Deuteronômio
Chapter 3
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Então nos viramos e subimos pelo caminho de Basã. Ogue, o rei de Basã, saiu contra nós, ele e todo o seu povo, para a batalha em Edrei.
1Toen wij de richting van Basjan insloegen en verder trokken, rukte Og, de koning van Basjan, met al zijn volk naar Edréi op, om ons te bestrijden.
2O SENHOR me disse: “Não tenha medo dele; pois eu o entreguei, com todo o seu povo e a sua terra, em suas mãos. Você fará com ele como fez com Seom, rei dos amorreus, que habitava em Hesbom.”
2Maar Jahweh sprak tot mij: Vrees hem niet; want Ik heb hem met al zijn volk en zijn land in uw handen geleverd. Ge moet met hem doen, zoals gij gedaan hebt met Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon woonde.
3Assim, o SENHOR, nosso Deus, também entregou em nossas mãos Ogue, o rei de Basã, e todo o seu povo. Nós o ferimos até que não lhe restasse nenhum sobrevivente.
3En Jahweh, onze God, leverde Og, den koning van Basjan, met al zijn volk in onze handen, en wij versloegen hem, zodat er niemand ontkwam.
4Tomamos todas as suas cidades naquele tempo. Não houve uma cidade que não tomássemos deles: sessenta cidades, toda a região de Argobe, o reino de Ogue em Basã.
4Wij namen toen al zijn steden in; er was geen vesting, die wij niet veroverden. Het waren zestig steden over heel de streek van Argob, dat het rijk van Og van Basjan vormde;
5Todas estas eram cidades fortificadas com altos muros, portões e trancas, além de muitíssimas aldeias sem muros.
5alle versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve nog de zeer talrijke open plaatsen.
6Nós as destruímos totalmente, como fizemos com Seom, rei de Hesbom, destruindo totalmente cada cidade habitada, com as mulheres e as crianças.
6Wij sloegen ze met de ban, zoals wij met Sichon, den koning van Chesjbon, hadden gedaan, en troffen er alle steden met mannen, vrouwen en kinderen mee.
7Mas todo o rebanho e os despojos das cidades, nós tomamos como despojo para nós mesmos.
7Al het vee met de buit van de steden behielden we voor onszelf.
8Tomamos a terra naquele tempo das mãos dos dois reis dos amorreus que estavam além do Jordão, desde o vale do Arnom até o monte Hermom.
8Zo veroverden wij toen op de beide koningen der Amorieten, die in het Overjordaanse waren, het land van de beek Arnon af tot aan het Hermongebergte,
9(Os sidônios chamam Hermom de Siriom, e os amorreus o chamam de Senir.)
9(de Sidoniërs noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten noemen hem Senir),
10Tomamos todas as cidades da planície, e todo o Gileade, e todo o Basã, até Salca e Edrei, cidades do reino de Ogue em Basã.
10met al de steden van de vlakte, van heel Gilad en Basjan tot aan Salka en Edréi toe, die tot het koninkrijk van Og van Basjan behoorden.
11(Pois somente Ogue, rei de Basã, restou do remanescente dos refains. Eis que o seu leito era um leito de ferro. Não está ele em Rabá dos filhos de Amom? Nove côvados era o seu comprimento, e quatro côvados a sua largura, segundo o côvado de um homem.)
11Og, de koning van Basjan, was de laatst overgeblevene der Refaïeten; zijn sarcofaag van bazalt bevindt zich te Rabbat-Ammon, en is negen el lang en vier el breed, naar de gewone el.
12Tomamos posse desta terra naquele tempo: desde Aroer, que está junto ao vale do Arnom, e metade da região montanhosa de Gileade com as suas cidades, eu dei aos rubenitas e aos gaditas;
12Nadat wij toen dat land in bezit hadden genomen, gaf ik het van Aroër af, dat aan de beek Arnon ligt, en de helft van het Gilad-gebergte met zijn steden aan de Rubenieten en Gadieten.
13e o restante de Gileade, e todo o Basã, o reino de Ogue, eu dei à meia tribo de Manassés — toda a região de Argobe, sim, todo o Basã. (Esta mesma é chamada a terra dos refains.
13De rest van Gilad met heel Basjan, het koninkrijk van Og, dus de hele streek Argob, gaf ik aan de halve stam van Manasse; (dit hele Basjan werd het land der Refaïeten genoemd).
14Jair, filho de Manassés, tomou toda a região de Argobe, até a fronteira dos gesuritas e dos maacatitas, e as chamou, isto é, a Basã, pelo seu próprio nome, Havote-Jair, até o dia de hoje.)
14Jaïr, de zoon van Manasse, ontving heel de streek Argob tot aan het land der Gesjoerieten en Maäkatieten, en noemde haar naar zijn naam, kampementen van Jaïr, zoals ze nu nog heten;
15Eu dei Gileade a Maquir.
