5 Mojžíšova
Chapter 3
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

5 Mojžíšova 3

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Potom obrátivše se, táhli jsme cestou k Bázan. I vytáhl Og, král Bázan, proti nám, on i všecken lid jeho k bitvě do Edrei.
1Toen wij de richting van Basjan insloegen en verder trokken, rukte Og, de koning van Basjan, met al zijn volk naar Edréi op, om ons te bestrijden.
2I řekl mi Hospodin: Neboj se ho, nebo v ruce tvé dal jsem jej, i všecken lid jeho i zemi jeho, a učiníš jemu tak, jako jsi učinil Seonovi, králi Amorejskému, kterýž bydlil v Ezebon.
2Maar Jahweh sprak tot mij: Vrees hem niet; want Ik heb hem met al zijn volk en zijn land in uw handen geleverd. Ge moet met hem doen, zoals gij gedaan hebt met Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon woonde.
3Dal tedy Hospodin Bůh náš v ruce naše i Oga, krále Bázan, a všecken lid jeho, i porazili jsme jej, tak že jsme nepozůstavili po něm žádného živého.
3En Jahweh, onze God, leverde Og, den koning van Basjan, met al zijn volk in onze handen, en wij versloegen hem, zodat er niemand ontkwam.
4Dobyli jsme také téhož času všech měst jeho; nebylo města, kteréhož bychom jim neodjali, šedesáte měst, všecku krajinu Argob, království Oga v Bázan.
4Wij namen toen al zijn steden in; er was geen vesting, die wij niet veroverden. Het waren zestig steden over heel de streek van Argob, dat het rijk van Og van Basjan vormde;
5Všecka ta města byla ohražená zdmi vysokými, branami a závorami, kromě měst otevřených, jichž bylo velmi mnoho.
5alle versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve nog de zeer talrijke open plaatsen.
6A vyplénili jsme je, jako jsme učinili Seonovi, králi Ezebon, vyhladivše všecka města, muže, ženy i dítky.
6Wij sloegen ze met de ban, zoals wij met Sichon, den koning van Chesjbon, hadden gedaan, en troffen er alle steden met mannen, vrouwen en kinderen mee.
7Všecka pak hovada a kořisti měst rozebrali jsme sobě.
7Al het vee met de buit van de steden behielden we voor onszelf.
8Vzali jsme také téhož času zemi z ruky dvou králů Amorejských, kteráž byla před Jordánem, od potoku Arnon až k hoře Hermon,
8Zo veroverden wij toen op de beide koningen der Amorieten, die in het Overjordaanse waren, het land van de beek Arnon af tot aan het Hermongebergte,
9(Sidonští říkají Hermonu Sarion, a Amorejští říkají jemu Sanir),
9(de Sidoniërs noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten noemen hem Senir),
10Všecka města v kraji, a všecken Galád, a všecken Bázan až do Sálecha a Edrei, kteráž byla města království Og v Bázan.
10met al de steden van de vlakte, van heel Gilad en Basjan tot aan Salka en Edréi toe, die tot het koninkrijk van Og van Basjan behoorden.
11Sám toliko Og, král v Bázan, z jiných obrů byl pozůstal. Aj, lůže jeho, lůže železné, ještě zůstává v Rabbat synů Ammon, devíti loktů zdýlí, a čtyř loket zšíří, jakž jest loket muže.
11Og, de koning van Basjan, was de laatst overgeblevene der Refaïeten; zijn sarcofaag van bazalt bevindt zich te Rabbat-Ammon, en is negen el lang en vier el breed, naar de gewone el.
12Když tedy zemi tu obdrželi jsme dědičně toho času, krajinu od Aroer, jenž jest při potoku Arnon, a polovici hory Galád i města její, dal jsem pokolení Ruben a Gád.
12Nadat wij toen dat land in bezit hadden genomen, gaf ik het van Aroër af, dat aan de beek Arnon ligt, en de helft van het Gilad-gebergte met zijn steden aan de Rubenieten en Gadieten.
13Ostatek pak Galád a všecku zemi Bázan, království Oga, dal jsem polovici pokolení Manassesova, totiž všecku krajinu Argob, všecku Bázan, kteráž sloula země obrů.
13De rest van Gilad met heel Basjan, het koninkrijk van Og, dus de hele streek Argob, gaf ik aan de halve stam van Manasse; (dit hele Basjan werd het land der Refaïeten genoemd).
14Jair, syn Manasse, vzal všecku krajinu Argob, až ku pomezí Gessuri a Machati; pročež nazval zemi Bázan od jména svého Havot Jair až do dnešního dne.
14Jaïr, de zoon van Manasse, ontving heel de streek Argob tot aan het land der Gesjoerieten en Maäkatieten, en noemde haar naar zijn naam, kampementen van Jaïr, zoals ze nu nog heten;
15Machirovi pak dal jsem Galád.
15aan Makir gaf ik het ene gedeelte van Gilad.
