Romanos
Chapter 9
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Digo a verdade em Cristo. Não minto, minha consciência testifica comigo no Espírito Santo,
1Ik spreek de waarheid in Christus en lieg niet; en ook mijn geweten getuigt met mij mee in den heiligen Geest,
2que tenho grande tristeza e dor incessante em meu coração.
2dat ik een grote droefheid en een voortdurend harteleed ondervind,
3Pois eu mesmo poderia desejar ser amaldiçoado e separado de Cristo por amor a meus irmãos, meus parentes segundo a carne,
3Waarachtig, zelf zou ik van Christus gescheiden willen zijn terwille van mijn broeders, mijn stamverwanten naar het vlees.
4que são israelitas; a eles pertencem a adoção, a glória, as alianças, a entrega da lei, o culto e as promessas;
4Israëlieten zijn ze toch; aan hen behoort het kindschap, de heerlijkheid en het Verbond, de Wet, de eredienst en de Beloften;
5deles são os patriarcas, e deles descende Cristo segundo a carne, o qual é sobre todos, Deus bendito para sempre. Amém.
5tot hen behoren de Vaders, en van hen stamt Christus af naar het vlees: Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid. Amen!
6Mas não é como se a palavra de Deus tivesse falhado. Pois nem todos os que são de Israel são Israel.
6Maar toch, Gods woord heeft niet gefaald! Want niet allen, die afstammen van Israël, behoren tot Israël;
7Nem todos são filhos por serem descendência de Abraão. Mas: “Sua descendência será considerada a partir de Isaque.”
7en niet allen zijn kinderen, omdat ze zijn uit Abrahams geslacht. Integendeel: “Het kroost van Isaäk zal uw kroost worden genoemd,”
8Isto é, não são os filhos da carne que são filhos de Deus, mas os filhos da promessa são contados como herdeiros.
8dat wil zeggen: niet de kinderen naar het vlees zijn de kinderen van God, maar de kinderen der Belofte worden als kroost beschouwd.
9Pois a promessa foi esta: “No tempo determinado virei, e Sara terá um filho.”
9De Belofte nu was als volgt: “Omstreeks deze tijd zal ik terugkomen, en zal Sara een zoon hebben.”
10Não somente isso, mas Rebeca também concebeu filhos de um só homem, nosso pai Isaque.
10Maar dit staat niet alleen. Ook Rebekka werd bevrucht door één man, Isaäk, onzen Vader.
11Pois, antes que eles tivessem nascido ou feito qualquer coisa boa ou má, para que o propósito de Deus segundo a eleição permanecesse, não por obras, mas por aquele que chama,
11Welnu, toen haar kinderen nog niet waren geboren, en goed noch kwaad hadden verricht, toen reeds, -opdat Gods vrije raadsbesluit van kracht zou blijven,
12foi dito a ela: “O mais velho servirá ao mais novo.”
12dat niet afhangt van de werken, maar van Hem die roept, -toen reeds werd haar gezegd:
13Como está escrito: “Amei a Jacó, mas odiei a Esaú.”
13“De oudste zal den jongste dienen;” zoals er geschreven staat: “Jakob heb ik bemind, maar Esau heb ik gehaat.”
14O que diremos então? Há injustiça da parte de Deus? De modo nenhum!
14Wat zullen we daarop zeggen? Is er dan onrechtvaardigheid bij God? Dat nooit!
15Pois ele disse a Moisés: “Terei misericórdia de quem eu tiver misericórdia, e terei compaixão de quem eu tiver compaixão.”
15Hij zegt immers tot Moses: “Ik zal Mij ontfermen over wien Ik Mij ontfermen wil; en Mij erbarmen over wien Ik Mij erbarmen wil”.
16Assim, pois, isso não depende daquele que quer, nem daquele que corre, mas de Deus, que tem misericórdia.
16Het hangt dus niet af van hem die wil, noch van hem, die zijn krachten inspant, maar van de ontferming Gods.
17Pois a Escritura diz ao Faraó: “Foi justamente para este propósito que eu o levantei: para mostrar em você o meu poder e para que o meu nome seja proclamado em toda a terra.”
17Want de Schrift zegt tot Fárao: “Hiertoe juist heb Ik u doen optreden, opdat in u mijn macht zou blijken, en mijn Naam over heel de aarde zou worden verkondigd.”
18Assim, pois, ele tem misericórdia de quem ele quer, e endurece a quem ele quer.
