2 Chroniques
Chapter 29
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 Chroniques 29

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ézéchias devint roi à l’âge de vingt-cinq ans, et il régna vingt-neuf ans à Jérusalem. Sa mère s’appelait Abija, fille de Zacharie.
1Ezekias werd koning op vijf en twintigjarige leeftijd, en heeft negentien jaar in Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi-ja, en was de dochter van Zekarjáhoe.
2Il fit ce qui est droit aux yeux de l’Éternel, entièrement comme avait fait David, son père.
2Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David gedaan had.
3La première année de son règne, au premier mois, il ouvrit les portes de la maison de l’Éternel, et il les répara.
3In het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, opende hij de poorten van de tempel van Jahweh, en bracht ze weer in goede staat.
4Il fit venir les sacrificateurs et les Lévites, qu’il assembla dans la place orientale,
4Hij liet de priesters en levieten op het oostplein bijeenkomen,
5et il leur dit: Écoutez-moi, Lévites! Maintenant sanctifiez-vous, sanctifiez la maison de l’Éternel, le Dieu de vos pères, et mettez ce qui est impur hors du sanctuaire.
5en sprak tot hen: Luistert naar mij, levieten! Heiligt uzelf, en heiligt de tempel van Jahweh, den God uwer vaderen, en verwijdert alle onreinheid uit het heiligdom.
6Car nos pères ont péché, ils ont fait ce qui est mal aux yeux de l’Éternel, notre Dieu, ils l’ont abandonné, ils ont détourné leurs regards du tabernacle de l’Éternel et lui ont tourné le dos.
6Want onze vaderen zijn afgevallen en hebben kwaad gedaan in de ogen van Jahweh, onzen God; zij hebben Hem verlaten, hun gelaat afgewend van de woonplaats van Jahweh, en haar de rug toegekeerd.
7Ils ont même fermé les portes du portique et éteint les lampes, et ils n’ont offert au Dieu d’Israël ni parfums ni holocaustes dans le sanctuaire.
7Zelfs hebben zij de poorten van de voorhal gesloten, de lichten uitgedoofd, en in het heiligdom geen reuk- of brandoffers opgedragen aan Israëls God.
8Aussi la colère de l’Éternel a été sur Juda et sur Jérusalem, et il les a livrés au trouble, à la désolation et à la moquerie, comme vous le voyez de vos yeux.
8Daarom is de toorn van Jahweh over Juda en Jerusalem gekomen, en heeft Hij ze ten afschrik gemaakt, tot een bespotting en schande, zoals gij met uw eigen ogen kunt zien.
9Et voici, à cause de cela nos pères sont tombés par l’épée, et nos fils, nos filles et nos femmes sont en captivité.
9Daarom zijn onze vaderen door het zwaard gevallen, en onze zonen, dochters en vrouwen gevangen weggevoerd.
10J’ai donc l’intention de faire alliance avec l’Éternel, le Dieu d’Israël, pour que son ardente colère se détourne de nous.
10Welnu, ik heb het voornemen gemaakt, een verbond te sluiten met Jahweh, den God van Israël, opdat zijn brandende toorn van ons wijke.
11Maintenant, mes fils, cessez d’être négligents; car vous avez été choisis par l’Éternel pour vous tenir à son service devant lui, pour être ses serviteurs, et pour lui offrir des parfums.
11Mijn zonen, weest thans niet langer nalatig; want u heeft Jahweh uitverkoren, om in zijn dienst te staan als zijn dienaren en offerpriesters.
12Et les Lévites se levèrent: Machath, fils d’Amasaï, Joël, fils d’Azaria, des fils des Kehathites; et des fils des Merarites, Kis, fils d’Abdi, Azaria, fils de Jehalléleel; et des Guerschonites, Joach, fils de Zimma, Éden, fils de Joach;
12Toen stonden de volgende levieten op: Máchat, de zoon van Amasai; Joël, de zoon van Azarjáhoe, uit het geslacht Kehat; Kisj, de zoon van Abdi, en Azarjáhoe, de zoon van Jehallelel, uit het geslacht Merari; Joach, de zoon van Zimma, en Éden, de zoon van Joach, uit het geslacht Gersjon;
13et des fils d’Élitsaphan, Schimri et Jeïel; et des fils d’Asaph, Zacharie et Matthania;
13Sjimri en Jeïël uit de familie Elisafan; Zekarjáhoe en Mattanjáhoe, uit het geslacht Asaf;
14et des fils d’Héman, Jehiel et Schimeï; et des fils de Jeduthun, Schemaeja et Uzziel.
14Jechiël en Sjimi uit het geslacht Heman; Sjemaja en Oezziël, uit het geslacht Jedoetoen.
