Luo Chronicle 32
Bible Mutal (Kosraean)Translation
Bible Mutal (Kosraean)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tukun ouiya wo su Tokosra Hezekiah el oru ke kulansap oaru lal nu sin LEUM GOD , Sennacherib, Tokosra Fulat lun Assyria, el utyak mweuni acn Judah. El kuhlusya siti ma akkeyeyukla, ac sap nu sin mwet mweun lal in fokolak pot uh ac utyak nu in siti uh.
1Na deze blijken van trouw rukte Sinacherib, de koning van Assjoer op, en drong in Juda binnen; hij sloeg het beleg om de vestingen, en eiste dat ze zich zouden overgeven.
2Ke Hezekiah el akilen lah Sennacherib el akoo in mweuni pac acn Jerusalem,
2Toen Ezekias bemerkte, dat Sinacherib aanstalten maakte, om Jerusalem aan te vallen,
3na el sramsram yurin mwet pwapa lal ac mwet mweun watwen lal, tuh elos in kunausla unon in kof ma oan likin siti uh. Na elos kasrel ke pwapa sac.
3besloot hij in overleg met zijn voormannen en legeroversten, het water af te sluiten van de bronnen buiten de stad. Toen ze hem hun medewerking hadden toegezegd,
4Mwet puspis fahsreni, ac elos tulokinya unon in kof ac sungan infacl srisrik ma oasr in acn sac. Elos fahk, “Lela in wanginna kof nu sin mwet Assyria elos fin sun acn inge.”
4kwam een talrijke menigte bijeen, en verstopte alle bronnen met de beek, die midden door het land stroomt. Want men zeide: Als de koning van Assjoer hierheen komt, behoeft hij toch geen overvloed van water te vinden?
5Ac tokosra el akkeyala ma loangeyen siti uh ke el akwoyela pot we, ac musaela tower fin pot uh, ac musaela sie pac pot nu likin pot uh. Sayen ma inge el aksasuyela pac acn ma musaiyuk ke acn se ma koaneyukla layen nu kutulap in Siti sel David. El oayapa sap in orekla osra in fakfuk ac mwe loeyuk pukanten.
5Zelf ging hij vastberaden aan het werk; hij herstelde de muur overal waar hij scheuren vertoonde, bouwde er torens op, legde buiten de muur nog een andere aan, versterkte het Millo van de Davidsstad, en liet een grote voorraad werpspiesen en schilden vervaardigen.
6El oakiya mwet nukewa in siti uh ye kolyuk lun captain lun mwet mweun, ac sap elos in tukeni ke nien tukeni se ke mutunpot lun siti uh. Ac el fahk nu selos,
6Daarna stelde hij krijgsoversten aan over het volk, liet het bij zich komen op het plein van de stadspoort en hield op vriendelijke toon de volgende toespraak:
7“Kowos in ku ac pulaik na. Nikmet sangeng sin Tokosra Fulat lun Assyria ac mwet mweun pus lal. Oasr ku yorosr lukel.
7Weest moedig en dapper; weest niet bang en laat u niet afschrikken door den koning van Assjoer en heel het leger, dat met hem optrekt. Want wij hebben een Sterker Hulp dan hij!
8El kukin ku lun mwet, a LEUM GOD pa wi kut ac kasrekut ke mweun lasr.” Ac mwet uh pulaikla ke kas lun tokosra lalos.
8Met hem is enkel een arm van vlees; maar met ons is Jahweh, onze God, die ons helpt en onze oorlogen voert. En de moed van het volk leefde op door de woorden van Ezekias, den koning van Juda.
9In kutu pacl tok, ke Sennacherib ac mwet mweun lal srakna oasr Lachish, el supwala kas inge nu sel Hezekiah ac mwet Judah su welul muta Jerusalem:
9Hierop zond koning Sinacherib van Assjoer, die zelf met zijn gehele krijgsmacht voor Lakisj stond, enige gezanten naar Jerusalem tot koning Ezekias van Juda en tot alle Judeërs in Jerusalem, en liet hun zeggen:
10“Nga, Sennacherib, Tokosra Fulat lun Assyria, siyuk lah mea kowos lulalfongi pwanang kowos mutana Jerusalem, ke nga akola in mweuni kowos uh?
10Zo spreekt Sinacherib, de koning van Assjoer! Waar vertrouwt ge eigenlijk op, dat ge belegerd in Jerusalem blijft zitten?
11Hezekiah el fahk mu LEUM GOD lowos El ac molikowosla liki ku lasr, tusruktu Hezekiah el kiapwekowos. El ac oru kowos in misa ke masrinsral ac malu.
11Ezekias is een bedrieger; hij zal u nog dood laten hongeren en dorsten met zijn praatjes van: “Jahweh onze God zal ons verlossen uit de macht van den koning van Assjoer.”
