Luo Chronicle
Chapter 29
Bible Mutal (Kosraean)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Luo Chronicle 29

Bible Mutal (Kosraean)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Hezekiah el tokosrala fin acn Judah ke el yac longoul limekosr, ac el leum in Jerusalem ke yac longoul eu. Nina kial pa Abijah, acn natul Zechariah.
1Ezekias werd koning op vijf en twintigjarige leeftijd, en heeft negentien jaar in Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi-ja, en was de dochter van Zekarjáhoe.
2El fahsr tukun srikasrak lal Tokosra David, papa matu tumal, ac el oru ma LEUM GOD El insewowo kac.
2Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David gedaan had.
3In malem se meet ke yac se tukun Hezekiah el tokosrala, el sifil ikasla mutunoa lun Tempul, ac sap in akwoyeyukla.
3In het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, opende hij de poorten van de tempel van Jahweh, en bracht ze weer in goede staat.
4El solani sie un mwet tol ac mwet Levi ke nien tukeni se layen kutulap in Tempul,
4Hij liet de priesters en levieten op het oostplein bijeenkomen,
5ac kaskas nu selos we. El fahk, “Kowos mwet Levi, akmutalye kowos ac aknasnasyela Tempul lun LEUM GOD lun papa tomowos. Sisla liki Tempul ma nukewa ma akfohkfokye.
5en sprak tot hen: Luistert naar mij, levieten! Heiligt uzelf, en heiligt de tempel van Jahweh, den God uwer vaderen, en verwijdert alle onreinheid uit het heiligdom.
6Papa matu tumasr elos tiana pwaye nu sin LEUM GOD lasr, ac elos oru ma El tia insewowo kac. Elos ngetla lukel ac fahsr liki yen El muta we.
6Want onze vaderen zijn afgevallen en hebben kwaad gedaan in de ogen van Jahweh, onzen God; zij hebben Hem verlaten, hun gelaat afgewend van de woonplaats van Jahweh, en haar de rug toegekeerd.
7Elos kaliya mutunoa lun Tempul ac fuhlela lam we in kunla. Elos tia akosak mwe keng ku kisakin mwe kisa firir in Tempul lun God lun Israel.
7Zelfs hebben zij de poorten van de voorhal gesloten, de lichten uitgedoofd, en in het heiligdom geen reuk- of brandoffers opgedragen aan Israëls God.
8Ke sripa inge, LEUM GOD El kasrkusrak sin Judah ac Jerusalem, ac ma El oru nu selos arulana mwe lut ac mwe aksangeng nu sin mwet nukewa. Kowos sifacna liye ma inge ke motowos.
8Daarom is de toorn van Jahweh over Juda en Jerusalem gekomen, en heeft Hij ze ten afschrik gemaakt, tot een bespotting en schande, zoals gij met uw eigen ogen kunt zien.
9Papa tumasr elos anwuki ke mweun, ac utukla mutan kiasr ac tulik natusr nu in sruoh.
9Daarom zijn onze vaderen door het zwaard gevallen, en onze zonen, dochters en vrouwen gevangen weggevoerd.
10“Inge nga akola in orala sie wulela yurin LEUM GOD lun Israel, tuh Elan tia sifil kasrkusrak sesr.
10Welnu, ik heb het voornemen gemaakt, een verbond te sluiten met Jahweh, den God van Israël, opdat zijn brandende toorn van ons wijke.
11Wen nutik, nik kowos sisla pacl. Kowos pa LEUM GOD El sulela in akosak mwe keng nu sel, ac in kol mwet uh in alu nu sel.”
11Mijn zonen, weest thans niet langer nalatig; want u heeft Jahweh uitverkoren, om in zijn dienst te staan als zijn dienaren en offerpriesters.
12Na mwet Levi inge elos tuyak: Liki sou lulap lal Kohath: Mahath wen natul Amasai, ac Joel wen natul Azariah Liki sou lulap lal Merari: Kish wen natul Abdi, ac Azariah wen natul Jehallelel Liki sou lulap lal Gershon: Joah wen natul Zimmah, ac Eden wen natul Joah
12Toen stonden de volgende levieten op: Máchat, de zoon van Amasai; Joël, de zoon van Azarjáhoe, uit het geslacht Kehat; Kisj, de zoon van Abdi, en Azarjáhoe, de zoon van Jehallelel, uit het geslacht Merari; Joach, de zoon van Zimma, en Éden, de zoon van Joach, uit het geslacht Gersjon;
13Liki sou lulap lal Elizaphan: Shimri ac Jeuel Liki sou lulap lal Asaph: Zechariah ac Mattaniah
13Sjimri en Jeïël uit de familie Elisafan; Zekarjáhoe en Mattanjáhoe, uit het geslacht Asaf;
14Liki sou lulap lal Heman: Jehuel ac Shimei Liki sou lulap lal Jeduthun: Shemaiah ac Uzziel
14Jechiël en Sjimi uit het geslacht Heman; Sjemaja en Oezziël, uit het geslacht Jedoetoen.