15Ils réunirent leurs frères, et, après s’être sanctifiés, ils vinrent pour purifier la maison de l’Éternel, selon l’ordre du roi et d’après les paroles de l’Éternel.
15Zij riepen hun ambtgenoten bijeen, heiligden zichzelf, en begonnen op bevel des konings de tempel van Jahweh te reinigen, zoals door Jahweh was voorgeschreven.
16Les sacrificateurs entrèrent dans l’intérieur de la maison de l’Éternel pour la purifier; ils sortirent toutes les impuretés qu’ils trouvèrent dans le temple de l’Éternel et les mirent dans le parvis de la maison de l’Éternel, où les Lévites les reçurent pour les emporter dehors au torrent de Cédron.
16De priesters begonnen het inwendige van de tempel van Jahweh te reinigen, en wierpen alle onreinheid, die ze in het heiligdom van Jahweh aantroffen, op de voorhof van de tempel van Jahweh, waar de levieten het ophaalden, om het naar buiten, in het Kedrondal te brengen.
17Ils commencèrent ces purifications le premier jour du premier mois; le huitième jour du mois, ils entrèrent dans le portique de l’Éternel, et ils mirent huit jours à purifier la maison de l’Éternel; le seizième jour du premier mois, ils avaient achevé.
17Nadat zij op de eerste van de eerste maand met het heiligingswerk waren begonnen, waren zij op de achtste dag van de maand tot de voorhal van Jahweh gevorderd, en heiligden de tempel van Jahweh acht dagen lang; op de zestiende van de eerste maand waren ze dus gereed.
18Ils se rendirent ensuite chez le roi Ézéchias, et dirent: Nous avons purifié toute la maison de l’Éternel, l’autel des holocaustes et tous ses ustensiles, et la table des pains de proposition et tous ses ustensiles.
18Toen lieten ze zich bij koning Ezekias aandienen, en zeiden: Wij hebben de gehele tempel van Jahweh gereinigd, met het brandofferaltaar en toebehoren, met de tafel der toonbroden en toebehoren.
19Nous avons remis en état et purifié tous les ustensiles que le roi Achaz avait profanés pendant son règne, lors de ses transgressions: ils sont devant l’autel de l’Éternel.
19Ook al de andere dingen, die koning Achaz tijdens zijn goddeloos bestuur had ontwijd, hebben we weer in orde gebracht en geheiligd; ze staan voor het altaar van Jahweh.
20Le roi Ézéchias se leva de bon matin, assembla les chefs de la ville, et monta à la maison de l’Éternel.
20Toen riep de koning de volgende morgen de voormannen van de stad bijeen, en ging op naar de tempel van Jahweh.
21Ils offrirent sept taureaux, sept béliers, sept agneaux et sept boucs, en sacrifice d’expiation pour le royaume, pour le sanctuaire, et pour Juda. Le roi ordonna aux sacrificateurs, fils d’Aaron, de les offrir sur l’autel de l’Éternel.
21Nadat men zeven jonge stieren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven geitebokjes had aangebracht als een zondeoffer voor het koninklijk huis, voor het heiligdom en voor Juda, beval hij de priesters, de zonen van Aäron, ze op het altaar van Jahweh te offeren.
22Les sacrificateurs égorgèrent les bœufs, et reçurent le sang, qu’ils répandirent sur l’autel; ils égorgèrent les béliers, et répandirent le sang sur l’autel; ils égorgèrent les agneaux, et répandirent le sang sur l’autel.
22Men slachtte de stieren, en de priesters vingen het bloed op en streken het aan het altaar; daarna slachtten zij de rammen en streken het bloed aan het altaar; vervolgens werden de lammeren geslacht en het bloed aan het altaar gestreken.
23On amena ensuite les boucs expiatoires devant le roi et devant l’assemblée, qui posèrent leurs mains sur eux.
23Tenslotte stelden zij de zondebokjes op voor den koning en het vergaderde volk, die er de handen op legden;
24Les sacrificateurs les égorgèrent, et répandirent leur sang au pied de l’autel en expiation pour les péchés de tout Israël; car c’était pour tout Israël que le roi avait ordonné l’holocauste et le sacrifice d’expiation.
24en de priesters slachtten ze, en offerden het bloed als een zondeoffer op het altaar, om vergiffenis te verkrijgen voor geheel Israël; want voor geheel Israël had de koning het brandoffer en het zondeoffer bestemd.
25Il fit placer les Lévites dans la maison de l’Éternel avec des cymbales, des luths et des harpes, selon l’ordre de David, de Gad le voyant du roi, et de Nathan, le prophète; car c’était un ordre de l’Éternel, transmis par ses prophètes.