15aan Makir gaf ik het ene gedeelte van Gilad.
16Aos rubenitas e aos gaditas eu dei desde Gileade até o vale do Arnom, o meio do vale, e a sua fronteira, até o rio Jaboque, que é a fronteira dos filhos de Amom;
16Aan de Rubenieten en de Gadieten gaf ik het andere gedeelte van Gilad tot de beek Arnon, halverwege die beek, welke de grens vormde, en tot aan de beek Jabbok, de grens der Ammonieten;
17também a Arabá, e o Jordão e a sua fronteira, desde Quinerete até o mar da Arabá, o Mar Salgado, sob as encostas de Pisga, para o leste.
17bovendien de Araba, met de Jordaan als grens, van Gennezaret af tot aan de Araba-Zee, de Zoutzee, onder de hellingen van de Pisga in het oosten.
18Eu lhes ordenei naquele tempo, dizendo: “O SENHOR, seu Deus, lhes deu esta terra para possuí-la. Todos vocês, homens de valor, passarão armados adiante de seus irmãos, os filhos de Israel.
18Maar ik gaf u toen het volgende bevel: Jahweh uw God, heeft u wel dit land in bezit gegeven, maar gij moet met alle weerbare mannen, welbewapend aan de spits van uw israëlietische broeders oversteken;
19Mas as suas mulheres, as suas crianças e o seu rebanho (eu sei que vocês têm muito rebanho), morarão nas suas cidades que eu lhes dei,
19alleen uw vrouwen, uw kinderen en uw vee—en ik weet, dat gij veel vee bezit—mogen achterblijven in de steden, die ik u heb gegeven.
20até que o SENHOR dê descanso aos seus irmãos, assim como a vocês, e eles também possuam a terra que o SENHOR, seu Deus, lhes dá além do Jordão. Então cada um de vocês retornará à sua própria possessão, que eu lhes dei.”
20Eerst als Jahweh aan uw broeders rust heeft verschaft, zoals aan u, en ook zij het land bezitten, dat Jahweh, uw God, hun aan de overzijde van de Jordaan zal schenken, mag ieder van u terugkeren naar zijn bezit, dat ik hem heb gegeven.
21Eu ordenei a Josué naquele tempo, dizendo: “Os seus olhos viram tudo o que o SENHOR, seu Deus, fez a estes dois reis. Assim o SENHOR fará a todos os reinos para onde você for.
21Ik heb toen Josuë bevolen: Met eigen ogen hebt ge alles aanschouwd, wat Jahweh, uw God, met deze twee koningen heeft gedaan. Zo zal Jahweh ook met alle koninkrijken doen, waartegen gij optrekt.
22Não tenham medo deles; pois o próprio SENHOR, seu Deus, luta por vocês.”
22Vrees hen dus niet; want Jahweh, uw God, zal zelf voor u strijden.
23Eu implorei a DEUS naquele tempo, dizendo:
23Ik bad toen Jahweh nog om ontferming, en sprak:
24“Senhor DEUS, tu começaste a mostrar ao teu servo a tua grandeza e a tua mão forte. Pois que deus há no céu ou na terra que possa fazer obras como as tuas, e atos poderosos como os teus?
24Jahweh, mijn Heer, Gij zijt begonnen uw dienaar uw grootheid en uw krachtige hand te laten aanschouwen; want welke God in de hemel of op de aarde wrocht zulke werken en machtige daden als Gij?
25Por favor, deixa-me atravessar e ver a boa terra que está além do Jordão, aquela bela região montanhosa, e o Líbano.”
25Ach, laat mij naar de overkant trekken, en het heerlijke land aanschouwen, aan de andere zijde van de Jordaan, dat schone gebergte met de Libanon.
26Mas o SENHOR estava irado comigo por causa de vocês, e não me ouviu. O SENHOR me disse: “Basta! Não me fale mais sobre este assunto.
26Maar Jahweh bleef vergramd tegen mij om uwentwil, en wilde niet naar mij horen. En Jahweh sprak tot mij: Genoeg, ge moogt er Mij niet meer over spreken.
27Suba ao topo de Pisga, e levante os seus olhos para o oeste, para o norte, para o sul e para o leste, e veja com os seus olhos; pois você não atravessará este Jordão.
27Bestijg de top van de Pisga, sla uw ogen op naar het westen en noorden, het zuiden en oosten; ge moogt het aanschouwen, maar gij zult de Jordaan niet oversteken.
28Mas comissione a Josué, encoraje-o e fortaleça-o; pois ele atravessará adiante deste povo, e ele os fará herdar a terra que você verá.”
28Draag het bevel over aan Josuë, bemoedig en sterk hem, want hij zal aan de spits van dit volk naar de overkant trekken en hen in bezit stellen van het land dat gij ziet
29Então ficamos no vale perto de Bete-Peor.
29Zo bleven we in de vallei tegenover Bet-Peor.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.