Apocalipse
Chapter 6
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Vi quando o Cordeiro abriu um dos sete selos, e ouvi um dos quatro seres viventes dizendo, como com voz de trovão: “Venha e veja!”
1Ik bleef toezien. Toen het Lam het eerste van de zeven zegels opende, hoorde ik één van de vier Dieren roepen als met de stem van de donder: “Kom uit!”
2Então apareceu um cavalo branco, e o que estava montado nele tinha um arco. Foi-lhe dada uma coroa, e ele saiu como vencedor e para vencer.
2Ik zag toe. En zie: een wit paard. En die er op zat, had een boog, en hem werd een kroon gegeven; als overwinnaar trok hij uit, om nog meer te overwinnen.
3Quando ele abriu o segundo selo, ouvi o segundo ser vivente dizendo: “Venha!”
3Toen het Lam het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede Dier roepen: “Kom uit!”
4Saiu outro cavalo, vermelho. Ao que estava montado nele foi dado poder para tirar a paz da terra, e para que matassem uns aos outros. E foi-lhe dada uma grande espada.
4En een ander paard kwam te voorschijn, vuurrood. Aan zijn berijder werd het gegeven, de vrede van de aarde weg te nemen, zodat men elkaar zou vermoorden; een groot zwaard werd hem ter hand gesteld.
5Quando ele abriu o terceiro selo, ouvi o terceiro ser vivente dizendo: “Venha e veja!” E eis um cavalo preto, e o que estava montado nele tinha uma balança na mão.
5Toen het Lam het derde zegel opende, hoorde ik het derde Dier roepen: “Kom uit!” Ik zag toe. En zie: een zwart paard; en die er op zat, had een weegschaal in zijn hand.
6Ouvi uma voz no meio dos quatro seres viventes dizendo: “Um quênice de trigo por um denário, e três quênices de cevada por um denário! E não danifique o azeite e o vinho!”
6En ik hoorde een stem te midden der vier Dieren roepen: “Een maat tarwe voor een tienling, en voor een tienling drie maten gerst; maar de olie en de wijn moogt ge niet schaden!”
7Quando ele abriu o quarto selo, ouvi o quarto ser vivente dizendo: “Venha e veja!”
7Toen het Lam het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde Dier roepen: “Kom uit!” Ik zag toe. En zie: een vaal paard; en die er op zat, heette de Dood, en de Onderwereld kwam achter hem aan.
8E eis um cavalo amarelo, e o nome do que estava montado nele era Morte. O Hades o seguia. Foi-lhe dada autoridade sobre a quarta parte da terra, para matar com a espada, com a fome, com a morte e com os animais selvagens da terra.
8En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde, om te doden met zwaard en hongersnood, met pest en wilde beesten.
9Quando ele abriu o quinto selo, vi debaixo do altar as almas daqueles que haviam sido mortos por causa da Palavra de Deus e do testemunho do Cordeiro que eles mantinham.
9En toen het Lam het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die waren geslacht om Gods woord en om de getuigenis, die ze hadden beleden.
10Eles clamaram em alta voz, dizendo: “Até quando, ó Soberano, santo e verdadeiro, não julgas e vingas o nosso sangue dos que habitam sobre a terra?”
10En ze riepen met machtige stem: Hoelang nog, o heilige, waarachtige Heer, Velt Gij geen oordeel, En wreekt Gij ons bloed niet op hen, Die de aarde bewonen?
11Uma longa veste branca foi dada a cada um deles. E foi-lhes dito que descansassem ainda por um pouco de tempo, até que seus conservos e seus irmãos completassem também a sua jornada, que também seriam mortos assim como eles foram.
11Toen werd aan ieder van hen een wit gewaad geschonken. Maar er werd hun aangezegd, dat ze nog een korte tijd moesten rusten, totdat hun mededienaars en broeders, die gedood zouden worden juist zoals zij, geheel voltallig zouden zijn.
12Vi quando ele abriu o sexto selo, e houve um grande terremoto. O sol tornou-se negro como pano de saco de crina, e toda a lua tornou-se como sangue.
12Ik bleef toezien, toen het Lam het zesde zegel opende: Een hevige aardbeving brak los; de zon werd zwart als een haren zak, de maan geheel als bloed;
13As estrelas do céu caíram sobre a terra, como a figueira deixa cair os seus figos verdes quando abalada por um vento forte.
13de sterren des hemels vielen neer op de aarde, zoals een vijgeboom zijn onrijpe vijgen laat vallen, als hij door een sterke wind wordt geschud;
14O céu se recolheu como um pergaminho que se enrola. E cada montanha e ilha foi removida do seu lugar.
14de hemel kromp samen als een boek, dat zich oprolt; alle bergen en eilanden vloden weg van hun plaats.
15Os reis da terra, os príncipes, os comandantes militares, os ricos, os fortes, e todo escravo e pessoa livre, esconderam-se nas cavernas e nas rochas das montanhas.
15En de koningen der aarde, rijksgroten en legerhoofden, rijken en machtigen, alle slaven en vrijen, ze verborgen zich in de spelonken en rotsen der bergen.
16E diziam às montanhas e às rochas: “Caiam sobre nós, e escondam-nos da presença daquele que está sentado no trono, e da ira do Cordeiro,
16En tot bergen en rotsen riepen ze uit: Valt op ons neer! Verbergt ons voor het aanschijn van Hem, die op de troon is gezeten, en voor de toorn van het Lam.
17pois chegou o grande dia da sua ira, e quem poderá subsistir?”
17Want gekomen is de groote Dag van hun toorn! En wie kan dan blijven bestaan!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.