2 Паралипоменон 29
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Езекії було двайцять пять років, як став царем, а царював він в Ерусалимі двайцять девять років; мати його звалась Авія Захаріївна.
1Ezekias werd koning op vijf en twintigjarige leeftijd, en heeft negentien jaar in Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi-ja, en was de dochter van Zekarjáhoe.
2І чинив він угодне в очах Господнїх, так як чинив Давид, предок його:
2Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David gedaan had.
3Першого таки року свого царювання, першого місяця відчинив він двері дому Господнього і поновив їх,
3In het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, opende hij de poorten van de tempel van Jahweh, en bracht ze weer in goede staat.
4І звелїв поприходити сьвященникам та левітам, і зібрав їх на майданї, що на схід сонця;
4Hij liet de priesters en levieten op het oostplein bijeenkomen,
5І промовив до їх: Слухайте мене, левіти! тепер осьвятїтеся самі і посьвятїть дім Господа, Бога батьків ваших, і викиньте нечисть із сьвятинї.
5en sprak tot hen: Luistert naar mij, levieten! Heiligt uzelf, en heiligt de tempel van Jahweh, den God uwer vaderen, en verwijdert alle onreinheid uit het heiligdom.
6Бо батьки наші проступились і робили не вподобне Господеві, Богові нашому, і покинули його й відвернули лице своє від пробутку Господнього і обернулись спиною,
6Want onze vaderen zijn afgevallen en hebben kwaad gedaan in de ogen van Jahweh, onzen God; zij hebben Hem verlaten, hun gelaat afgewend van de woonplaats van Jahweh, en haar de rug toegekeerd.
7І замкнули двері в притворі, і погасили сьвічники, й не палили курення, й не приносили всепалення в сьвятинї Бога Ізрайлевого.
7Zelfs hebben zij de poorten van de voorhal gesloten, de lichten uitgedoofd, en in het heiligdom geen reuk- of brandoffers opgedragen aan Israëls God.
8І був гнїв Господень на Юдею й на Ерусалим, і він віддав їх на ганьбу, на спустошеннє та на глум, як бачите на свої очі.
8Daarom is de toorn van Jahweh over Juda en Jerusalem gekomen, en heeft Hij ze ten afschrik gemaakt, tot een bespotting en schande, zoals gij met uw eigen ogen kunt zien.
9І оце впали батьки наші під мечем, а сини наші, й дочки наші, й жінки наші за се в полонї в землї не своїй, і до сього часу.
9Daarom zijn onze vaderen door het zwaard gevallen, en onze zonen, dochters en vrouwen gevangen weggevoerd.
10Тепер у мене на серцї, постановити завіт з Господом, Богом Ізрайлевим, щоб відвернув від нас огонь гнїву свого.
10Welnu, ik heb het voornemen gemaakt, een verbond te sluiten met Jahweh, den God van Israël, opdat zijn brandende toorn van ons wijke.
11Сини мої, не будьте недбайливі, вас бо вибрав Господь, стояти перед лицем його, служити йому й бути в його слугами та палити йому кадило.
11Mijn zonen, weest thans niet langer nalatig; want u heeft Jahweh uitverkoren, om in zijn dienst te staan als zijn dienaren en offerpriesters.
12І встали левіти: Махат Амасаєнко, і Йоель Азарієнко — з синів Кагатових; а з синів Мераріїних: Кис Авдієнко, й Азарія, син Егаллелелів; а з роду Гирсонового: Йоах Зиммиєнко, й Еден Йоахенко;
12Toen stonden de volgende levieten op: Máchat, de zoon van Amasai; Joël, de zoon van Azarjáhoe, uit het geslacht Kehat; Kisj, de zoon van Abdi, en Azarjáhoe, de zoon van Jehallelel, uit het geslacht Merari; Joach, de zoon van Zimma, en Éden, de zoon van Joach, uit het geslacht Gersjon;
13А з синів Елизафанових: Шимрі й Еіел, а з синів Асафових: Захарія й Маттанїя;
13Sjimri en Jeïël uit de familie Elisafan; Zekarjáhoe en Mattanjáhoe, uit het geslacht Asaf;
14А з синів Еманових: Ехіел і Шимей; а з синів Ідитунових: Шемая і Уззієл.
