2 Chroniques 31
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Lorsque tout cela fut terminé, tous ceux d’Israël qui étaient présents partirent pour les villes de Juda, et ils brisèrent les statues, abattirent les idoles, et renversèrent entièrement les hauts lieux et les autels dans tout Juda et Benjamin et dans Éphraïm et Manassé. Puis tous les enfants d’Israël retournèrent dans leurs villes, chacun dans sa propriété.
1Toen dit alles was afgelopen, trokken alle aanwezige Israëlieten naar de steden van Juda, sloegen de heilige zuilen stuk, hakten de heilige palen om, en haalden de offerhoogten met de altaren in heel Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse omver, tot de laatste toe. Daarna keerden de Israëlieten allen naar hun bezittingen in hun woonplaatsen terug.
2Ézéchias rétablit les classes des sacrificateurs et des Lévites d’après leurs divisions, chacun selon ses fonctions, sacrificateurs et Lévites, pour les holocaustes et les sacrifices d’actions de grâces, pour le service, pour les chants et les louanges, aux portes du camp de l’Éternel.
2Daarna stelde Ezekias de afdelingen der priesters en levieten vast, en deelde iedereen bij een afdeling in, naar de aard van zijn bediening als priester of leviet: namelijk voor het brandoffer of de vredeoffers, voor de lofzang of het jubellied, of voor de verdere dienst binnen de poorten van Jahweh’s legerplaatsen.
3Le roi donna une portion de ses biens pour les holocaustes, pour les holocaustes du matin et du soir, et pour les holocaustes des sabbats, des nouvelles lunes et des fêtes, comme il est écrit dans la loi de l’Éternel.
3Verder stelde hij de bijdrage uit het persoonlijk bezit van den koning voor de brandoffers vast: voor de brandoffers van ‘s morgens en s avonds, voor de brandoffers op sabbatten, nieuwe manen en andere feesten, zoals is voorgeschreven in de wet van Jahweh.
4Et il dit au peuple, aux habitants de Jérusalem, de donner la portion des sacrificateurs et des Lévites, afin qu’ils observassent fidèlement la loi de l’Éternel.
4Bovendien beval hij het volk en de bewoners van Jerusalem, het wettelijk aandeel der priesters en levieten op te brengen, opdat ze de wet van Jahweh trouw zouden blijven vervullen.
5Lorsque la chose fut répandue, les enfants d’Israël donnèrent en abondance les prémices du blé, du moût, de l’huile, du miel, et de tous les produits des champs; ils apportèrent aussi en abondance la dîme de tout.
5Zodra dit bevel alom bekend werd, schonken de Israëlieten edelmoedig het beste van het koren, de most, de olie, de honing en van alle andere voortbrengselen van de akker; van alles brachten ze edelmoedig de tienden op.
6De même, les enfants d’Israël et de Juda qui demeuraient dans les villes de Juda donnèrent la dîme du gros et du menu bétail, et la dîme des choses saintes qui étaient consacrées à l’Éternel, leur Dieu, et dont on fit plusieurs tas.
6De zonen van Israël en Juda, die in de andere steden van Juda woonden, brachten eveneens de tienden van runderen en schapen. Bovendien bracht men nog de wijgeschenken, die gewijd waren aan Jahweh hun God, en legde die op stapels neer.
7On commença à former les tas au troisième mois, et l’on acheva au septième mois.
7In de derde maand begonnen ze er de stapels van aan te leggen, en in de zevende maand hielden ze er mee op.
8Ézéchias et les chefs vinrent voir les tas, et ils bénirent l’Éternel et son peuple d’Israël.
8Toen Ezekias en de voormannen die stapels kwamen bezichtigen, zegenden zij Jahweh en Israël, zijn volk.
9Et Ézéchias interrogea les sacrificateurs et les Lévites au sujet de ces tas.
9En toen Ezekias aan de priesters en de levieten inlichtingen vroeg over die stapels,
10Alors le souverain sacrificateur Azaria, de la maison de Tsadok, lui répondit: Depuis qu’on a commencé d’apporter les offrandes dans la maison de l’Éternel, nous avons mangé, nous nous sommes rassasiés, et nous en avons beaucoup laissé, car l’Éternel a béni son peuple; et voici la grande quantité qu’il y a de reste.
10gaf de opperpriester Azarjáhoe, uit de familie van Sadok, hem ten antwoord: Sinds men begonnen is, de heffing te brengen in de tempel van Jahweh, hebben we genoeg kunnen eten en nog veel kunnen overhouden; deze grote stapel is over, omdat Jahweh het volk heeft gezegend.
