1 Царів 8
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Тодї скликав Соломон громадські мужі Ізрайлеві й всї голови в поколїннях, князї Ізраїлських родин, до себе в Ерусалим, щоб перенести скриню завіту Господнього з Давидового города, се є з Сиону.
1Nu riep koning Salomon de oudsten van Israël en alle stamhoofden en familievorsten der Israëlieten bij zich naar Jerusalem, om de verbondsark van Jahweh uit de Davidstad, of de Sion, naar haar plaats te brengen.
2І позбірались до царя Соломона на сьвято усї Ізрайлитяни в місяцї Етанимі, — се семий місяць.
2Zo trokken alle mannen van Israël naar koning Salomon op voor het feest, dat in de maand Etanim, de zevende maand, werd gevierd.
3І прибули всї громадські мужі Ізрайлеві, й взяли сьвященники скриню,
3Toen nu al de oudsten van Israël gekomen waren, namen de priesters de ark op,
4І понесли скриню Господню й намет громадський, з усїм сьвятим знарядом, що був у наметї, й несли все сьвященники й левіти.
4en brachten haar met de openbaringstent en al de heilige voorwerpen, die in de tent waren, naar boven; de levieten droegen met de priesters mee.
5Царь же Соломон і вся громада Ізраїльська, що при йому скупилась, ійшли перед скринею, тим часом як жертвовано воли й вівцї, стільки, що не зложити їм і лїку.
5Koning Salomon zelf ging met al de Israëlieten, die zich bij hem hadden gevoegd, voor de ark uit, en offerde zoveel schapen en runderen, dat ze niet meer te tellen of te berekenen waren.
6І внесли сьвященники скриню завіту Господнього на її місце, у Сьвяте Сьвятих під крила херувимів;
6Daarop brachten de priesters de verbondsark van Jahweh naar haar plaats in het binnenste van de tempel, in het Allerheiligste, en zetten haar onder de vleugels der cherubs.
7Бо херувими простирали крила над місцем скринї й прикривали скриню й носила її зверху.
7De cherubs spreidden dus hun vleugels over de ark uit, en overschaduwden de ark en haar draagstangen.
8А носила були такі довгі, що їх кінцї можна було бачити з сьвятинї, тільки з надвору не було їх видко. І зостаються вони там по сей день.
8Deze waren zo lang, dat men de uiteinden ervan in het Heilige, dat voor het Allerheiligste lag, kon zien, maar daarbuiten niet meer; ze zijn daar gebleven tot op deze dag.
9У скринї ж не було нїчого крім двох камяних таблиць, що зложив там Мойсей на Горебі, коли вчинив був Господь завіт із синами Ізрайлевими, як вийшли вони з Египту.
9In de ark was niets dan de twee stenen tafelen, die Moses op de berg Horeb erin had gelegd; het waren de tafelen van het Verbond, dat Jahweh bij de uittocht uit Egypte met de Israëlieten gesloten had.
10Як же повиходили сьвященники із пресьвятої сьвятинї, сповнила хмара храмину Господню.
10Zodra de priesters het Heilige hadden verlaten, vervulde een wolk het huis van Jahweh.
11І не могли сьвященники за хмарою стояти там і служити службу, бо храм Господень сповнився славою Господньою.
11Door die wolk konden de priesters niet blijven staan, om hun dienstwerk te verrichten; want de glorie van Jahweh vervulde de tempel van Jahweh.
12Тодї промовив Соломон: Господь сказав, що пробувати ме в мрацї;
12Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven.
13Оце ж я построїв дім тобі на пробуток, місце, де ти вовіки жити будеш.
13Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen. Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen! (Het staat in het Liederenboek.)
14І повернув царь лице своє й привітав благословеннєм усю громаду Ізрайлеву, як уся громада Ізрайлева стояла.
14Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
15І промовив: Хвала Господеві, Богу Ізрайлевому, що глаголав устами своїми панотцеві мойму Давидові, й нинї справдив те рукою своєю! А глаголав тако:
15sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
16З того часу, як вивів я мій нарід Ізраїля з Египту, не вибрав я города нї в одному з поколїнь Ізрайлевих, щоб менї дом збудовано, де перебувало б імя моє, а вибрав Давида, щоб він був над моїм народом Ізраїлем.
16“Sinds de dag, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van al de stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen. Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk te heersen!”
