをロトの子らに所有地として与えたからである。」
9Toen sprak Jahweh tot mij: Gij moogt ook Moab niet bestrijden, en geen oorlog met hem beginnen; want Ik zal u niets van zijn land in eigendom geven, daar Ik Ar aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
10(以前、そこにはエミム人が住んでいた。彼らは大きく、数が多く、アナク人のように背の高い民であった。
10Vóór hen woonden daar de Emieten, een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen;
11彼らもアナク人のようにレファイム人として数えられるが、モアブ人は彼らをエミム人と呼んでいる。
11ze werden als Refaïeten beschouwd, evenals de Anakskinderen, maar de Moabieten noemden hen Emieten.
12また、以前にはセイルにホリ人も住んでいたが、エサウの子らが彼らに取って代わった。イスラエルが主から与えられた所有地の地で行ったように、エサウの子らは彼らを自分たちの前から滅ぼし、彼らに代わってそこに住んだ。)
12In Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de zonen van Esau hadden hen verdreven en uitgeroeid, en woonden daar in hun plaats; dus juist zoals Israël met het land heeft gedaan, dat Jahweh hun in erfelijk bezit heeft gegeven.
13「今、起きてゼレドの谷を渡りなさい。」わたしたちはゼレドの谷を渡った。
13Op dus, en steekt de beek Zéred over! En zo zijn wij de beek Zéred overgetrokken.
14わたしたちがカデシュ・バルネアを出てからゼレドの谷を渡るまでの日数は三十八年であり、ついに主が彼らに誓われたとおり、戦士たちのその世代の者たちは皆、宿営の真ん中から滅び去った。
14Intussen waren er acht en dertig jaren verlopen, sinds wij van Kadesj-Barnéa waren vertrokken en de beek Zéred waren overgestoken; lang genoeg om heel het geslacht van weerbare mannen in de legerplaats te doen sterven, zoals Jahweh het hun had gezworen;
15また主の御手も彼らに向かって下り、ついに彼らが滅び去るまで、彼らを宿営の真ん中から滅ぼした。
15bovendien was de hand van Jahweh op hen blijven drukken, om hen tot den laatsten man toe uit de legerplaats te verdelgen.
16民の中から戦士たちが皆死に絶えたとき、
16Toen nu alle weerbare mannen onder het volk tot den laatsten toe waren uitgestorven,
17主はわたしに言われた。
17sprak Jahweh tot mij:
18「あなたは今日、モアブの境界であるアルを越えようとしている。
18Ge trekt nu Ar, het gebied van Moab, voorbij,
19アンモンの子らの近くに進むときは、彼らを悩ませてはならない。また彼らと争ってはならない。わたしはアンモンの子らの地を所有地としてあなたに与えないからである。わたしはそれをロトの子らに所有地として与えたからである。」
19en komt in de buurt van de Ammonieten. Ook hen moogt ge niet bestrijden, en geen oorlog met hen beginnen; want Ik zal niets van het land der Ammonieten u in eigendom geven, daar Ik het aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
20(そこもレファイムの地として数えられる。以前にはレファイム人がそこに住んでいたが、アンモン人は彼らをザムズミム人と呼んでいる。
20Ook dit rekende men tot het land der Refaïeten, daar er vroeger de Refaïeten hadden gewoond, die door de Ammonieten Zamzoemmieten werden genoemd.
21彼らは大きく、数が多く、アナク人のように背の高い民であった。しかし主はイスラエルの前から彼らを滅ぼし、アンモン人は彼らに取って代わり、彼らに代わってそこに住んだ。
21Het was een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen. Maar Jahweh had het voor hen uitgeroeid, zodat zij het hadden verdreven, en daar in zijn plaats bleven wonen;
22それは、セイルに住むエサウの子らのために主が行われたことと同じである。主がホリ人を彼らの前から滅ぼされ、彼らがホリ人に取って代わり、今日に至るまで彼らに代わってそこに住んでいるのと同じである。
22dus juist zoals Hij voor de zonen van Esau had gedaan, die in Seïr wonen, en voor wie Hij de Chorieten had uitgeroeid, zodat zij ze hadden verdreven, en daar tot op de dag van heden in hun plaats bleven wonen;
23ガザに至るまでの村々に住んでいたアビム人についても、カフトルから出て来たカフトル人が彼らを滅ぼし、彼らに代わってそこに住んだ。)
23en zoals ook de Kaftorieten, die uit Kaftor waren weggetrokken, de Awwieten, die de dorpen bewoonden tot Gaza toe, hadden uitgeroeid, en daar in hun plaats bleven wonen.
