1 Царів
Chapter 22
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Царів 22

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Проминуло три роки й не було війни між Сириєю й Ізраїлем.
1Drie jaren bleef het nu rustig, en was er geen oorlog tussen Aram en Israël.
2У третьому ж роцї прибув Йосафат, царь Юдин, до царя Ізраїлського.
2Maar toen in het derde jaar koning Josafat van Juda bij den koning van Israël op bezoek was,
3(А промовив був царь Ізраїлський до своїх слуг: Чи ви знаєте, що Рамот Галаадський до нас належить? Ми же мовчимо, замість щоб одняти його у царя Сирийського.)
3sprak de koning van Israël tot zijn hof: Weet gij wel, dat Rama in Gilad van ons is? En wij blijven maar rustig zitten, in plaats van het den koning van Aram te ontnemen.
4І сказав він Йосафатові: Пійдеш зо мною на війну проти Рамоту Галаадського? І відказав Йосафат цареві Ізраїлському: Я хочу те, що й ти; мій люд як твій люд, мої конї як твої конї.
4En hij vroeg Josafat: Wilt gij met mij ten strijde trekken naar Rama in Gilad? En Josafat verzekerde den koning van Israël: Ik en gij zijn één; mijn volk is uw volk en mijn paarden zijn uw paarden!
5І сказав Йосафат цареві Ізраїлському: Поспитай перше, що казати ме про те Господь.
5Toch verzocht Josafat den koning van Israël: Vraag echter eerst, wat Jahweh zegt.
6І зібрав царь Ізраїлський пророки, до чотирох сот чоловіка, і спитав їх: Чи йти менї проти Рамоту в Галаадї на війну, чи занехати се? Вони відказали: Йди, Господь оддасть їх на поталу цареві.
6Toen ontbood de koning van Israël de profeten, tezamen ongeveer vier honderd man. Hij vroeg hun: Zal ik tegen Rama in Gilad ten strijde trekken, of niet? Zij antwoordden: Trek op; Jahweh levert het aan den koning over.
7Йосафат же каже: Чи нема тут ще й пророка Господнього, щоб нам через його поспитати Господа?
7Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet van Jahweh meer, dien we kunnen raadplegen?
8Царь же Ізраїлський відказав Йосафатові: Є ще один тут такий, щоб через його можна поспитати в Господа, та я не люблю його, бо нїчого доброго менї не пророкує, а тільки лихе — се Михей Емблаєнко. Йосафат же каже: Не говори так, царю.
8De koning van Israël antwoordde: Er is nog één man, door wien wij Jahweh kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem; want hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad. Het is Mikájehoe, de zoon van Jimla. Maar Josafat zei: De koning moet zo iets niet zeggen.
9І покликав царь Ізраїлський одного скопця й повелїв: Ійди скоро по Михея Емблаєнка.
9Toen riep de koning van Israël een kamerdienaar en zei: Haal vlug Mikájehoe, den zoon van Jimla.
10Тим часом царь Ізраїлський й Йосафат, царь Юдейський, одягнені в царські ризи, седїли на площі в воротях Самариї, кожен на престолї свойму, а всї пророки віщували перед ними:
10Intussen waren de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, in ambtsgewaad op hun tronen gaan zitten, op de open plaats bij de poort van Samaria, en bleven al de profeten voor hen profeteren.
11(Один з них) Седекія Хенааненко зробив собі зелїзні роги та й каже: Так говорить Господь: Сими виколеш ти Сирийцїв, поки їх не вигубиш.
11Een zekere Sidki-ja, de zoon van Kenaäna, had zich ijzeren horens gemaakt, en zeide: Zo spreekt Jahweh! Hiermee zult gij de Arameën neerstoten tot verdelgens toe.
12І всї пророки віщували так само й мовляли: Іди на Рамат у Галаадї, пощастить тобі, Господь подасть його на поталу цареві.
12Al de andere profeten profeteerden hetzelfde en riepen: Trek op naar Rama in Gilad! Gij zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan den koning overgeleverd.