25Nu stelde hij bij de tempel van Jahweh de levieten op, met cymbalen, harpen en citers, naar het voorschrift van David en Gad, den ziener des konings, en van den profeet Natan, want door bemiddeling van zijn profeten had Jahweh het voorschrift uitgevaardigd.
26Les Lévites prirent place avec les instruments de David, et les sacrificateurs avec les trompettes.
26En toen de levieten met de muziekinstrumenten van David, en de priesters met de trompetten waren opgesteld,
27Ézéchias ordonna d’offrir l’holocauste sur l’autel; et au moment où commença l’holocauste, commença aussi le chant de l’Éternel, au son des trompettes et avec accompagnement des instruments de David, roi d’Israël.
27beval Ezekias, het brandoffer op te dragen op het altaar. Op hetzelfde ogenblik, dat men met het brandoffer begon, begonnen ook de gezangen ter ere van Jahweh en de trompetten, begeleid door de muziekinstrumenten van David, den koning van Israël.
28Toute l’assemblée se prosterna, on chanta le cantique, et l’on sonna des trompettes, le tout jusqu’à ce que l’holocauste fût achevé.
28En al het vergaderde volk bleef neergebogen, de zangen bleven weerklinken en de trompetten schallen, tot het brandoffer geheel was verteerd.
29Et quand on eut achevé d’offrir l’holocauste, le roi et tous ceux qui étaient avec lui fléchirent le genou et se prosternèrent.
29Toen het offeren geëindigd was, bogen de koning en al de aanwezigen de knieën, en wierpen zich in aanbidding neer.
30Puis le roi Ézéchias et les chefs dirent aux Lévites de célébrer l’Éternel avec les paroles de David et du prophète Asaph; et ils le célébrèrent avec des transports de joie, et ils s’inclinèrent et se prosternèrent.
30Nu gaven koning Ezekias en de voormannen aan de levieten bevel, het loflied te zingen ter ere van Jahweh op de woorden van David en van den ziener Asaf. Vol vreugde hieven zij het loflied aan, en bogen zich in aanbidding neer.
31Ézéchias prit alors la parole, et dit: Maintenant que vous vous êtes consacrés à l’Éternel, approchez-vous, amenez des victimes et offrez en sacrifices d’actions de grâces à la maison de l’Éternel. Et l’assemblée amena des victimes et offrit des sacrifices d’actions de grâces, et tous ceux dont le cœur était bien disposé offrirent des holocaustes.
31Toen nam Ezekias het woord, en sprak: Nu zijt gij weer aan Jahweh gewijd! Treedt dus naderbij, en laat slacht- en dankoffers opdragen in de tempel van Jahweh. En al het vergaderde volk liet slacht- en dankoffers opdragen; al wie het wilde ook brandoffers.
32Le nombre des holocaustes offerts par l’assemblée fut de soixante-dix bœufs, cent béliers, et deux cents agneaux; toutes ces victimes furent immolées en holocauste à l’Éternel.
32Het aantal brandoffers, dat het vergaderde volk liet opdragen, bedroeg zeventig stieren, honderd rammen en tweehonderd lammeren: allemaal brandoffers ter ere van Jahweh;
33Et l’on consacra encore six cents bœufs et trois mille brebis.
33de wijgeschenken bestonden uit zeshonderd stieren en drieduizend schapen.
34Mais les sacrificateurs étaient en petit nombre, et ils ne purent dépouiller tous les holocaustes; leurs frères, les Lévites, les aidèrent jusqu’à ce que l’ouvrage fût fini, et jusqu’à ce que les autres sacrificateurs se fussent sanctifiés, car les Lévites avaient eu plus à cœur de se sanctifier que les sacrificateurs.
34Er waren zelfs priesters te weinig, om al de brandoffers te kunnen ver werken. Daarom werden ze door de levieten bijgestaan, tot de plechtigheid ten einde zou zijn, en de priesters zich hadden geheiligd; de levieten hadden zich namelijk met meer ijver geheiligd dan de priesters.
35Il y avait d’ailleurs beaucoup d’holocaustes, avec les graisses des sacrifices d’actions de grâces, et avec les libations des holocaustes. Ainsi fut rétabli le service de la maison de l’Éternel.
35Want behalve de talrijke brandoffers was er nog het vet der dankoffers, en de bij het brandoffer behorende plengoffers. Zo werd de dienst in de tempel van Jahweh hervat.
36Ézéchias et tout le peuple se réjouirent de ce que Dieu avait bien disposé le peuple, car la chose se fit subitement.
36Ezekias en heel het volk verheugden zich over wat God voor het volk had gewrocht; zo plotseling was de verandering gekomen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.