17І було вже в мого паноця на думцї збудувати храм іменню Господа, Бога Ізрайлевого;
17Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
18Та Господь сказав панотцеві мойму Давидові: Що задумав єси збудувати храм іменню мойму, се добра в тебе думка,
18Maar Jahweh sprak tot mijn vader David: “Het was goed van U, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
19Тільки ж не тобі будувати менї храм, а твойму синові, що вийшов із чересел твоїх, той збудує храм іменню мойму.
19Maar niet gij zult de tempel bouwen; doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouw voor mijn Naam.”
20І справдив Господь слово своє, що виповів, бо я вступив на місце панотця мого Давида, й засїв на престолї Ізрайлевому, як обітував Господь, і збудував храм іменню Господа, Бога Ізрайлевого,
20En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
21І приладив місце на скриню, що в нїй завіт Господень, зложений ним із батьками нашими, як вивів їх із Египту.
21en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met onze vaderen gesloten heeft, toen Hij hen uit Egypteland leidde.
22І приступив Соломон до жертівника Господнього поперед всієї громади Ізрайлевої, й зняв руки свої ʼд небу,
22Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan, strekte zijn handen naar de hemel uit,
23І промовив: Господи, Боже Ізрайлїв! нема бога, що був би тобі рівня, нї на небі вгорі, нї на землї внизу. Ти хорониш заповіт і милость слугам твоїм, що ходять перед тобою з усього серця.
23en sprak: Jahweh, God van Israël! Geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met geheel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
24Ти й кметеві твойму, панотцеві мойму Давидові, додержав того, що обітував йому; що устами твоїми глаголав єси, те сьогоднї рукою твоєю довершив єси.
24Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
25Тепер же, ой Господи, Боже Ізрайлїв, додерж рабові твойму, мойму панотцеві Давидові, все що обітував єси йому словами: не переведеться у тебе передо мною седючий на престолї Ізрайлевому, аби тільки сини твої дбали на дорозї своїй про те, щоб ходити передо мною тим робом, яким ходив ти.
25Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: “Nooit zal het U aan een man ontbreken, die voor mijn aanschijn op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt.”
26Справди ж, Боже Ізрайлїв, обітницю твою, що дав єси рабові твойму Давидові, отцеві мойму!
26Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij mijn vader David, uw dienaar, gedaan hebt, toch worden vervuld!
27Чи Богові ж бо справдї жити на землї? Небо й небо небес тебе не ʼбіймуть, атож би сей храм обняв, що збудовав я тобі?
27Maar zou God dan werkelijk op aarde wonen? Zie de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
28Та зглянься на молитву й благаннє слуги твого, Господи, мій Боже, й почуй взиваннє й мольбу, що раб твій оце тебе вмоляє.
28Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
29Нехай очі твої вночі й у день споглядають на храм сей, на се місце, що про його обітував єси: ймя моє буде там! Ой вислуховуй же молитви, якими раб твій на сьому місцї буде молитись!
29Moge uw ogen dag en nacht over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt;
30Вислуховуй мольбу слуги твого й народу твого Ізраїля, коли вони будуть молитись на сьому місцї. Вислуховуй в місцї пробутку твого, на небі, вислуховуй і милосердися!
30luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël, uw volk, op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort, in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
31Коли хто провинить ближньому свойму й наложать на його божбу, щоб побожився, й прийде він, щоб поклястись, перед жертівника твого у сьому дому,
31Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
32Тодї вислухай з неба й вчини присуд над слугами твоїми: скарай винного, обернувши справу його на його ж голову, безвинного ж оправди, давши йому по його правдї.
32luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn hoofd te doen neerkomen. maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
33Коли твій нарід Ізраїль буде звойований ворогом, за те що провинив, відтак же обернуться вони до тебе й узнають імя твоє, та благати муть тебе в сьому дому,
33Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar het bekeert zich tot U, prijst uw Naam en bidt en smeekt tot U in dit huis:
34Тодї ти почуй з неба й прости гріхи твого народу Ізраїля, й приведи їх назад у ту землю, що надїлив єси батькам їх.
34luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat het terugkeren naar het land, dat Gij aan zijn vaderen hebt geschonken.
35Коли небо буде замкнене й не крапне дощем за те, що провинять тобі, й коли молитись муть вони на сьому місцї й взнають імя твоє й навернуться від провини своєї, бо ти впокорив їх, —
35Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat ze tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
36Тодї почуй на небі, й прости гріхи слуг твоїх й народу твого Ізраїля, вказавши їм добру путь, щоб нею простували, й пошли дощ на землю твою, що надїлив єси народові твойму в наслїдню державу.
36luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaar en van Israël, uw volk; wijs het de goede weg, die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
37Коли постане голоднеча на землї, чи то помор, коли буде закажений воздух, засуха, ржа, або сарана, або черви, коли тїснити ме ворог у землї його, або буде яка нужда, чи хороба яка, —
37Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek; wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
38Усяку молитву, взяке благаннє від якої людини з усього народу твого Ізраїля, коли вони почують горе в серцї свойму й простягнуть руки свої до сієї сьвятинї,
38wanneer iemand van uw volk Israël, in het bijzonder, in droefheid of leed komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
39Почуй у небі, в місцї пробутку твого, й помилуй; вчини й відплати кожному по заслузї його, так як ти взнаєш серце його, один бо ти знаєш серце всїх синів людських: —
39luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis; grijp in en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten; Gij alleen kent het hart aller mensen.
40Щоб вони страхалися тебе по всї днї, покіль жиють на землї, що надїлив єси нашим батькам.
40Dan zullen zij U vrezen heel hun leven in het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
41Коли ж би чужениця, що не з твого народу Ізраїля, прийшов із далекого краю задля імення твого, —
41Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, terwille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden,
42Бо вони чути муть про велике імя твоє, про твою руку потужну й простягнуту правицю, — коли б він прийшов і молився перед сим храмом,
42omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
43То почуй й його з неба, з місця, де престолуєш, і вчини все те, про що покликати ме до тебе чужениця, щоб усї народи на землї взнали ймя твоє, щоб і вони боялись тебе, як нарід твій Ізраїль, та щоб дознались, що ймям твоїм називається храм сей, що я збудував.
43luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw naam mogen kennen, U vrezen als Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
44Коли вийде нарід твій на війну проти ворога свого тим шляхом, яким пошлеш його, й молити меться Господеві, обернувшись проти города, що вибрав єси, й проти храму, що я збудовав іменню твойму,
44Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot Jahweh in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
45То почуй з неба молитву й благаннє їх і вдовольни їх.
45luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
46Коли вони провинять тобі — бо нема чоловіка без провини, — а ти в гнїву подаси їх на поталу ворогові, а той займе їх у полонь і відведе у ворожу землю, чи далеко чи близько,
46Wanneer ze tegen U zondigen—want er is niemand, die niet zondigt—en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
47І вони схаменуться в землї, куди зайнято їх у полонь, і навернуться і будуть молитись до тебе у землї їх нашийників і мовлятимуть: Ми провинили, ми безбожні, ми грішні,
47wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: “We hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld”;
48І коли обернуться до тебе з усього серця й з усієї душі в ворожій землї, куди зайнято їх, і молити муться до тебе, обернувшись до землї, що надїлив єси батькам їх, до городу, що вибрав єси й до того дому, що збудував я йменню твойму,
48wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
49Тодї вислухай на небі, в місцї пробутку твого, їх молитву й благання і вчини, чого їм треба;
49luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
50І помилуй твій нарід, у чому провинили вони тобі, й прости всї переступи їх проти тебе, й нехай змилосердяться до них ті, що позаймали їх у полонь, і пожалують їх;
50Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed, en vergeef hun al de zonden, die ze tegen U bedreven; laat ze genade vinden bij hun ontvoerders, opdat dezen zich over hen ontfermen.
51Бо вони твій нарід і твоє наслїддє, що вивів їх єси з Египту, з тієї залїзної печі.
51Want ze zijn uw volk en uw erfdeel; Gij hebt ze uit die smeltoven, uit Egypte, geleid!
52Нехай (уші й) очі твої будуть отворені на благаннє слуги твого й на молитву народу твого Ізраїля, щоб вислуховувати їх завсїди, коли вони взивати муть до тебе;
52Houd dus uw ogen open voor het gebed van uw dienaar en van Israël, uw volk, en verhoor hen steeds, wanneer ze tot U smeken.
53Бо ти вилучив їх у наслїддє собі з усїх народів на землї, як се сказав єси через слугу твого Мойсея, коли виводив єси батьків наших із Египту, Владико Господи!
53Want uit alle volkeren der aarde hebt Gij ze tot uw erfdeel verkoren, zoals Gij door uw dienaar Moses gezegd hebt, toen Gij onze vaderen uit Egypte hebt geleid, o Jahweh, mijn Heer!
54Як докінчив Соломон всї цї молитви й благання до Господа, піднявся він із перед жертівника Господнього, де стояв навколїшках із простягнутими у небо руками.