14Jechiël en Sjimi uit het geslacht Heman; Sjemaja en Oezziël, uit het geslacht Jedoetoen.
15Вони зібрали братів своїх і осьвятили себе, й пійшли по приказу царевому очищувати дом Господень, по слову Господньому.
15Zij riepen hun ambtgenoten bijeen, heiligden zichzelf, en begonnen op bevel des konings de tempel van Jahweh te reinigen, zoals door Jahweh was voorgeschreven.
16І ввійшли сьвященники в середину дому Господнього задля очищення, й повиносили всю нечисть, яку познаходили в храмі Господньому, на двір дому Господнього, а левіти забрали те й винесли ʼд Кедрон-потокові.
16De priesters begonnen het inwendige van de tempel van Jahweh te reinigen, en wierpen alle onreinheid, die ze in het heiligdom van Jahweh aantroffen, op de voorhof van de tempel van Jahweh, waar de levieten het ophaalden, om het naar buiten, in het Kedrondal te brengen.
17А почали осьвячувати першого дня першого місяця, а восьмого дня того ж місяця ввійшли в притвор Господнїй і очищували дом Господнїй вісїм день, а шіснайцятого дня першого місяця скінчили.
17Nadat zij op de eerste van de eerste maand met het heiligingswerk waren begonnen, waren zij op de achtste dag van de maand tot de voorhal van Jahweh gevorderd, en heiligden de tempel van Jahweh acht dagen lang; op de zestiende van de eerste maand waren ze dus gereed.
18І прийшли в дім до царя Езекії й сказали: Ми вичистили дом Господнїй, й жертовник до всепалення й ввесь посуд його, і стіл на хлїби показні й ввесь посуд його,
18Toen lieten ze zich bij koning Ezekias aandienen, en zeiden: Wij hebben de gehele tempel van Jahweh gereinigd, met het brandofferaltaar en toebehoren, met de tafel der toonbroden en toebehoren.
19І ввесь посуд, що закинув царь Ахаз за свого царювання в беззаконностї своїй, ми приладили й осьвятили, і ось він перед жертовником Господнїм.
19Ook al de andere dingen, die koning Achaz tijdens zijn goddeloos bestuur had ontwijd, hebben we weer in orde gebracht en geheiligd; ze staan voor het altaar van Jahweh.
20І встав царь Езекія рано вранцї, і зібрав начальників міста, і пійшов в дім Господнїй.
20Toen riep de koning de volgende morgen de voormannen van de stad bijeen, en ging op naar de tempel van Jahweh.
21І привели сїм назимків і сїм баранів, і семеро ягнят та сїм козлів на жертву про гріх за царство й за сьвятиню й за Юдею; й звелїв він синам Аароновим, сьвященникам, принести всепалення на жертівнику Господньому.
21Nadat men zeven jonge stieren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven geitebokjes had aangebracht als een zondeoffer voor het koninklijk huis, voor het heiligdom en voor Juda, beval hij de priesters, de zonen van Aäron, ze op het altaar van Jahweh te offeren.
22І порізали назимки, і взяли сьвященники кров і покропили жертовник; і порізали барани й покропили кровю жертовник; і порізали ягнята й покропили кровю жертовник.
22Men slachtte de stieren, en de priesters vingen het bloed op en streken het aan het altaar; daarna slachtten zij de rammen en streken het bloed aan het altaar; vervolgens werden de lammeren geslacht en het bloed aan het altaar gestreken.
23І привели козлів на жертву за гріх перед лице царя й громади, і вони поклали руки свої на їх.
23Tenslotte stelden zij de zondebokjes op voor den koning en het vergaderde volk, die er de handen op legden;
24І зарізали їх сьвященники, і очистили їх кровю жертовник задля спокутування гріхів усього Ізраїля, бо царь дав наказ принести всепаленнє й жертву за гріх за всього Ізраїля.
24en de priesters slachtten ze, en offerden het bloed als een zondeoffer op het altaar, om vergiffenis te verkrijgen voor geheel Israël; want voor geheel Israël had de koning het brandoffer en het zondeoffer bestemd.