11Ézéchias donna l’ordre de préparer des chambres dans la maison de l’Éternel; et on les prépara.
11Daarom beval Ezekias, voorraadkamers in te richten in de tempel van Jahweh. Toen ze ingericht waren,
12On y apporta fidèlement les offrandes, la dîme, et les choses saintes. Le Lévite Conania en eut l’intendance, et son frère Schimeï était en second.
12bracht men de heffing, de tienden en de wijgeschenken plichtgetrouw daarin. Als opzichter daarover werd de leviet Kananjáhoe aangesteld, en zijn broeder Sjimi als zijn plaatsvervanger;
13Jehiel, Azazia, Nachath, Asaël, Jerimoth, Jozabad, Éliel, Jismakia, Machath et Benaja étaient employés sous la direction de Conania et de son frère Schimeï, d’après l’ordre du roi Ézéchias, et d’Azaria, chef de la maison de Dieu.
13bovendien hielden in opdracht van koning Ezekias en van Azarjáhoe, den opzichter van het Godshuis, Jechiël, Azazjáhoe, Náchat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismakj hoe, Máchat en Benajáhoe toezicht onder leiding van Kananj hoe en zijn broer Sjimi.
14Le Lévite Koré, fils de Jimna, portier de l’orient, avait l’intendance des dons volontaires faits à Dieu, pour distribuer ce qui était présenté à l’Éternel par élévation et les choses très saintes.
14Kore, de zoon van den leviet Jimna en poortwachter aan het oosten, beheerde de gaven, die vrijwillig aan God werden gebracht, en deelde de gave, aan Jahweh gebracht, en de heilige wijgeschenken uit.
15Dans les villes sacerdotales, Éden, Minjamin, Josué, Schemaeja, Amaria et Schecania étaient placés sous sa direction pour faire fidèlement les distributions à leurs frères, grands et petits, selon leurs divisions:
15Hij werd in de priestersteden bijgestaan door Éden, Binjamin, Jesjóea, Sjemajáhoe, Amarjáhoe en Sjekanjáhoe, die hun ambtgenoten, groot en klein, volgens hun verschillende afdelingen, plichtgetrouw hun aandeel moesten uitreiken.
16aux mâles enregistrés depuis l’âge de trois ans et au-dessus; à tous ceux qui entraient journellement dans la maison de l’Éternel pour faire leur service selon leurs fonctions et selon leurs divisions;
16Niemand werd uitgezonderd van de mannelijke personen van drie jaar af, die in het geslachtsregister waren opgenomen, en die op vastgestelde dagen in de tempel van Jahweh de dienst kwamen verrichten, waartoe zij volgens hun afdelingen waren verplicht.
17aux sacrificateurs enregistrés d’après leurs maisons paternelles, et aux Lévites de vingt ans et au-dessus, selon leurs fonctions et selon leurs divisions;
17De opname van de priesters in de geslachtslijsten geschiedde naar hun families; die van de levieten, van twintig jaar af, naar hun bijzondere taak en hun afdeling.
18à ceux de toute l’assemblée enregistrés avec tous leurs petits enfants, leurs femmes, leurs fils et leurs filles, car ils se consacraient fidèlement au service du sanctuaire.
18Hun gehele stand moest in het geslachtsregister worden opgenomen, met al hun kinderen, vrouwen, zonen en dochters; want ze deelden allen met evenveel recht in de heilige gaven.
19Et pour les fils d’Aaron, les sacrificateurs, qui demeuraient à la campagne dans les banlieues de leurs villes, il y avait dans chaque ville des hommes désignés par leurs noms pour distribuer les portions à tous les mâles des sacrificateurs et à tous les Lévites enregistrés.
19Ook werden van stad tot stad enige mannen met name aangewezen, om aan alle mannelijke personen in de priesterlijke stand, de zonen van Aäron, die op de weidegronden van hun steden woonden, en aan alle ingeschreven levieten hun aandeel uit te reiken.
20Voilà ce que fit Ézéchias dans tout Juda; il fit ce qui est bien, ce qui est droit, ce qui est vrai, devant l’Éternel, son Dieu.
20Zo deed Ezekias in heel Juda. Hij deed wat goed en recht en eerlijk was voor het aanschijn van Jahweh, zijn God.
21Il agit de tout son cœur, et il réussit dans tout ce qu’il entreprit, en recherchant son Dieu, pour le service de la maison de Dieu, pour la loi et pour les commandements.
21Al het werk, dat hij naar wet en geboden ondernam voor de dienst in de tempel, om zijn God te vereren, heeft hij met volle toewijding en met gunstige uitslag verricht.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.