13Посланець же, що пійшов кликати Михею, каже йому: Знай, що пророки в один голос віщують цареві добро, нехай же й твоє слово пристає до гурту, віщуй і ти добро.
13De bode, die Mikájehoe was gaan roepen, zeide tot hem: Zie eens; eenstemmig hebben de profeten den koning een gunstig antwoord gegeven; laat ook uw antwoord zijn als het hunne, en voorspel iets goeds.
14Михея ж відказав: Так певно, як Господь живе, тільки те, що глаголати ме Господь менї, казати му.
14Maar Mikájehoe zeide: Zo waar Jahweh leeft; wat Jahweh mij zegt, zal ik spreken!
15Як прийшов же він до царя, питає в його царь: Михею! чи нам ійти війною на Рамот Галаадський, чи се занехати? І відказав йому той: Йди, буде вдача тобі, й Господь оддасть його в руки цареві.
15Toen hij nu bij den koning gekomen was, zeide deze tot hem: Mikájehoe, zullen wij naar Rama in Gilad ten strijde trekken of niet? Hij antwoordde hem: Trek op; ge zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan u overgeleverd.
16Царь же промовив до його: Ще раз і ще раз заклинаю тебе, щоб ти менї в імя Господнє нїчого не говорив, тільки правду!
16De koning snauwde hem toe: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, mij in de naam van Jahweh niets dan de waarheid te zeggen?
17І сказав він: Я бачу всього Ізраїля розсипаного по горах, наче вівцї, що нема в їх пастуха. І каже Господь: Нема в їх пана; нехай байдужно вертається кожен додому.
17Maar nu sprak hij: Ik zag heel Israël over de bergen verstrooid als schapen zonder herder! En Jahweh sprak: Ze hebben geen heer; laat ze rustig naar huis terugkeren!
18І сказав царь Ізрайлїв Йосафатові: Чи не казав же я тобі, що він не віщує менї нїчого доброго, тільки лихе?
18Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik het u niet gezegd? Hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad.
19І каже (Михея): Вислухай же слово Господнє: Я бачив Господа седячого на престолї свойму й все військо небесне стоїть праворуч і лїворуч його;
19Maar Mikájehoe sprak: Dat is niet waar! Luister niettemin naar het woord van Jahweh! Ik zag Jahweh op zijn troon, met het hemelse heir rechts en links om Hem heen.
20І промовив Господь: Хто підманив би Ахаба, щоб двинув у поле та й полїг під Рамотом у Галаадї? І сей говорив так, а той инакше.
20Jahweh vroeg: Wie wil Achab overhalen, naar Rama in Gilad op te trekken, om daar te sneuvelen? En de een zei zus, de ander zo.
21Тодї виступив один дух, став перед Господом та й каже: Я підманю його. Господь же спитав: Чим?
21Toen trad er een geest naar voren, ging voor Jahweh staan en zeide: Ik wil hem overhalen. Jahweh vroeg hem: Hoe?
22І відказав (дух): Я вийду та й зроблюсь духом ложним в устах його пророків. Господь же сказав: Ти зробиш те й підманиш його; йди й вчини так.
22Hij antwoordde: Ik ga een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen sprak Jahweh: Ge moogt hem bewerken, en ge zult slagen ook; ga heen en doe het.
23Оце ж Господь, як бачиш, вложив ув уста всїм твоїм пророкам ложнього духа; тим часом як Господь недобре про тебе виповів.
23Welnu, thans heeft Jahweh een leugengeest in de mond van al uw profeten gelegd, omdat Jahweh uw verderf heeft besloten.
24І приступив Седекія Хенааненко, ударив Михея по щоцї та й каже: Як то — чи ж від мене відойшов дух Господень, щоб говорити в тобі?
24Maar nu trad Sidki-jáhoe, de zoon van Kenaäna, vooruit, gaf Mikájehoe een slag in het gezicht, en zeide: Wat; zou de geest van Jahweh mij hebben verlaten, om te spreken tot u?
25Михей же промовив: Ти взнаєш про се того дня, як бігати меш із однієї комірки в другу, щоб сховатись.