25І настановив він левітів в домі Господньому з кимвалами, псалтирями та цитрами, по постанові Давида й Гада, віщого у царя, та пророка Натана, бо ся постанова була від Господа через пророків його.
25Nu stelde hij bij de tempel van Jahweh de levieten op, met cymbalen, harpen en citers, naar het voorschrift van David en Gad, den ziener des konings, en van den profeet Natan, want door bemiddeling van zijn profeten had Jahweh het voorschrift uitgevaardigd.
26І стали левіти з музичними Давидовими прирядами, а сьвященники з трубами:
26En toen de levieten met de muziekinstrumenten van David, en de priesters met de trompetten waren opgesteld,
27І звелїв Езекія принести всепаленнє на жертовник. І в той час, як почалось всепаленнє, почалося й сьпіваннє Господеві під гук труб та приборів Давида, царя Ізрайлевого.
27beval Ezekias, het brandoffer op te dragen op het altaar. Op hetzelfde ogenblik, dat men met het brandoffer begon, begonnen ook de gezangen ter ere van Jahweh en de trompetten, begeleid door de muziekinstrumenten van David, den koning van Israël.
28І вся громада молилась, а сьпівцї сьпівали, й трубили труби, доки не скінчилось всепаленнє.
28En al het vergaderde volk bleef neergebogen, de zangen bleven weerklinken en de trompetten schallen, tot het brandoffer geheel was verteerd.
29А як скінчилось всепаленнє, нахилився царь і всї бувші при йому й поклонились.
29Toen het offeren geëindigd was, bogen de koning en al de aanwezigen de knieën, en wierpen zich in aanbidding neer.
30І звелїв царь Езекія й князї левітам, щоб славили Господа словами Давида та віщого Асафа, й славили вони з радощами й, нахилившись, поклонилися.
30Nu gaven koning Ezekias en de voormannen aan de levieten bevel, het loflied te zingen ter ere van Jahweh op de woorden van David en van den ziener Asaf. Vol vreugde hieven zij het loflied aan, en bogen zich in aanbidding neer.
31І промовив Езекія знов і сказав: Тепер ви посьвятили себе Господеві; приступайте ж і приносїть жертви й приноси подячні в дом Господень. І понесла вся громада жертви й приноси подячні, й кожний, хто мав щире серце, — всепалення.
31Toen nam Ezekias het woord, en sprak: Nu zijt gij weer aan Jahweh gewijd! Treedt dus naderbij, en laat slacht- en dankoffers opdragen in de tempel van Jahweh. En al het vergaderde volk liet slacht- en dankoffers opdragen; al wie het wilde ook brandoffers.
32І було число всепалень, що привели громадяни: сїмдесять волів, сто баранів та двістї ягнят — усе це на всепаленнє Господеві.
32Het aantal brandoffers, dat het vergaderde volk liet opdragen, bedroeg zeventig stieren, honderd rammen en tweehonderd lammeren: allemaal brandoffers ter ere van Jahweh;
33Йнчих присьвячених жертов було: шістьсот з товару та три тисячі з овець.
33de wijgeschenken bestonden uit zeshonderd stieren en drieduizend schapen.
34Але сьвященників було за мало, й вони не встигали здирати скіри з усїх всепалень, то ж помагали їм брати їх левіти, доки не скінчилось дїло й доки не осьвятились прочі сьвященники, бо левіти були скорші в осьвачуваннї себе, нїж сьвященники.
34Er waren zelfs priesters te weinig, om al de brandoffers te kunnen ver werken. Daarom werden ze door de levieten bijgestaan, tot de plechtigheid ten einde zou zijn, en de priesters zich hadden geheiligd; de levieten hadden zich namelijk met meer ijver geheiligd dan de priesters.
35До того ще було вельми много всепалень із жиром жертов подячних та ливних при всепаленнї. Оттак була наново заведена служба в домі Господньому.
35Want behalve de talrijke brandoffers was er nog het vet der dankoffers, en de bij het brandoffer behorende plengoffers. Zo werd de dienst in de tempel van Jahweh hervat.
36І радїв Езекія і ввесь народ, що Бог так направив народ, бо се все сталося несподївано.
36Ezekias en heel het volk verheugden zich over wat God voor het volk had gewrocht; zo plotseling was de verandering gekomen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.