1 Самуїлова
Chapter 26
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Самуїлова 26

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Зифії ж прийшли до Саула в Гиву та й кажуть: Чи знаєш ти, що Давид ховається в нас на горі Гахилї, перед пустинею?
1Eens kwamen de Zifieten bij Saul in Giba met de tijding: Ge weet toch, dat David zich verscholen houdt bij de heuvel van Chakila tegenover de wildernis?
2І зладивсь Саул із трьома тисячами чоловіка вибраних з Ізраїля у Зуф-пустиню, шукати Давида в пустинї Зуф.
2Daarom rukte Saul uit, begeleid door drieduizend van de voortreffelijkste manschappen uit Israël, en daalde af naar de woestijn van Zif, om David daar op te sporen.
3І отаборився Саул на горі Гахилї, що лежить перед пустинею при дорозї. Давид же находивсь у пустинї, і видїв, що Саул прийшов за ним в пустиню,
3Saul sloeg zijn kamp op langs de weg, bij de heuvel van Chakila, die tegenover de wildernis ligt. David, die zich in de woestijn ophield, bemerkte, dat Saul hem tot in de woestijn was gevolgd.
4І вислав Давид вивідачів, та й довідався, що Саул справдї прибув.
4Hij zond dus verkenners uit, en kreeg de zekerheid, dat Saul te Nakon gekomen was.
5І встав Давид та й прийшов тайком на те місце, де Саул отаборивсь, і бачив Давид те місце, де спав Саул і Авенир, син Нирів, гетьман його; спав же Саул в шатрі, а люде розложились кругом його.
5Nu trok David op, en bij de plek gekomen, waar Saul zijn kamp had opgeslagen, ontdekte hij de plaats, waar Saul lag te slapen met zijn legeroverste Abner, den zoon van Ner; Saul lag in het legerkamp, en het volk kampeerde in een kring om hem heen.
6І обернувсь Давид і сказав Ахимелехові Гетієві та Абессї-Зеруленкові, братові Йоабовому: Хто пробереться зо мною до Саула в табір? І каже Абесса: Я проберусь із тобою.
6Nu sprak David tot Achimélek, den Chittiet, en tot Abisjai, den zoon van Seroeja en broer van Joab: Wie durft met mij tot Saul in de legerplaats doordringen? Abisjai antwoordde: Ik!
7Як же пробрались у ночі Давид з Абессою до людей (Саулових), аж лежить Саул у снї, а спис його стремить у землї в головах у його; Абенир же й люде лежать навкруги його.
7Zo drong David met Abisjai ‘s nachts tot de troep door. En zie, daar lag Saul in het legerkamp te slapen; aan zijn hoofdeinde stond zijn lans in de grond gestoken, en Abner lag met het volk in een kring om hem heen.
8І каже Абесса Давидові: Сьогоднї видав Господь тобі в руки ворога твого; позволь, я за одним разом пристромлю його ʼд землї списом; не треба вдруге.
8En Abisjai zei tot David: Nu heeft God uw vijand in uw hand overgeleverd! Laat mij hem nu met zijn eigen lans in één stoot aan de grond vastpriemen; een tweede zal niet nodig zijn!
9Давид же відказав Абессї: Не вбивай його, бо хто наложив коли руку на помазанника Господнього, та й не був скараний?
9Maar David sprak tot Abisjai: Doe hem geen leed; want hoe kan iemand ongestraft de hand slaan aan den gezalfde van Jahweh?
10І додав ще Давид: Так певно, як живе Господь: нехай вбє Господь його, чи сама прийде смерть його і він умре, або двине він у поход і поляже;
10En David ging voort: Zo waar Jahweh leeft; Jahweh alleen zal hem slaan, hetzij dat zijn dag komt en hij sterft, hetzij dat hij ten oorlog trekt en sneuvelt.
11Мене ж нехай боронить Господь від того, щоб наложив я руку на помазанника Господнього; ти ж возьми списа, що в головах у його й конву з водою, та й ходїмо собі.
11Jahweh beware mij ervoor, dat ik mijn hand zou uitstrekken naar den gezalfde van Jahweh! Neem echter de lans, die aan zijn hoofdeinde staat met de waterkruik, en laat ons dan heengaan.
12От і взяв Давид списа й посудину з водою, що були в головах у Саула, та й пійшли вони собі, й нїхто не бачив, нї знав, нї прокинувсь; всї спали, бо всїх обняв насланий від Господа твердий сон.
12En David nam de lans met de waterkruik van het hoofdeinde van Saul weg, en ze gingen heen, zonder dat ook maar iemand het zag of bemerkte, zonder dat ook maar iemand wakker werd; want allen lagen zij te slapen: een slaap van Jahweh had hen overvallen.
13Тодї перейшов Давид на другий бік та й став на вершинї гори оддалїк, так що між ними була велика просторонь.
13Aan de andere zijde gekomen, ging David ver weg op de top van de berg staan, zodat er een flinke afstand tussen hen was.