25Mikájehoe antwoordde: Dat zult ge gewaar worden, wanneer ge van huis tot huis zult vluchten, om u te verbergen.
26Царь же Ізрайлїв повелїв: Возьміте Михея й одведїте його до Амона, городського начальника, та до Йоаса царевича,
26Nu sprak de koning van Israël: Neem Mikájehoe gevangen, en breng hem bij de stadsvoogd Amon en bij prins Joasj.
27І зʼясїть: Так говорить царь: Посадїть його в темницю та давайте йому хлїба скупо й води скупо, покіль я щасливо вернусь.
27Zeg hun: De koning beveelt, hem gevangen te houden en hem slecht eten en drinken te geven, tot hij ongedeerd terugkomt.
28І промовив Михей: Коли вернешся щасливо, так не Господь говорив через мене. І сказав: Слухай, увесь народе!
28Maar Mikájehoe sprak: Als gij ongedeerd terugkomt, heeft Jahweh niet door mij gesproken.
29От і двинув царь Ізраїлський з Йосафатом, царем Юдейським, на Рамот у Галаадї.
29Zo trok dus de koning van Israël, met koning Josafat van Juda, naar Rama in Gilad.
30І каже царь Ізраїлський Йосафатові: Я переодягнусь та й пійду до бою, ти ж будь у своїй царській одежі. І переодягнувся царь Ізраїлський та й виступив до бою.
30Maar de koning van Israël zei tot Josafat: Ik wil verkleed de strijd ingaan, doch gij kunt uw eigen kleren wel aanhouden. Hierop verkleedde de koning van Israël zich, voor hij ten strijde trok.
31Царь же Сирийський повелїв трийцятьом і двом отаманам своїх боєвих колесниць: Не вдаряйте нї на простого, нї на знатнього, тільки на одного царя Ізраїлського.
31Nu had de koning van Aram zijn twee en dertig bevelhebbers van de strijdwagens de opdracht gegeven: Valt niemand aan, wie het ook zij, maar alleen den koning van Israël.
32Отамани колесниць, побачивши Йосафата, подумали: Се мабуть царь Ізраїлський, й навернувши, вдарили на його, й закричав Йосафат.
32Toen zij nu Josafat zagen, dachten ze: Dat is zeker de koning van Israël. En ze vielen op hem aan. Maar Josafat hief een krijgsgeschreeuw aan,
33Скоро ж отамани колесниць постерегли, що се не царь Ізраїлський, одвернули від його.
33waardoor ze bemerkten, dat hij de koning van Israël niet was. Daarom lieten zij hem met rust.
34Один же чоловік напяв лука та й пустив навманя стрілу й пострілив царя Ізраїлського між легкими й жолудком. І повелїв він свойму візникові: Одвертай та вивозь мене з боєвого натовпу, бо мене поранено.
34Intussen richtte iemand op goed geluk af zijn boog, en trof den koning van Israël tussen de voegen van het pantser. Deze beval toen zijn wagenmenner: Wend de teugels, en breng mij van het slagveld; want ik ben gewond.
35Та битва того дня щораз більш закипала, й царь стояв у колесницї проти Сирийцїв, і вечером умер; кров із рани стїкала в колесницю.
35Maar omdat de strijd toen juist op zijn hevigst was, moest de koning tegenover de Arameën rechtop in zijn wagen blijven staan, ofschoon het bloed uit zijn wonde in de bak van de wagen neersijpelde. Tegen de avond echter stierf hij.
36І загукали під захід сонця в війську: Кожен, вертайсь у свій город і в свою землю!
36En nog voor zonsondergang ging de kreet door het leger: Iedereen terug naar zijn stad, iedereen terug naar zijn land;
37І вмер царь, і привезли його в Самарию та й поховали царя в Самариї.
37de koning is dood! In Samaria aangekomen, begroef men den koning;
38Як обмивали ж колесницю в ставу, лизали собаки кров його, а блудницї купались у їй, по слову, що глаголав Господь.
38en toen men de wagen uitspoelde bij de vijver van Samaria, waar lichtekooien aan het baden waren, likten de honden zijn bloed op. Zo werd het woord vervuld, dat Jahweh gesproken had.