18Derhalve, Hij ontfermt Zich over wien Hij wil, en Hij verhardt wien Hij wil.
19Você me dirá então: “Por que ele ainda nos culpa? Pois quem resiste à sua vontade?”
19Ge zult me dan zeggen: Wat heeft Hij dan nog verwijten te doen; wie toch weerstaat aan zijn wil?
20Mas, de fato, ó homem, quem é você para retrucar a Deus? Acaso aquilo que foi moldado dirá a quem o moldou: “Por que você me fez assim?”
20O mens, wie zijt ge dan wel, dat ge opwerpingen maakt tegen God? Zegt het beeld soms tot den boetseerder: Waarom hebt ge mij zó gemaakt?
21Ou não tem o oleiro direito sobre o barro, para da mesma massa fazer um vaso para honra e outro para desonra?
21Of is soms de pottenbakker geen baas over het leem, om uit eenzelfde massa het ene vat te maken met een eervolle, het andere met een smadelijke bestemming?
22E se Deus, querendo mostrar a sua ira e tornar conhecido o seu poder, suportou com muita paciência os vasos de ira preparados para a destruição,
22Maar wat dan, zo God met grote lankmoedigheid de vaten van gramschap heeft verdragen, gereed voor de ondergang, omdat Hij zijn gramschap wil tonen en zijn macht wil bewijzen;
23e a fim de tornar conhecidas as riquezas da sua glória nos vasos de misericórdia, que ele preparou de antemão para a glória—
23doch, om de rijkdom zijner glorie te tonen in de vaten van barmhartigheid, die Hij heeft voorbereid tot de glorie,
24a nós, a quem ele também chamou, não apenas dentre os judeus, mas também dentre os gentios?
24òns heeft geroepen niet slechts uit de Joden, maar ook uit de heidenen?
25Como ele também diz em Oseias: “Chamarei 'meu povo' àqueles que não eram meu povo; e 'amada' àquela que não era amada.”
25Zo zegt Hij ook in Osee: “Wat mijn volk niet was, zal ik mijn volk noemen; En die de geliefde niet was, den geliefde.
26“Acontecerá que no lugar onde lhes foi dito: 'Vocês não são meu povo', ali eles serão chamados 'filhos do Deus vivo'.”
26En op de plaats waar hun gezegd was: Mijn volk zijt gij niet, Daar zullen ze worden genoemd: Kinderen van den levenden God.”
27Isaías clama a respeito de Israel: “Ainda que o número dos filhos de Israel seja como a areia do mar, é o remanescente que será salvo;
27En over Israël roept Isaias het uit: “Al was het getal van Israëls zonen Als het zand van de zee, Slechts het overschot zal worden gered;
28pois ele completará a obra e a abreviará em justiça, porque o Senhor fará uma obra breve sobre a terra.”
28Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, Volkomen en snel.”
29Como Isaías disse antes: “A menos que o Senhor dos Exércitos nos tivesse deixado uma semente, teríamos nos tornado como Sodoma, e teríamos sido feitos como Gomorra.”
29Zo heeft Isaias ook voorspeld: “Zo de Heer der legerscharen Ons geen kroost had nagelaten, Dan zouden we als Sódoma zijn geworden, En aan Gomorra gelijk.”
30O que diremos então? Que os gentios, que não buscavam a justiça, alcançaram a justiça, a saber, a justiça que vem da fé;
30Wat zullen we daaruit besluiten? Dit! De heidenen, die niet naar de gerechtigheid hebben gestreefd, hebben de gerechtigheid verkregen, maar dan een gerechtigheid uit het geloof;
31mas Israel, buscando uma lei de justiça, não chegou à lei de justiça.
31maar Israël heeft gestreefd naar een wèt der gerechtigheid, doch heeft die wet niet bereikt.
32Por quê? Porque não a buscaram pela fé, mas como se fosse pelas obras da lei. Eles tropeçaram na pedra de tropeço,
32Waarom? Omdat het niet uit geloof geschiedde, maar uit kracht van de werken. Ze stieten zich aan de steen des aanstoots,
33como está escrito: “Eis que ponho em Sião uma pedra de tropeço e uma rocha de ofensa; e ninguém que nele crê será decepcionado.”
33zoals er geschreven staat: “Zie Ik stel in Sion een steen des aanstoots, En een rotsblok van ergernis; En wie in Hem gelooft, Zal niet worden beschaamd.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.