12El pa kunausla nien alu ac loang lun LEUM GOD , ac fahk nu sin mwet Judah ac Jerusalem mu elos in alu ac akosak mwe keng ke loang sefanna.
12Heeft die Ezekias soms niet zijn offerhoogten en altaren laten verwijderen, en niet tot Juda en Jerusalem gezegd: “Voor één altaar moet gij u neerbuigen en daarop offeren?”
13Mea, kowos tia etu ma nga ac papa tumuk oru nu sin mwet in mutunfacl saya? Ya god lun mutunfacl saya molela mwet lalos liki Tokosra Fulat lun Assyria?
13Weet gij dan niet, wat ik en mijn vaderen gedaan hebben met alle andere volken der aarde? Hebben soms de goden van de andere volken der aarde hun land uit mijn macht kunnen redden?
14Nu oasr pacl god lun mutunfacl saya molelosla liki kut? Na mea se oru kowos nunku mu god lowos el ac ku in molikowosla kac?
14Wie van de goden dezer volken, die door mijn vaderen werden geteisterd, heeft zijn volk uit mijn macht kunnen redden? Zou dan uw God u uit mijn macht kunnen redden?
15Nimet lela Hezekiah elan kiapwekowos ac aktafongyekowosla. Nimet lulalfongel! Wangin sie god lun kutena mutunfacl ku in molela mwet lal liki Tokosra Fulat lun Assyria. Kalem na lah god lowos el tia pac ku in molikowosla!”
15Neen, laat Ezekias u niet bedriegen en u niet op een dwaalspoor brengen. Gelooft hem niet! Want als geen enkele andere god van geen enkel volk of koninkrijk zijn volk uit mijn macht of uit de macht mijner vaderen heeft kunnen redden, dan zal zeker úw God u niet uit mijn macht kunnen redden!
16Mwet pwapa lun mwet Assyria elos fahk ma koluk na yohk ke LEUM GOD ac kacl Hezekiah, mwet kulansap lun LEUM GOD .
16Zo bleven zijn gezanten tegen Jahweh, den Heer, en zijn dienaar Ezekias schimpen.
17Tokosra Fulat lun Assyria el supwala leta se su arulana akkolukye LEUM GOD lun Israel. Pa inge kas ke leta sac: “God lun mutunfacl saya tiana molela mwet lalos liki ku luk. Ouinge, god lal Hezekiah el tia pac ku in molela mwet lal likiyu.”
17Ook schreef hij een brief, waarin hij Jahweh hoonde, Israëls God, en waarin hij schimpte: Evenmin als de goden van de andere volken der aarde hun volk hebben kunnen redden uit mijn macht, evenmin zal de God van Ezekias zijn volk uit mijn macht kunnen redden.
18Mwet pwapa lal elos wowoyak ke fahkyen kas inge in kas Hebrew, in aksangengye mwet ma muta fin pot lun siti uh elos in sepulaikla, na ac fisrasr in sruhu siti sac.
18En hardop riepen zij het ook in het joods tot het volk van Jerusalem op de muur, om het schrik aan te jagen en wankelmoedig te maken, en zo de stad te veroveren.
19Elos kaskas ke God lun Jerusalem oana ke elos kaskas ke god lun mutunfacl saya, su ma sruloala orekla ke poun mwet.
19Zij beschimpten den God van Jerusalem op dezelfde wijze als de goden van de andere volkeren der aarde, die het maaksel zijn van mensenhanden.
20Na Tokosra Hezekiah ac mwet palu Isaiah, wen natul Amoz, eltal pre nu sin God ac pang in suk kasre sel.
20Maar toen koning Ezekias en de profeet Isaias, de zoon van Amos, deswege begonnen te bidden en tot de hemel te schreien,
21LEUM GOD El supwala sie lipufan su uniya mwet mweun Assyria oayapa mwet kol lalos. Na Tokosra Fulat sac mwekinla ac folokla nu Assyria. Sie len ah, ke el muta in tempul lun god lal, kutu sin wen natul elos unilya ke cutlass natulos.
21zond Jahweh een engel, die alle strijders, bevelhebbers en voormannen in het kamp van den koning van Assjoer verdelgde, zodat hij met beschaamde kaken naar zijn land moest terugkeren, en daar door zijn eigen kinderen met het zwaard werd doodgestoken, terwijl hij de tempel van zijn god binnentrad.
22Ouinge LEUM GOD El molella Tokosra Hezekiah ac mwet Jerusalem liki ku lal Sennacherib, Tokosra Fulat lun Assyria, oayapa liki mwet lokoalok lalos saya. El oru in oasr misla inmasrlon mwet Judah ac mutunfacl nukewa su raunelosla.
22Zo verloste Jahweh Ezekias en de bewoners van Jerusalem uit de macht van Sinacherib, den koning van Assjoer, en uit de macht van alle anderen, en schonk Hij hun rust naar alle kanten.