15Mwet inge elos solani mwet Levi wialos, ac elos nukewa aknasnasyalos sifacna. Na elos oru oana ma tokosra el sapkin nu selos, ac elos mutawauk in oru Tempul uh in nasnas, fal nu ke Ma Sap lun LEUM GOD .
15Zij riepen hun ambtgenoten bijeen, heiligden zichzelf, en begonnen op bevel des konings de tempel van Jahweh te reinigen, zoals door Jahweh was voorgeschreven.
16Mwet tol elos utyak nu in Tempul in aknasnasyela, ac ma nukewa we ma tia nasnas elos usla liki Tempul nu ke nien tukeni likinum in Tempul. Na mwet Levi elos us ma inge nukewa we lac nu Infahlfal Kidron likin siti uh.
16De priesters begonnen het inwendige van de tempel van Jahweh te reinigen, en wierpen alle onreinheid, die ze in het heiligdom van Jahweh aantroffen, op de voorhof van de tempel van Jahweh, waar de levieten het ophaalden, om het naar buiten, in het Kedrondal te brengen.
17Orekma se inge mutawauk ke len se meet ke malem se meet, ac ke len akoalkosr elos aksafyela ma nukewa, weang pac infukil in utyak nu in Tempul. Na elos sifil orekma len oalkosr toko, nwe ke len aksingoul onkosr ke malem sac tuh elos in akoo Tempul nu ke alu.
17Nadat zij op de eerste van de eerste maand met het heiligingswerk waren begonnen, waren zij op de achtste dag van de maand tot de voorhal van Jahweh gevorderd, en heiligden de tempel van Jahweh acht dagen lang; op de zestiende van de eerste maand waren ze dus gereed.
18Mwet Levi elos fahkak koanon orekma lalos nu sel Tokosra Hezekiah. Elos fahk, “Kut aknasnasyela tari acn nukewa in Tempul, weang pac loang in orek kisa, tepu neinyen bread mutal, ac kufwen mwe orekma nukewa.
18Toen lieten ze zich bij koning Ezekias aandienen, en zeiden: Wij hebben de gehele tempel van Jahweh gereinigd, met het brandofferaltaar en toebehoren, met de tafel der toonbroden en toebehoren.
19Kut oayapa folokonma kufwa nukewa ma Tokosra Ahaz el usla ke pacl ma el tuh tia pwaye nu sin LEUM GOD , ac kut sifil akmutalyela nufon. Ma inge nukewa oasr mutun loang lun LEUM GOD .”
19Ook al de andere dingen, die koning Achaz tijdens zijn goddeloos bestuur had ontwijd, hebben we weer in orde gebracht en geheiligd; ze staan voor het altaar van Jahweh.
20Tokosra Hezekiah el sulaklak na pangoneni mwet kol lun siti uh, ac elos tukeni som nu ke Tempul.
20Toen riep de koning de volgende morgen de voormannen van de stad bijeen, en ging op naar de tempel van Jahweh.
21Elos srukak cow mukul itkosr, sheep itkosr, sheep fusr itkosr, ac nani itkosr in mwe kisa in aknasnasye ma koluk lun sou in leum uh ac mwet Judah, ac in aknasnasye Tempul. Na tokosra el fahk nu sin mwet tol, su ma in sou lal Aaron, in orekmakin kosro inge in mwe kisa fin loang uh.
21Nadat men zeven jonge stieren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven geitebokjes had aangebracht als een zondeoffer voor het koninklijk huis, voor het heiligdom en voor Juda, beval hij de priesters, de zonen van Aäron, ze op het altaar van Jahweh te offeren.
22Mwet tol elos uniya cow mukul uh meet, na sheep uh toko, na fah sheep fusr, ac elos aksroksrokye loang uh ke srahn ma inge ke kais sie pacl ma kisaiyuk kosro inge.
22Men slachtte de stieren, en de priesters vingen het bloed op en streken het aan het altaar; daarna slachtten zij de rammen en streken het bloed aan het altaar; vervolgens werden de lammeren geslacht en het bloed aan het altaar gestreken.
23Tukun ma inge nukewa elos usla nani uh nu yorol tokosra ac mwet ma wi alu uh, ac elos filiya paolos fin nani inge.
23Tenslotte stelden zij de zondebokjes op voor den koning en het vergaderde volk, die er de handen op legden;
24Na mwet tol elos uniya nani uh, ac ukuiya srah kac nu fin loang uh tuh in mwe kisa nu ke eela ma koluk lun mwet nukewa, mweyen tokosra el sap tuh mwe kisa firir, ac mwe kisa in eela ma koluk, in orek ke mwet Israel nukewa.
24en de priesters slachtten ze, en offerden het bloed als een zondeoffer op het altaar, om vergiffenis te verkrijgen voor geheel Israël; want voor geheel Israël had de koning het brandoffer en het zondeoffer bestemd.