16A Rubenovu a Gádovu pokolení dal jsem krajinu od Galád až ku potoku Arnon, polovici potoka s pomezím až ku potoku Jabok, kdež jsou hranice synů Ammonitských,
16Aan de Rubenieten en de Gadieten gaf ik het andere gedeelte van Gilad tot de beek Arnon, halverwege die beek, welke de grens vormde, en tot aan de beek Jabbok, de grens der Ammonieten;
17A roviny tyto i Jordán s pomezím od Ceneret až k moři pustému, jenž jest moře slané, ležící pod horou Fazga k východu.
17bovendien de Araba, met de Jordaan als grens, van Gennezaret af tot aan de Araba-Zee, de Zoutzee, onder de hellingen van de Pisga in het oosten.
18A přikázal jsem vám toho času, řka: Hospodin Bůh váš dal vám zemi tuto, abyste ji dědičně obdrželi; vezmouce odění na sebe, půjdete před bratřími vašimi, syny Izraelskými, kteřížkoli silní jste.
18Maar ik gaf u toen het volgende bevel: Jahweh uw God, heeft u wel dit land in bezit gegeven, maar gij moet met alle weerbare mannen, welbewapend aan de spits van uw israëlietische broeders oversteken;
19Toliko ženy vaše a dítky vaše, a dobytek váš, (nebo vím, že mnoho dobytka máte,) zůstanou v městech vašich, kteráž jsem dal vám,
19alleen uw vrouwen, uw kinderen en uw vee—en ik weet, dat gij veel vee bezit—mogen achterblijven in de steden, die ik u heb gegeven.
20Dokudž by nedal odpočinutí Hospodin bratřím vašim jako i vám, aby i oni dědičně obdrželi zemi, kterouž Hospodin Bůh váš dává jim za Jordánem; tedy navrátíte se jeden každý k dědictví svému, kteréž jsem dal vám.
20Eerst als Jahweh aan uw broeders rust heeft verschaft, zoals aan u, en ook zij het land bezitten, dat Jahweh, uw God, hun aan de overzijde van de Jordaan zal schenken, mag ieder van u terugkeren naar zijn bezit, dat ik hem heb gegeven.
21Také i Jozue přikázal jsem toho času, řka: Oči tvé vidí všecko, co učinil Hospodin Bůh váš těm dvěma králům; takť učiní Hospodin všechněm královstvím, do kterýchž ty půjdeš.
21Ik heb toen Josuë bevolen: Met eigen ogen hebt ge alles aanschouwd, wat Jahweh, uw God, met deze twee koningen heeft gedaan. Zo zal Jahweh ook met alle koninkrijken doen, waartegen gij optrekt.
22Nebojtež se jich, nebo Hospodin Bůh váš, onť jest, kterýž bojuje za vás.
22Vrees hen dus niet; want Jahweh, uw God, zal zelf voor u strijden.
23A tehdáž prosil jsem Hospodina, řka:
23Ik bad toen Jahweh nog om ontferming, en sprak:
24Panovníče Hospodine, ty jsi počal ukazovati služebníku svému velikost svou a ruku svou přesilnou; nebo kdo jest Bůh silný na nebi aneb na zemi, ješto by činiti mohl skutky podobné tvým, a moci podobné tobě?
24Jahweh, mijn Heer, Gij zijt begonnen uw dienaar uw grootheid en uw krachtige hand te laten aanschouwen; want welke God in de hemel of op de aarde wrocht zulke werken en machtige daden als Gij?
25Prosím, nechť vejdu a uzřím zemi tu výbornou, kteráž jest za Jordánem, horu tu výbornou i Libán.
25Ach, laat mij naar de overkant trekken, en het heerlijke land aanschouwen, aan de andere zijde van de Jordaan, dat schone gebergte met de Libanon.
26Pohnul se pak Hospodin na mne pro vás a neuslyšel mne, ale řekl mi: Dosti máš, nemluv více o to se mnou.
26Maar Jahweh bleef vergramd tegen mij om uwentwil, en wilde niet naar mij horen. En Jahweh sprak tot mij: Genoeg, ge moogt er Mij niet meer over spreken.
27Vstup na vrch hory Fazga, a pozdvihna očí svých k západu a k půlnoci, ku poledni i k východu, hleď očima svýma; nebo nepřejdeš Jordánu tohoto.
27Bestijg de top van de Pisga, sla uw ogen op naar het westen en noorden, het zuiden en oosten; ge moogt het aanschouwen, maar gij zult de Jordaan niet oversteken.
28Ale přikaž Jozue, a posilň ho, i potvrď ho; nebo půjde před lidem tímto, a on uvede jim v dědictví zemi, kterouž uzříš.
28Draag het bevel over aan Josuë, bemoedig en sterk hem, want hij zal aan de spits van dit volk naar de overkant trekken en hen in bezit stellen van het land dat gij ziet
29I zůstali jsme v údolí naproti Betfegor.
29Zo bleven we in de vallei tegenover Bet-Peor.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.