39Прочі дїї Ахаба, й про се, що він чинив, і про будинок із слонової костї, що збудував, і про всї городи, що він утверджував, — про се сказано в лїтописній книзї царів Ізрайлевих.
39De verdere geschiedenis van Achab, met al wat hij deed, ook de bouw van het ivoren paleis en de versterking der steden, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
40І спочив Ахаб із батьками своїми, а син його Охозія став намість його царем.
40Achab ging bij zijn vaderen te ruste, en zijn zoon Achazja volgde hem op.
41Йосафат Асенко став царем у Юдеї у четвертому роцї Ахаба, царя Ізраїлського.
41In het vierde jaar der regering van Achab over Israël werd Josafat, de zoon van Asa, koning van Juda.
42Трийцять і пять год було віку Йосафатового, як зробивсь царем, а двайцять і пять год царював у Ерусалимі. Матїр його звали Азуба Салаїлівна.
42Josafat was vijf en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Azoeba, en was de dochter van Sjilchi.
43І ходив він усе дорогою батька свого Аси, не звертав з неї та чинив те, що Господеві до вподоби.
43In alles volgde hij het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken; zo deed hij wat recht was in de ogen van Jahweh. Alleen werden de offerhoogten niet afgeschaft, zodat het volk er bleef offeren en wierook branden.
44Тільки висот не поруйновано, й все ще жертував і кадив люд на висотах.
44Josafat leefde in vrede met den koning van Israël.
45І держав Йосафат мир із царем Ізрайлевим.
45De verdere geschiedenis van Josafat, met de heldendaden, die hij verrichtte, en de oorlogen, die hij voerde, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
46Инші дїла Йосафатові, його хоробрі дїї, й як він воював, се прописано в книзї лїтописній царів Юдиних.
46De verminkten, die tijdens de regering van zijn vader Asa nog waren overgebleven, verwijderde hij uit het land.
47Вигубив іще з землї останки блудників, що з часів отця його Аси зіставались.
47Er was toen geen koning in Edom, maar een stadhouder
48Не було ж тодї царя в Едомі; наказний (намісник) був за царя.
48van koning Josafat. Deze bouwde een Tarsjisjvloot, om daarmee naar Ofir te varen om goud. Maar hij voer niet uit, daar de vloot schipbreuk leed bij Esjon-Géber.
49Йосафат побудував був і кораблї на морі, щоб ходити в Офир і привозити золото; та вони не дійшли, бо порозбивались ув Езійон-Габері.
49Toen zei Achazja, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn volk met het uwe de schepen bemannen; maar Josafat weigerde.
50Казав тодї Охозія Ахабенко Йосафатові: Нехай мої люде з твоїми людьми пливуть на кораблях. Йосафат же не схотїв.
50Josafat ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de stad van zijn vader David bij zijn vaderen begraven. Zijn zoon Joram volgde hem op.
51І почив Йосафат з своїми отцями й поховано його коло отцїв його в Давидовому городї, предківському. А син його Йорам зробився царем намість його.
51In het zeventiende jaar der regering van Josafat over Juda werd Achazja, de zoon van Achab, te Samaria koning van Israël. Twee jaar regeerde hij over Israël.
52Охозія Ахабенко зробився царем у сїмнайцятому роцї Йосафатовому, царя Юдиного, й царював два роки над Ізраїлем в Самариї.
52Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en volgde het wangedrag na van zijn vader en moeder en dat van Jeroboam, den zoon van Nebat, die Israël tot zonde had verleid.
53І чинив він те, що було Господеві не до вподоби, й ходив дорогою батька свого й дорогою матері своєї й дорогою Еробоамовою Набатенковою, що доводив Ізраїля до гріхів.
53Hij diende Báal en boog zich voor hem neer; zo tergde hij Jahweh, Israëls God, juist zoals zijn vaderen het hadden gedaan.
54І служив він Баалові, й вбоготворяв його, й запалював гнїв Господа, Бога Ізрайлевого, так само, як і батько його чинив.
no verse 54 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.