54Toen Salomon heel dit smeekgebed tot Jahweh had opgezonden, stond hij op van Jahweh’s altaar, waarvoor hij geknield had gelegen, de handen naar de hemel uitgestrekt.
55І ставши благословив усю громаду Ізраїля грімким голосом сими словами:
55En rechtovereind sprak hij met luider stem deze zegen over heel de gemeenschap van Israël uit:
56Благословен Господь, що надїлив нарід свій Ізраїля впокоєм, як обітував! Не зосталось марним нї одно слово з усїх величніх обітниць, що дав через раба свого Мойсея.
56Gezegend zij Jahweh, die, zijn belofte getrouw, zijn volk Israël rust heeft gegeven. Niet één woord van al de beloften, die Hij door zijn dienaar Moses gedaan heeft, is onvervuld gebleven.
57Нехай же буде з нами Бог наш, як він був із нашими батьками. Нехай не покидає нас і не відпихає нас.
57Moge Jahweh, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaderen geweest is, en ons nooit verlaten, ons nooit verwerpen.
58Нехай прихиляє до себе серце наше, щоб ми ходили путьми його й пильнували заповідей його, установ його й законів його, що заповідав він батькам нашим.
58Moge Hij onze harten tot Zich neigen, opdat wij al zijn wegen bewandelen, en zijn geboden, wetten en voorschriften onderhouden, die Hij aan onze vaderen heeft gegeven.
59І нехай будуть сї слова, що я промовив у молитві перед Господом, близькі Господеві, Богові нашому, в день і в ночі, щоб він подавав усе потрібне слузї свойму і народові свойму Ізраїлеві на всякий день,
59Moge de bede, die ik smekend tot Jahweh, onzen God, heb gericht, dag en nacht voor zijn aanschijn blijven, opdat Hij zijn dienaar en Israël, zijn volk, dagelijks geve wat zij behoeven,
60Щоб усї народи на землї зрозуміли, що Господь є Богом, і нїхто инший;
60en alle volkeren der aarde weten, dat Jahweh God is en anders geen.
61І нехай серце ваше буде неподїльно віддане Господу, Богу нашому, щоб ми ходили в установах його і держали заповідї його, як се оце й дїється.
61Mogen uw harten steeds onverdeeld aan Jahweh, onzen God, toebehoren, zodat gij volgens zijn wetten blijft leven, en evenals nu zijn geboden onderhoudt.
62За сим царь і ввесь Ізраїль принесли жертву перед Господом.
62Nu bracht de koning met heel Israël offers aan Jahweh;
63І принїс Соломон на мирню жертву Господеві двайцять і дві тисячі волів а сто двайцять тисяч овець. Сим робом осьвятили храм Господень царь і всї Ізрайлитяне.
63twee en twintig duizend runderen en honderd twintig duizend schapen droeg Salomon als vredeoffer aan Jahweh op. Zo wijdde de koning met al de Israëlieten de tempel van Jahweh in.
64Того ж дня осьвятив царь середню часть двора перед храмом Господнїм, приносячи там усепалення, й хлїбову жертву й товщ на жертву мирню; бо мідяний жертівник, що стояв перед Господом, був надто малий, щоб на йому помістити всепаленнє й хлїбову жертву й тук жертви мирньої.
64Bij die gelegenheid wijdde de koning het middelste gedeelte van de voorhof voor de tempel van Jahweh, omdat men ook daar brandoffers, spijsoffers en het vet van de vredeoffers moest opdragen. Want op het bronzen altaar voor het aanschijn van Jahweh was geen plaats genoeg voor al die brand- en spijsoffers en voor het vet van al die vredeoffers.
65І справив Соломон того часу сьвято й ввесь Ізраїль із ним, — збір величезний, що зійшовся від входу в Етам аж до ріки Египетської, перед Господом, Богом нашим, через сїм день і ще сїм день, то є через чотирнайцять день.
65Daarna vierde Salomon met al de Israëlieten, die van de weg naar Chamat af tot aan de beek van Egypte in grote menigte tezamen waren gekomen, zeven dagen lang het feest voor het aanschijn van Jahweh, onzen God.
66На восьмий же день відпустив Соломон нарід. І благословили вони царя й розійшлись по домівках своїх, радїючи в серцї задля всього доброго, що виявив Господь слузї свойму Давидові й народові свойму Ізраїлеві.
66Op de achtste dag liet hij het volk gaan. Zij namen afscheid van den koning, en gingen met opgewekt hart naar huis, blij als ze waren over al het goede, dat Jahweh voor David, zijn dienaar, en voor Israël, zijn volk, had gedaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.