Deuteronômio 26
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Quando você entrar na terra que o SENHOR, o seu Deus, lhe dá por herança, tomar posse dela e nela habitar,
1Wanneer gij in het land zijt gekomen, dat Jahweh, uw God, u als erfdeel zal geven, en gij het in bezit hebt genomen en het bewoont,
2você pegará das primícias de todos os frutos da terra, que colher da sua terra que o SENHOR, o seu Deus, lhe dá. Você as colocará em um cesto e irá ao lugar que o SENHOR, o seu Deus, escolher para ali fazer habitar o seu nome.
2dan moet ge een keuze doen uit de eerstelingen van alle veldvruchten, die gij oogst van het land, dat Jahweh, uw God, u zal schenken; ge moet ze in een korf leggen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen.
3Você irá ao sacerdote que estiver em ofício naqueles dias e lhe dirá: “Declaro hoje ao SENHOR, o seu Deus, que entrei na terra que o SENHOR jurou aos nossos pais que nos daria.”
3Ge moet u dan bij den priester vervoegen, die er in die dagen zal zijn, en hem zeggen: Ik betuig heden voor Jahweh, mijn God, dat ik in het land ben gekomen, dat Jahweh aan onze vaderen onder ede beloofd heeft, ons te geven!
4O sacerdote pegará o cesto da sua mão e o colocará diante do altar do SENHOR, o seu Deus.
4Dan zal de priester de korf aannemen, en voor het altaar van Jahweh, uw God, neerzetten.
5Você responderá e dirá diante do SENHOR, o seu Deus: “Meu pai era um arameu prestes a perecer. Ele desceu ao Egito e viveu lá, sendo poucos em número. Lá ele se tornou uma nação grande, poderosa e populosa.
5Vervolgens moet gij voor het aanschijn van Jahweh, uw God, plechtig betuigen: Mijn vader was een ronddolend Arameër, die met slechts enkele mensen naar Egypte is afgezakt, maar terwijl hij daar als vreemdeling vertoefde, tot een groot, machtig en talrijk volk is aangegroeid.
6Os egípcios nos maltrataram, nos afligiram e nos impuseram trabalho duro.
6En toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten, ons onder zware arbeid gebukt deden gaan,
7Então clamamos ao SENHOR, o Deus de nossos pais. O SENHOR ouviu a nossa voz e viu a nossa aflição, o nosso trabalho árduo e a nossa opressão.
7riepen wij tot Jahweh, den God onzer vaderen; Jahweh verhoorde ons, en zag onze vernedering, ellende en verdrukking.
8O SENHOR nos tirou do Egito com mão poderosa, com braço estendido, com grande terror, com sinais e com maravilhas;
8En Jahweh heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand en gespierde arm, onder grote verschrikking, onder tekenen en wonderen.
9e ele nos trouxe a este lugar e nos deu esta terra, uma terra que mana leite e mel.
9Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land, dat druipt van melk en honing.
10Agora, eis que trouxe as primícias dos frutos da terra que tu, ó SENHOR, me deste.” Você as colocará diante do SENHOR, o seu Deus, e adorará diante do SENHOR, o seu Deus.
10Zie, daarom breng ik hier de eerstelingen van de grond, die Gij, Jahweh, mij hebt geschonken. Dan moet ge de korf voor het aanschijn van Jahweh, uw God, laten staan, en na Jahweh, uw God, te hebben aanbeden,
11Você se alegrará por todo o bem que o SENHOR, o seu Deus, tem dado a você e à sua casa, você, o levita e o estrangeiro que está no meio de você.
11vrolijk zijn met den leviet en den vreemdeling, die in uw midden woont, over al het goede, dat Jahweh, uw God, u en uw gezin heeft geschonken.
12Quando você terminar de separar todos os dízimos da sua colheita no terceiro ano, que é o ano dos dízimos, então você os dará ao levita, ao estrangeiro, ao órfão e à viúva, para que comam dentro das suas portas e se fartem.
12Wanneer gij in het derde jaar, het jaar van de tienden, de hele tiende van uw opbrengst hebt afgeleverd, en ze den leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe hebt gegeven, om ze in uw woonplaats te eten en zich te verzadigen,
13Você dirá diante do SENHOR, o seu Deus: “Tirei as coisas santas da minha casa e também as dei ao levita, ao estrangeiro, ao órfão e à viúva, de acordo com todo o mandamento que me ordenaste. Não transgredi nenhum dos teus mandamentos, nem me esqueci deles.
13dan moet gij getuigen voor het aanschijn van Jahweh, uw God: Ik heb de heilige gaven uit mijn huis gebracht, en ze den leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe gegeven, geheel overeenkomstig uw gebod, dat Gij mij hebt gegeven. Ik heb uw geboden niet overtreden of vergeten.
14Não comi disso no meu luto, nem tirei nada disso enquanto estava impuro, nem dei disso para os mortos. Ouvi a voz do SENHOR, o meu Deus. Fiz de acordo com tudo o que me ordenaste.
14Ik heb er niet van gegeten tijdens mijn rouw, er niets van weggebracht in staat van onreinheid, en er niets van aan een dode gegeven; ik ben gehoorzaam geweest aan Jahweh, mijn God, en heb alles gedaan, wat Gij mij hebt geboden.
15Olha para baixo desde a tua santa habitação, desde os céus, e abençoa o teu povo Israel e a terra que nos deste, como juraste aos nossos pais, uma terra que mana leite e mel.”
15Zie neer uit de hemel, uw heilige woning, en zegen uw volk Israël en het land, dat Gij ons hebt gegeven, zoals Gij het aan onze vaders onder ede beloofd hebt, het land, dat druipt van melk en honing.
16Hoje o SENHOR, o seu Deus, lhe ordena que cumpra estes estatutos e ordenanças. Portanto, você os guardará e os cumprirá com todo o seu coração e com toda a sua alma.
16Heden beveelt u Jahweh, uw God, al deze bepalingen en voorschriften te volbrengen; gij moet ze dus met heel uw hart en heel uw ziel getrouw onderhouden.
17Você declarou hoje que o SENHOR é o seu Deus, e que andaria nos seus caminhos, guardaria os seus estatutos, os seus mandamentos e as suas ordenanças, e ouviria a sua voz.
17Gij hebt heden aan Jahweh laten betuigen, dat Hij uw God zal zijn, dat gij zijn wegen wilt bewandelen, zijn bepalingen. geboden en voorschriften onderhouden, en wilt luisteren naar zijn stem.
18O SENHOR declarou hoje que você é um povo para a sua própria possessão, como ele lhe prometeu, e que você deve guardar todos os seus mandamentos.
18En Jahweh heeft heden aan u laten betuigen, dat gij zijn volk en zijn eigendom zult zijn, zoals Hij het u heeft beloofd, zo gij al zijn geboden onderhoudt;
19Ele o exaltará acima de todas as nações que ele fez, em louvor, em nome e em honra, e para que você seja um povo santo para o SENHOR, o seu Deus, como ele falou.
19dat Hij u in eer, glorie en roem hoog boven alle volken zal verheffen, die Hij heeft gemaakt, en dat gij een volk zult zijn, dat aan Jahweh, uw God, blijft gewijd, zoals Hij beloofd heeft.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.