25Tokosra el oru oana ma LEUM GOD El sapkin nu sel Tokosra Davi — ma David el eis sel Gad, mwet liaten lun tokosra, oayapa sel mwet palu Nathan. Tokosra el oakiya acn sin mwet Levi in Tempul, wi harp ac cymbal,
25Nu stelde hij bij de tempel van Jahweh de levieten op, met cymbalen, harpen en citers, naar het voorschrift van David en Gad, den ziener des konings, en van den profeet Natan, want door bemiddeling van zijn profeten had Jahweh het voorschrift uitgevaardigd.
26kain mwe on ma Tokosra David el tuh orekmakin. Mwet tol elos oayapa tu we wi mwe ukuk natulos.
26En toen de levieten met de muziekinstrumenten van David, en de priesters met de trompetten waren opgesteld,
27Hezekiah el sap in mutawauk orek mwe kisa firir, ac ke kisa uh mutawauk, mwet uh on ac kaksak nu sin LEUM GOD , ac mwet srital ke mwe on elos mutawauk ukya mwe ukuk ac mwe on nukewa pac saya.
27beval Ezekias, het brandoffer op te dragen op het altaar. Op hetzelfde ogenblik, dat men met het brandoffer begon, begonnen ook de gezangen ter ere van Jahweh en de trompetten, begeleid door de muziekinstrumenten van David, den koning van Israël.
28Mwet nukewa su muta we elos wi alu, na pusren on lun mwet uh ac mwe on saya orek nwe ke firirla nukewa mwe kisa uh.
28En al het vergaderde volk bleef neergebogen, de zangen bleven weerklinken en de trompetten schallen, tot het brandoffer geheel was verteerd.
29Na Tokosra Hezekiah ac mwet nukewa sikukmutunte ac alu nu sin God.
29Toen het offeren geëindigd was, bogen de koning en al de aanwezigen de knieën, en wierpen zich in aanbidding neer.
30Tokosra ac mwet kol lun mutunfacl sac elos fahk nu sin mwet Levi in onkakin on in kaksak ma David el simusla, oayapa ma Asaph mwet palu el simusla. Ouinge mwet nukewa on ke engan lulap ke elos sikukmutunte ac alu nu sin LEUM GOD .
30Nu gaven koning Ezekias en de voormannen aan de levieten bevel, het loflied te zingen ter ere van Jahweh op de woorden van David en van den ziener Asaf. Vol vreugde hieven zij het loflied aan, en bogen zich in aanbidding neer.
31Hezekiah el fahk nu sin mwet uh, “Inge ke kowos nasnasla tari, use mwe kisa tuh in mwe sang kulo nu sin LEUM GOD .” Na elos akos, ac kutu selos sifacna use kosro natulos ke insewowo lalos, tuh in mwe kisa firir.
31Toen nam Ezekias het woord, en sprak: Nu zijt gij weer aan Jahweh gewijd! Treedt dus naderbij, en laat slacht- en dankoffers opdragen in de tempel van Jahweh. En al het vergaderde volk liet slacht- en dankoffers opdragen; al wie het wilde ook brandoffers.
32Elos use cow mukul itngoul, sheep siofok, ac sheep fusr luofoko, in mwe kisa firir nu sin LEUM GOD .
32Het aantal brandoffers, dat het vergaderde volk liet opdragen, bedroeg zeventig stieren, honderd rammen en tweehonderd lammeren: allemaal brandoffers ter ere van Jahweh;
33Elos oayapa use cow mukul onfoko, ac tolu tausin sheep tuh in mwe kisa ma mwet uh in kang.
33de wijgeschenken bestonden uit zeshonderd stieren en drieduizend schapen.
34Ke puelac mwet tol in mukena uniya kosro inge kewa, na mwet Levi elos kasrelos nwe ke na tari orekma kac. In pacl sacn oasr pac mwet tol su sifacna aknasnasyalosla. Mwet Levi elos oaru liki mwet tol in oru lumah fal nu ke aknasnas lalos uh.
34Er waren zelfs priesters te weinig, om al de brandoffers te kunnen ver werken. Daarom werden ze door de levieten bijgestaan, tot de plechtigheid ten einde zou zijn, en de priesters zich hadden geheiligd; de levieten hadden zich namelijk met meer ijver geheiligd dan de priesters.
35Sayen mwe kisa ma fonna firiryak, ma kunen mwet tol in esukak kiris ke ma kisakinyukla ke ma mwet uh kangla, oayapa in okoala wain ma wi na mwe kisa firir utuku. Ouinge alu in Tempul uh sifilpa mutawauk.
35Want behalve de talrijke brandoffers was er nog het vet der dankoffers, en de bij het brandoffer behorende plengoffers. Zo werd de dienst in de tempel van Jahweh hervat.
36Tokosra Hezekiah ac mwet uh elos engan, mweyen God El kasrelos oru ma inge nukewa ke sie pacl na fototo.
36Ezekias en heel het volk verheugden zich over wat God voor het volk had gewrocht; zo plotseling was de verandering gekomen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.