24「起きて旅立ち、アルノン川の谷を渡りなさい。見よ、わたしはヘシュボンの王であるアモリ人シホンと、彼の地をあなたの手に引き渡した。それを所有し始め、戦いで彼と争いなさい。
24Op, trekt verder, en steekt de beek Arnon over! Zie, Ik heb Sichon, den Amoriet, den koning van Chesjbon, en zijn land aan u overgeleverd; maak een begin met de verovering, en bind de strijd met hen aan.
25今日、わたしは全天の下にいる諸国の民に、あなたへの恐れとおののきを抱かせ始める。彼らはあなたのうわさを聞き、あなたのゆえに震え、苦しみもだえる。』
25Van nu af zal Ik schrik en ontzetting voor u gaan verspreiden bij de volken onder heel de hemel, die van angst voor u zullen beven en sidderen, als ze maar van u horen.
26わたしはケデモトの荒野からヘシュボンの王シホンに使者を遣わし、平和を申し入れて言った。
26Toen zond ik uit de woestijn Kedemot gezanten naar Sichon, den koning van Chesjbon, met het vredelievend verzoek:
27「あなたの国を通らせてください。わたしは大通りを通って行きます。右にも左にも曲がりません。
27Ik zou door uw land willen trekken. Maar ik zal mij aan de wegen houden, zonder naar rechts of links af te wijken.
28わたしが食べられるように、食べ物を金で売ってください。わたしが飲めるように、水を金で与えてください。ただ、わたしを徒歩で通らせてください。
28Verschaf me tegen betaling het voedsel, dat ik nodig heb, en geef me voor geld het nodige water. Laat mij er slechts doorheen,
29それは、セイルに住むエサウの子らと、アルに住むモアブ人がわたしにしてくれたのと同じです。そうすれば、わたしはヨルダン川を渡り、わたしたちの神、主がわたしたちに与えてくださる地に入ることができます。」
29zoals de zonen van Esau, die te Seïr wonen, en de Moabieten in Ar mij dit hebben toegestaan, totdat ik de Jordaan overtrek naar het land, dat Jahweh, onze God, ons gaat schenken.
30しかしヘシュボンの王シホンは、わたしたちが彼の領内を通ることを許さなかった。あなたの神、主が、今日あるように、彼をあなたの手に引き渡すために、彼の霊を頑なにし、彼の心をかたくなにされたからである。
30Maar Sichon, de koning van Chesjbon, wilde ons niet door zijn land laten trekken; want Jahweh, uw God, had zijn gemoed verstompt en zijn hart versteend, om hem in uw hand te leveren, zoals thans het geval is.
31主はわたしに言われた。「見よ、わたしはシホンと彼の地をあなたの前に引き渡し始めた。所有し始め、彼の地を受け継ぎなさい。」
31Nu sprak Jahweh tot mij: Zie, Ik ga Sichon en zijn land aan u overleveren; begin de verovering, en neem zijn land in bezit.
32するとシホンは、彼と彼のすべての民とともに、ヤハツで戦うためにわたしたちを迎え撃つために出て来た。
32En toen Sichon met al zijn volk naar Jáhas trok, om ons te bestrijden,
33わたしたちの神、主は彼をわたしたちの前に引き渡され、わたしたちは彼と、その息子たちと、彼のすべての民を打ち倒した。
33leverde Jahweh, onze God, hem aan ons over, en versloegen wij hem met zijn zonen en al zijn volk.
34わたしたちはその時、彼のすべての町を取り、すべての人の住む町と、女と、幼子を完全に滅ぼした。わたしたちは一人も残さなかった。
34Wij namen toen al zijn steden, sloegen iedere stad met mannen, vrouwen en kinderen met de ban, en lieten niemand ontkomen.
35ただ家畜だけはわたしたち自身の獲物として取り、わたしたちが取った町々のぶんどり物とともに取った。
35Alleen het vee en de buit van de veroverde steden behielden we voor ons zelf.
36アルノン川の谷の端にあるアロエルから、またその谷にある町からギルアデに至るまで、わたしたちにとって高すぎる町は一つもなかった。わたしたちの神、主がそのすべてをわたしたちの前に引き渡されたのである。
36Van Aroër af, dat aan de rand van het Arnondal ligt, met de stad in het dal, was er tot aan Gilad geen vesting, die voor ons onneembaar was; Jahweh, onze God, leverde ze allen aan ons over.
37ただし、アンモンの子らの地、ヤボク川のすべての岸辺、山地の町々、そしてわたしたちの神、主が禁じられた場所には、あなたは近づかなかった。
37Maar het land der Ammonieten, heel het randgebied van de beek Jabbok en de steden van het gebergte, hebt ge niet bestreden, juist zoals Jahweh, onze God, het geboden had.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.