23Mwet puspis tuku nu Jerusalem, ac use mwe sang lalos nu sin LEUM GOD , ac mwe lung nu sel Hezekiah. Ouinge ke pacl se inge fahla, mutunfacl nukewa akfulatyal Hezekiah.
23En velen brachten geschenken aan Jahweh in Jerusalem en kostbaarheden aan koning Ezekias van Juda, die voortaan bij alle volken in hoog aanzien stond.
24In pacl se inge Tokosra Hezekiah el masak ac el apkuran in misa. El pre, ac LEUM GOD El sang sie mwe akul nu sel lah el ac kwela.
24In die dagen werd Ezekias dodelijk ziek. Hij bad tot Jahweh, en Hij verhoorde hem, en gaf hem een wonderteken.
25Tusruktu Hezekiah el inse fulatak ac tia lungse akkalemye srui lal ke ma LEUM GOD El oru nu sel, pwanang acn Judah ac Jerusalem akkeokyeyuk kac.
25Ezekias toonde zich echter niet dankbaar voor de bewezen weldaad; integendeel, hij werd hoogmoedig. Daarom zou er een strafgericht over hem, over geheel Juda en Jerusalem zijn gekomen.
26Na tok, Hezekiah ac mwet Jerusalem elos sifacna akpusiselyalos, ouinge LEUM GOD El tia kalyaelos nwe ke na Hezekiah el misa.
26Maar Ezekias verootmoedigde zich na zijn overmoed, en de bewoners van Jerusalem met hem. Daarom werd het strafgericht van Jahweh niet reeds tijdens het leven van Ezekias aan hen voltrokken.
27Tokosra Hezekiah el arulana kasrupi, ac mwet nukewa akfulatyal. El sap in orekla nien filma nu ke gold, silver, eot saok, mwe akyuye mongo, mwe loeyuk, ac kutu pac ma saok.
27Daar Ezekias grote rijkdom en luister bezat, richtte hij schatkamers in voor het zilver en goud, de edelstenen en reukwerken, de schilden en allerlei andere kostbare voorwerpen;
28El sap pac in musaiyuk lohm in neinyuk fokin ima, wain, oil in olive, oayapa lohm sin cow, ac kalkal in sheep.
28opslagplaatsen voor de opbrengst van het koren, de most en de olie; stallen voor allerlei soorten vee, en kooien voor de schapen.
29Sayen ma inge nukewa, God El sang pukanten sheep ac cow natul, wi pac mwe kasrup lulap, pwanang el musaela siti na pukanten.
29Hij vormde grote kudden schapen en runderen; want God had hem zeer veel bezittingen geschonken.
30Tokosra Hezekiah pa kosrala Unon in Kof Gihon, ac orala laf soko tuh kof uh in ut ye pot uh yak nu in siti Jerusalem. Hezekiah el kapkapak in ma nukewa el oru.
30Deze Ezekias heeft ook de bovengrondse uitmonding van het Gichon-water afgesloten, en het water onder de grond door westwaarts naar de Davidstad geleid. Hij was voorspoedig in alles wat hij ondernam.
31Finne ke pacl se mwet roso sin leum lun Babylonia elos tuku in lolngok ke ouiya usrnguk se ma tuh sikyak in facl sac, God El lela nu sel Hezekiah in fahsrna ke sulela lal sifacna, tuh Elan srikal ac etu lah fuka ouiyen nunak na pwaye lal.
31Zelfs in het geval van de tolken van Babels vorsten, die tot hem gezonden waren, om inlichtingen in te winnen omtrent het wonderteken, dat in zijn land was gebeurd, heeft God hem enkel verlaten, om hem te beproeven en zijn hart te doorgronden.
32Ma nukewa saya ma Tokosra Hezekiah el orala, ac lungse lal nu sin LEUM GOD , simla in book se pangpang Aruruma Lun Mwet Palu Isaiah, Wen Natul Amoz , oayapa ke Sramsram Matu Ke Tokosra Lun Judah Ac Israel .
32De verdere geschiedenis van Ezekias en zijn vroom bestuur staan beschreven in het visioen van den profeet Isaias, den zoon van Amos, en in het boek van de koningen van Juda en Israël.
33Hezekiah el misa ac pukpuki ke ipin acn se oan lucng ke kulyuk lun mwet leum. Mwet nukewa lun Judah ac Jerusalem arulana akfulatyal ke pacl se el misa, ac Manasseh, wen natul, el aolul in tokosra.
33Ezekias ging bij zijn vaderen te ruste; men begroef hem op de helling naar de graven van de zonen van David, en heel Juda en alle bewoners van Jerusalem bewezen hem bij zijn dood de laatste eer. Zijn zoon Manasses volgde hem op.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.