Koloským 3
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Protož povstali-li jste s Kristem, vrchních věcí hledejte, kdež Kristus na pravici Boží sedí.
1Zo gij dan met Christus verrezen zijt, zoekt dan ook naar wat hierboven is: waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.
2O svrchní věci pečujte, ne o zemské.
2Weest bedacht op wat daarboven is, en niet op het aardse.
3Nebo zemřeli jste, a život váš skryt jest s Kristem v Bohu.
3Want gij zijt dood, en uw leven is met Christus verborgen in God.
4Když se pak ukáže Kristus, život náš, tehdy i vy ukážete se s ním v slávě.
4Maar wanneer Christus, ons leven, wordt geopenbaard, dan zult ook gij geopenbaard worden in glorie, tezamen met Hem.
5Protož mrtvěte údy své zemské, smilstvo, nečistotu, chlípnost, žádost zlou, i lakomství, jenž jest modlám sloužení.
5Doodt dan wat aards is in uw leden: ontucht, onreinheid, drift, boze begeerte en hebzucht, welke ten slotte afgoderij is;
6Pro kteréžto věci přichází hněv Boží na syny zpurné.
6door dit alles komt Gods toorn.
7V kterýchžto hříších i vy někdy chodili jste, když jste živi byli v nich.
7Zeker, dit alles hebt gij vroeger gedaan, toen gij daarin hebt geleefd.
8Ale již nyní složtež i vy všecko to, hněv, prchlivost, zlobivost, zlořečení i mrzkomluvnost zapuďte od úst vašich.
8Maar thans moet ook gij dit alles afleggen: toorn, gramschap, boosheid, laster, oneerbare taal uit uw mond;
9Nelžete jedni na druhé, když jste svlékli s sebe starého člověka s skutky jeho,
9bedriegt elkander niet. Want gij hebt den ouden mens afgelegd met zijn practijken,
10A oblékli toho nového, obnovujícího se k známosti jasné, podle obrazu toho, jenž jej stvořil,
10en aangetrokken den nieuwen mens, die tot beter inzicht vernieuwd is naar het beeld van zijn Schepper.
11Kdežto není Řek a Žid, obřízka a neobřízka, cizozemec a Scýta, služebník a svobodný ale všecko a ve všech Kristus.
11Zó is er geen Griek meer of Jood, geen besnedene of onbesnedene, geen barbaar en geen Scyt, geen slaaf en geen vrije; maar Christus is alles in allen.
12Protož oblectež se jako vyvolení Boží, svatí, a milí, v srdce lítostivé, v dobrotivost, nízké o sobě smýšlení, krotkost, trpělivost,
12Bekleedt u dan, als Gods uitverkoren heiligen en geliefden, met innige barmhartigheid, met goedheid, ootmoed, zachtheid en lankmoedigheid.
13Snášejíce jeden druhého a odpouštějíce sobě vespolek, měl-li by kdo proti komu jakou žalobu; jako i Kristus odpustil vám, tak i vy.
13Weest verdraagzaam jegens elkander en vergeeft elkander, als gij over elkaar hebt te klagen; zoals de Heer ú heeft vergeven, zo moet ook gij het doen.
14Nadto pak nade všecko oblečeni buďte v lásku, kteráž jest svazek dokonalosti.
14Trekt over dit alles de liefde aan, die de band is der volmaaktheid.
15A pokoj Boží vítěziž v srdcích vašich, k němuž i povoláni jste v jedno tělo; a buďtež vděčni.
15In uw harten heerse ook de vrede van Christus; want daartoe zijt gij tot één lichaam geroepen. Weest dankbaar bovendien!
16Slovo Kristovo přebývejž v vás bohatě se vší moudrostí; učíce a napomínajíce sebe vespolek Žalmy, a zpěvy, a písničkami duchovními, s milostí zpívajíce v srdci vašem Pánu.
16Moge Christus’ woord in u wonen in rijke overvloed! Leert en vermaant elkander met allerlei wijsheid! Looft God in uw harten op lieflijke wijze, met psalmen, gezangen en geestelijke liederen.
17A všecko, cožkoli činíte v slovu nebo v skutku, všecko čiňte ve jménu Pána Ježíše, díky činíce Bohu a Otci skrze něho.
17En al wat gij doet, door woord of door daad, doet het in de naam van Jesus den Heer, en betuigt dan door Hem aan God den Vader uw dank!
18Ženy poddány buďte mužům svým tak, jakž sluší, v Pánu.
18Gij vrouwen, weest onderdanig aan uw mannen, zoals het uw plicht is in den Heer.
19Muži milujte ženy své, a nemějtež se přísně k nim.
19Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en weest niet ongenietbaar jegens haar.
20Dítky poslouchejte rodičů ve všem; nebo to jest dobře libé Pánu.
20Gij kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles; want dit is welgevallig in den Heer.
21Otcové nepopouzejte k hněvivosti dítek svých, aby sobě nezoufaly.
21Gij vaders, verbittert uw kinderen niet, opdat ze niet onverschillig gaan worden.
22Služebníci poslušni buďte ve všem pánů svých tělesných, ne na oko toliko sloužíce, jako ti, jenž se usilují lidem líbiti, ale v sprostnosti srdce, bojíce se Boha.
22Gij slaven, gehoorzaamt uw aardse meesters in alles, niet als ogendienaars, die mensen behagen, maar in eenvoud van hart, uit vrees voor den Heer.
23A všecko, což byste koli činili, z té duše čiňte, jakožto Pánu, a ne lidem,
23Al wat gij doet, doet het van harte, als voor den Heer en niet als voor mensen;
24Vědouce, že ode Pána vzíti máte odplatu věčného dědictví; nebo Pánu Kristu sloužíte.
24gij weet toch, dat gij van den Heer het erfdeel als loon zult ontvangen. Weest slaven van Christus, den Heer!
25Kdož by pak nepravost páchal, odměnu své nepravosti vezme. A neníť přijímání osob u Boha.
25Want wie onrecht doet, zal zijn onrecht moeten boeten; er bestaat geen aanzien van personen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.