列王纪上 8
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1那时, 所罗门 将 以色列 的长老和各支派的首领,并 以色列 的族长,招聚到 耶路撒冷 ,要把耶和华的约柜从 大卫城 —就是 锡安 —运上来。
1Nu riep koning Salomon de oudsten van Israël en alle stamhoofden en familievorsten der Israëlieten bij zich naar Jerusalem, om de verbondsark van Jahweh uit de Davidstad, of de Sion, naar haar plaats te brengen.
2以他念月,就是七月,在节前, 以色列 人都聚集到 所罗门 王那里。
2Zo trokken alle mannen van Israël naar koning Salomon op voor het feest, dat in de maand Etanim, de zevende maand, werd gevierd.
3以色列 长老来到,祭司便抬起 约 柜,
3Toen nu al de oudsten van Israël gekomen waren, namen de priesters de ark op,
4祭司和 利未 人将耶和华的 约 柜运上来,又将会幕和会幕的一切圣器具都带上来。
4en brachten haar met de openbaringstent en al de heilige voorwerpen, die in de tent waren, naar boven; de levieten droegen met de priesters mee.
5所罗门 王和聚集到他那里的 以色列 全会众,一同在 约 柜前献牛羊为祭,多得不可胜数。
5Koning Salomon zelf ging met al de Israëlieten, die zich bij hem hadden gevoegd, voor de ark uit, en offerde zoveel schapen en runderen, dat ze niet meer te tellen of te berekenen waren.
6祭司将耶和华的约柜抬进内殿,就是至圣所,放在两个基路伯的翅膀底下。
6Daarop brachten de priesters de verbondsark van Jahweh naar haar plaats in het binnenste van de tempel, in het Allerheiligste, en zetten haar onder de vleugels der cherubs.
7基路伯张着翅膀在 约 柜之上,遮掩 约 柜和抬柜的杠。
7De cherubs spreidden dus hun vleugels over de ark uit, en overschaduwden de ark en haar draagstangen.
8这杠甚长,杠头在内殿前的圣所可以看见,在殿外却不能看见,直到如今还在那里。
8Deze waren zo lang, dat men de uiteinden ervan in het Heilige, dat voor het Allerheiligste lag, kon zien, maar daarbuiten niet meer; ze zijn daar gebleven tot op deze dag.
9约柜里惟有两块石版,就是 以色列 人出 埃及 地后,耶和华与他们立约的时候 摩西 在 何烈山 所放的。除此以外,并无别物。
9In de ark was niets dan de twee stenen tafelen, die Moses op de berg Horeb erin had gelegd; het waren de tafelen van het Verbond, dat Jahweh bij de uittocht uit Egypte met de Israëlieten gesloten had.
10祭司从圣所出来的时候,有云充满耶和华的殿;
10Zodra de priesters het Heilige hadden verlaten, vervulde een wolk het huis van Jahweh.
11甚至祭司不能站立供职,因为耶和华的荣光充满了殿。
11Door die wolk konden de priesters niet blijven staan, om hun dienstwerk te verrichten; want de glorie van Jahweh vervulde de tempel van Jahweh.
12那时 所罗门 说: 耶和华曾说, 他必住在幽暗之处。
12Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven.
13我已经建造殿宇作你的居所, 为你永远的住处。
13Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen. Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen! (Het staat in het Liederenboek.)
14王转脸为 以色列 会众祝福, 以色列 会众就都站立。
14Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
15所罗门 说:「耶和华— 以色列 的 神是应当称颂的!因他亲口向我父 大卫 所应许的,也亲手成就了。
15sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
16他说:『自从我领我民 以色列 出 埃及 以来,我未曾在 以色列 各支派中选择一城建造殿宇—为我名的 居所 ,但拣选 大卫 治理我民 以色列 。』」
16“Sinds de dag, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van al de stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen. Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk te heersen!”
17所罗门 说:「我父 大卫 曾立意,要为耶和华— 以色列 神的名建殿。
17Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
18耶和华却对我父 大卫 说:『你立意为我的名建殿,这意思甚好。
18Maar Jahweh sprak tot mijn vader David: “Het was goed van U, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
19只是你不可建殿,惟你所生的儿子必为我名建殿。』
19Maar niet gij zult de tempel bouwen; doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouw voor mijn Naam.”
20现在耶和华成就了他所应许的话,使我接续我父 大卫 坐 以色列 的国位,又为耶和华— 以色列 神的名建造了殿。
20En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
21我也在其中为 约 柜预备一处。 约 柜内有耶和华的约,就是他领我们列祖出 埃及 地的时候,与他们所立的约。」
21en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met onze vaderen gesloten heeft, toen Hij hen uit Egypteland leidde.