14І покликнув Давид на люде й на Абенира Ниренка: Не відкликнешся, Абенире? І відказав Абенир: Хто ти такий, що покликуєш і безпокоїш царя?
14Nu riep hij tot het volk en tot Abner, den zoon van Ner: Geeft ge geen antwoord, Abner? Abner riep terug: Wie zijt ge, die daar den koning durft roepen?
15І озветься Давид: Ти ж такий чоловік, що нема тобі й рівнї в Ізраїлї; чом же ти не стережеш твого пана, царя? бо се хтось з людей пробрався був, щоб убити пана твого, царя.
15En David zeide tot Abner: Gij zijt toch een man, en niemand is u in Israël gelijk! Waarom hebt ge dan uw heer en koning niet bewaakt? Want er is een van de mannen gekomen, om uw heer en koning te doden.
16Недобра се річ, що ти вдїяв: Так певно, як живе Господь, заслужили ви на смерть, що ви свого пана, помазанника Господнього, не стережете. Подивись лишень, де царський спис і коновка з водою, що стояли в головах у його!
16Fraai is het niet, zoals ge u gedragen hebt. Zowaar Jahweh leeft, gij zijt kinderen des doods, omdat gij niet gewaakt hebt over uw heer, den gezalfde van Jahweh! Ge moet maar eens kijken, waar de lans van den koning is en de waterkruik, die aan zijn hoofdeinde stond.
17Саул же впізнав Давидів голос і каже: Чи се ж не твій голос, мій сину Давиде? І рече Давид: Мій голос, пане мій, царю.
17Saul herkende de stem van David en vroeg: Is dat niet uw stem, mijn zoon David? David antwoordde: Ja, heer koning.
18Та й рече далїй: Чого ж се ти женешся за твоїм рабом? що я таке вчинив, і яке зло в руцї моїй?
18En hij vervolgde: Waarom blijft toch mijn heer zijn knecht achtervolgen? Wat heb ik gedaan en waaraan ben ik schuldig?
19Ой коли б же ти, пане мій, царю, хоч тепер прихилив ухо до слів раба твого: Коли Господь настроїв тебе проти мене, так нехай воно буде йому од тебе пахучою жертвою; коли ж люде, то нехай вони будуть прокляті перед лицем Господнїм, бо вони мене оце вигнали, щоб не було менї частини в наслїддї Господньому, і сказали: Ійди, служи чужим богам.
19Maar laat mijn heer en koning nu luisteren naar de woorden van zijn dienaar: Als het Jahweh is, die u tegen mij opzet, moge Hij dan de geur van een offer aanvaarden. Maar als het mensen zijn, mogen zij dan gevloekt zijn voor Jahweh, omdat ze mij thans verdreven hebben en uitgesloten van Jahweh’s erfdeel, en mij hebben gezegd: “Ga andere goden dienen!”
20Нехай же кров моя не пролиється на землю перед лицем Господнїм, оце бо царь Ізрайлїв та вийшов шукати одну блоху, як уганяють за куропаткою по горах!
20Neen, laat mijn bloed de grond niet drenken, terwijl ik verre ben van het aanschijn van Jahweh. Want de koning van Israël is uitgetrokken, om mij naar het leven te staan, gelijk men een patrijs in het bergland jaagt!
21І відказав Саул: Провинив я; вернись назад, сину Давиде; нїколи вже не засмучу тебе, тим що моя душа тобі сьогоднї була дорога: по дурному чинив я й проступився тяжко.
21Saul sprak: Ik heb verkeerd gedaan! Kom terug, mijn zoon David; ik zal u geen kwaad meer doen, omdat heden mijn leven hoge waarde heeft gehad in uw ogen. Ja, ik heb zeer dwaas gehandeld en ik heb me schromelijk vergist.
22І відказав Давид: Ось царський спис; нехай хто з слуг прийде сюди й візьме.
22Maar David antwoordde: Hier is de lans van den koning. Laat een van de manschappen hierheen komen, om hem te halen.
23Господь кожному заплатить по справедливостї й вірі його, бо Господь оддав був менї в руки тебе, я ж не схотїв наложити руки на помазанника Господнього.
23Jahweh zal aan ieder van ons zijn rechtschapenheid en trouw vergelden. Want ofschoon Jahweh u heden in mijn hand had geleverd, heb ik mijn hand niet geslagen aan den gezalfde van Jahweh.
24Як дорога була менї сьогоднї душа твоя, нехай така дорога буде моя душа Господеві, і нехай він рятує мене з усякої нужди.
24Welnu, zoals heden uw leven een hoge waarde had in mijn ogen, zo zal mijn leven een hoge waarde hebben in de ogen van Jahweh, en zal Hij mij redden uit iedere nood.
25І відказав Саул Давидові: Благословен єси, мій сину Давиде: ти й дїло вдїєш, і могучо переможеш. І пійшов Давид своєю дорогою, а Саул вернувсь додому.
25En Saul sprak tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David; grote daden zult ge verrichten, en veel tot stand kunnen brengen. Toen vervolgde David zijn weg, en Saul keerde naar zijn woonplaats terug.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.