22所罗门 当着 以色列 会众,站在耶和华的坛前,向天举手说:
22Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan, strekte zijn handen naar de hemel uit,
23「耶和华— 以色列 的 神啊,天上地下没有神可比你的!你向那尽心行在你面前的仆人守约施慈爱;
23en sprak: Jahweh, God van Israël! Geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met geheel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
24向你仆人—我父 大卫 所应许的话现在应验了。你亲口应许,亲手成就,正如今日一样。
24Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
25耶和华— 以色列 的 神啊,你所应许你仆人—我父 大卫 的话说:『你的子孙若谨慎自己的行为,在我面前行事像你所行的一样,就不断人坐 以色列 的国位。』现在求你应验这话。
25Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: “Nooit zal het U aan een man ontbreken, die voor mijn aanschijn op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt.”
26以色列 的 神啊,求你成就向你仆人—我父 大卫 所应许的话。
26Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij mijn vader David, uw dienaar, gedaan hebt, toch worden vervuld!
27「 神果真住在地上吗?看哪,天和天上的天尚且不足你居住的,何况我所建的这殿呢?
27Maar zou God dan werkelijk op aarde wonen? Zie de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
28惟求耶和华—我的 神垂顾仆人的祷告祈求,俯听仆人今日在你面前的祈祷呼吁。
28Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
29愿你昼夜看顾这殿,就是你应许立为你名的居所;求你垂听仆人向此处祷告的话。
29Moge uw ogen dag en nacht over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt;
30你仆人和你民 以色列 向此处祈祷的时候,求你在天上你的居所垂听,垂听而赦免。
30luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël, uw volk, op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort, in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
31「人若得罪邻舍,有人叫他起誓,他来到这殿在你的坛前起誓,
31Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
32求你在天上垂听,判断你的仆人:定恶人有罪,照他所行的报应在他头上;定义人有理,照他的义赏赐他。
32luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn hoofd te doen neerkomen. maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
33「你的民 以色列 若得罪你,败在仇敌面前,又归向你,承认你的名,在这殿里祈求祷告,
33Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar het bekeert zich tot U, prijst uw Naam en bidt en smeekt tot U in dit huis:
34求你在天上垂听,赦免你民 以色列 的罪,使他们归回你赐给他们列祖之地。
34luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat het terugkeren naar het land, dat Gij aan zijn vaderen hebt geschonken.
35「你的民因得罪你,你惩罚他们,使天闭塞不下雨;他们若向此处祷告,承认你的名,离开他们的罪,
35Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat ze tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
36求你在天上垂听,赦免你仆人 以色列 民的罪,将当行的善道指教他们,且降雨在你的地,就是你赐给你民为业之地。
36luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaar en van Israël, uw volk; wijs het de goede weg, die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
37「国中若有饥荒、瘟疫、旱风、霉烂、蝗虫、蚂蚱,或有仇敌犯境围困城邑,无论遭遇什么灾祸疾病,
37Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek; wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
38你的民 以色列 ,或是众人,或是一人,自觉有罪,向这殿举手,无论祈求什么,祷告什么,
38wanneer iemand van uw volk Israël, in het bijzonder, in droefheid of leed komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
39求你在天上你的居所垂听赦免。你是知道人心的,要照各人所行的待他们(惟有你知道世人的心),
39luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis; grijp in en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten; Gij alleen kent het hart aller mensen.
40使他们在你赐给我们列祖之地上一生一世敬畏你。
40Dan zullen zij U vrezen heel hun leven in het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
41「论到不属你民 以色列 的外邦人,为你名从远方而来,
41Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, terwille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden,
42(他们听人论说你的大名和大能的手,并伸出来的膀臂)向这殿祷告,
42omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
43求你在天上你的居所垂听,照着外邦人所祈求的而行,使天下万民都认识你的名,敬畏你像你的民 以色列 一样;又使他们知道我建造的这殿是称为你名下的。
43luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw naam mogen kennen, U vrezen als Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
44「你的民若奉你的差遣,无论往何处去与仇敌争战,向耶和华所选择的城与我为你名所建造的殿祷告,
44Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot Jahweh in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
45求你在天上垂听他们的祷告祈求,使他们得胜。
45luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
46「你的民若得罪你(世上没有不犯罪的人),你向他们发怒,将他们交给仇敌掳到仇敌之地,或远或近,
46Wanneer ze tegen U zondigen—want er is niemand, die niet zondigt—en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
47他们若在掳到之地想起罪来,回心转意,恳求你说:『我们有罪了,我们悖逆了,我们作恶了』;
47wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: “We hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld”;
48他们若在掳到之地尽心尽性归服你,又向自己的地,就是你赐给他们列祖之地和你所选择的城,并我为你名所建造的殿祷告,
48wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
49求你在天上你的居所垂听他们的祷告祈求,为他们伸冤;
49luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
50饶恕得罪你的民,赦免他们的一切过犯,使他们在掳他们的人面前蒙怜恤。
50Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed, en vergeef hun al de zonden, die ze tegen U bedreven; laat ze genade vinden bij hun ontvoerders, opdat dezen zich over hen ontfermen.
51因为他们是你的子民,你的产业,是你从 埃及 领出来脱离铁炉的。
51Want ze zijn uw volk en uw erfdeel; Gij hebt ze uit die smeltoven, uit Egypte, geleid!
52愿你的眼目看顾仆人,听你民 以色列 的祈求,无论何时向你祈求,愿你垂听。
52Houd dus uw ogen open voor het gebed van uw dienaar en van Israël, uw volk, en verhoor hen steeds, wanneer ze tot U smeken.
53主耶和华啊,你将他们从地上的万民中分别出来作你的产业,是照你领我们列祖出 埃及 的时候,借你仆人 摩西 所应许的话。」
53Want uit alle volkeren der aarde hebt Gij ze tot uw erfdeel verkoren, zoals Gij door uw dienaar Moses gezegd hebt, toen Gij onze vaderen uit Egypte hebt geleid, o Jahweh, mijn Heer!
54所罗门 在耶和华的坛前屈膝跪着,向天举手,在耶和华面前祷告祈求已毕,就起来,
54Toen Salomon heel dit smeekgebed tot Jahweh had opgezonden, stond hij op van Jahweh’s altaar, waarvoor hij geknield had gelegen, de handen naar de hemel uitgestrekt.
55站着,大声为 以色列 全会众祝福,说:
55En rechtovereind sprak hij met luider stem deze zegen over heel de gemeenschap van Israël uit:
56「耶和华是应当称颂的!因为他照着一切所应许的赐平安给他的民 以色列 人,凡借他仆人 摩西 应许赐福的话,一句都没有落空。
56Gezegend zij Jahweh, die, zijn belofte getrouw, zijn volk Israël rust heeft gegeven. Niet één woord van al de beloften, die Hij door zijn dienaar Moses gedaan heeft, is onvervuld gebleven.
57愿耶和华—我们的 神与我们同在,像与我们列祖同在一样,不撇下我们,不丢弃我们,
57Moge Jahweh, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaderen geweest is, en ons nooit verlaten, ons nooit verwerpen.
58使我们的心归向他,遵行他的道,谨守他吩咐我们列祖的诫命、律例、典章。
58Moge Hij onze harten tot Zich neigen, opdat wij al zijn wegen bewandelen, en zijn geboden, wetten en voorschriften onderhouden, die Hij aan onze vaderen heeft gegeven.
59我在耶和华面前祈求的这些话,愿耶和华—我们的 神昼夜垂念,每日为他仆人与他民 以色列 伸冤,
59Moge de bede, die ik smekend tot Jahweh, onzen God, heb gericht, dag en nacht voor zijn aanschijn blijven, opdat Hij zijn dienaar en Israël, zijn volk, dagelijks geve wat zij behoeven,
60使地上的万民都知道惟独耶和华是 神,并无别神。
60en alle volkeren der aarde weten, dat Jahweh God is en anders geen.
61所以你们当向耶和华—我们的 神存诚实的心,遵行他的律例,谨守他的诫命, 至终 如今日一样。」
61Mogen uw harten steeds onverdeeld aan Jahweh, onzen God, toebehoren, zodat gij volgens zijn wetten blijft leven, en evenals nu zijn geboden onderhoudt.
62王和 以色列 众民一同在耶和华面前献祭。
62Nu bracht de koning met heel Israël offers aan Jahweh;
63所罗门 向耶和华献平安祭,用牛二万二千,羊十二万。这样,王和 以色列 众民为耶和华的殿行奉献之礼。
63twee en twintig duizend runderen en honderd twintig duizend schapen droeg Salomon als vredeoffer aan Jahweh op. Zo wijdde de koning met al de Israëlieten de tempel van Jahweh in.
64当日,王因耶和华殿前的铜坛太小,容不下燔祭、素祭,和平安祭牲的脂油,便将耶和华殿前院子当中分别为圣,在那里献燔祭、素祭,和平安祭牲的脂油。
64Bij die gelegenheid wijdde de koning het middelste gedeelte van de voorhof voor de tempel van Jahweh, omdat men ook daar brandoffers, spijsoffers en het vet van de vredeoffers moest opdragen. Want op het bronzen altaar voor het aanschijn van Jahweh was geen plaats genoeg voor al die brand- en spijsoffers en voor het vet van al die vredeoffers.
65那时, 所罗门 和 以色列 众人,就是从 哈马 口直到 埃及 小河所有的 以色列 人,都聚集成为大会,在耶和华—我们的 神面前守节七日又七日,共十四日。
65Daarna vierde Salomon met al de Israëlieten, die van de weg naar Chamat af tot aan de beek van Egypte in grote menigte tezamen waren gekomen, zeven dagen lang het feest voor het aanschijn van Jahweh, onzen God.
66第八日,王遣散众民;他们都为王祝福。因见耶和华向他仆人 大卫 和他民 以色列 所施的一切恩惠,就都心中喜乐,各归各家去了。
66Op de achtste dag liet hij het volk gaan. Zij namen afscheid van den koning, en gingen met opgewekt hart naar huis, blij als ze waren over al het goede, dat Jahweh voor David, zijn dienaar, en voor Israël, zijn volk, had gedaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.