Deuteronômio 29
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Estas são as palavras da aliança que o SENHOR ordenou que Moisés fizesse com os filhos de Israel na terra de Moabe, além da aliança que fez com eles em Horebe.
1Dit zijn de woorden van het Verbond, dat Jahweh Moses beval, met de Israëlieten te sluiten in het land van Moab, behalve het Verbond, dat Hij met hen op de Horeb gesloten had.
2Moisés chamou a todo o Israel e lhes disse: Seus olhos viram tudo o que o SENHOR fez na terra do Egito a Faraó, a todos os seus servos e a toda a sua terra;
2Nu riep Moses heel Israël bijeen, en sprak tot hen: Zelf hebt gij alles gezien, wat Jahweh voor uw ogen in Egypte aan Farao, zijn dienaars en heel zijn land heeft gedaan:
3as grandes provas que os seus olhos viram, os sinais e aquelas grandes maravilhas.
3de grote rampen, de tekenen en machtige wonderen, die gij met eigen ogen hebt aanschouwd.
4Mas até o dia de hoje o SENHOR não lhes deu um coração para entender, olhos para ver e ouvidos para ouvir.
4Maar Jahweh heeft u tot heden toe geen hart gegeven om te verstaan, geen ogen om te zien, geen oren om te horen.
5Eu os conduzi por quarenta anos no deserto. Suas roupas não se gastaram sobre vocês, e suas sandálias não se gastaram nos seus pés.
5Ik heb u veertig jaren lang door de woestijn geleid; de kleren zijn niet aan uw lijf, de schoenen niet aan uw voeten versleten;
6Vocês não comeram pão, nem beberam vinho ou bebida forte, para que soubessem que eu sou o SENHOR, o seu Deus.
6ge hebt geen brood hoeven te eten en geen wijn of sterke drank hoeven te drinken, opdat gij zoudt weten, dat Ik, Jahweh, uw God ben!
7Quando vocês chegaram a este lugar, Seom, rei de Hesbom, e Ogue, rei de Basã, saíram contra nós para a batalha, e nós os derrotamos.
7En toen gij op deze plaats waart gekomen, en Sichon, de koning van Chesjbon, en Og, de koning van Basjan, tegen ons ten strijde waren getrokken, versloegen wij hen,
8Tomamos a sua terra e a demos por herança aos rubenitas, aos gaditas e à meia tribo dos manassitas.
8namen hun land in bezit, en gaven het als erfdeel aan de zonen van Ruben en Gad en aan de halve stam van Manasse.
9Portanto, guardem as palavras desta aliança e as cumpram, para que vocês prosperem em tudo o que fizerem.
9Onderhoudt dus zorgvuldig de woorden van dit Verbond, opdat ge voorspoed moogt hebben bij al wat ge doet.
10Todos vocês estão hoje na presença do SENHOR, o seu Deus: seus chefes, suas tribos, seus anciãos e seus oficiais, sim, todos os homens de Israel,
10Heden staat gij allen voor het aanschijn van Jahweh, uw God: met uw hoofden en rechters, uw oudsten en leiders, met alle mannen van Israël,
11suas crianças, suas esposas e os estrangeiros que estão no meio dos seus acampamentos, desde o que corta a sua lenha até o que tira a sua água,
11met uw kinderen en vrouwen, met uw vreemdelingen, die in uw kamp vertoeven, van uw houthakker af tot uw waterdrager toe.
12para que vocês entrem na aliança do SENHOR, o seu Deus, e no seu juramento, que o SENHOR, o seu Deus, faz com vocês hoje,
12Thans treedt gij toe tot het Verbond van Jahweh, uw God, en tot het eedverdrag, dat Jahweh, uw God, met u sluit,
13para que ele os estabeleça hoje como seu povo, e para que ele seja o seu Deus, como lhes falou e como jurou aos seus pais, a Abraão, a Isaque e a Jacó.
13om u heden tot zijn volk te verheffen en uw God te zijn, zoals Hij het u heeft beloofd en aan uw vaderen, aan Abraham, Isaäk en Jakob gezworen heeft.
14E não é somente com vocês que faço esta aliança e este juramento,
14Maar niet met u alleen sluit Ik dit Verbond en dit eedverdrag,
15mas com aqueles que estão aqui conosco hoje perante o SENHOR, o nosso Deus, e também com aqueles que não estão aqui conosco hoje
15maar zowel met hen, die thans met ons staan voor het aanschijn van Jahweh, onzen God, als met hen, die heden hier niet met ons zijn.
16(pois vocês sabem como vivemos na terra do Egito, e como passamos pelo meio das nações pelas quais vocês transitaram;
16Gij weet toch, hoe wij in het land van Egypte hebben vertoefd, en midden door de volken gezworven, waar gij doorheen zijt gekomen,
17e vocês viram as suas abominações e os seus ídolos de madeira, pedra, prata e ouro, que havia entre eles);
17hoe gij hun gruwelen hebt moeten aanschouwen, en hun schandgoden van hout en steen, van zilver en goud, die zij hadden.
18para que não haja entre vocês homem, mulher, família ou tribo cujo coração se desvie hoje do SENHOR, o nosso Deus, para ir servir aos deuses daquelas nações; para que não haja entre vocês uma raiz que produza veneno amargo;
18Moge er heden onder u geen man en geen vrouw, geen geslacht en geen stam zijn, die zijn hart afwendt van Jahweh, onzen God, om de goden van die volken te gaan dienen, en moge er onder u geen wortel zijn, die gift en bitterheid doet ontspruiten.
19e aconteça que, ao ouvir as palavras desta maldição, ele se abençoe em seu coração, dizendo: “Terei paz, ainda que eu ande na teimosia do meu coração”, para destruir o úmido com o seco.
19En wanneer iemand de woorden van dit eedverdrag hoort en zichzelf in stilte gelukkig durft prijzen en zegt: “Ik zal vrede genieten, hoewel ik wandel in de verstoktheid mijns harten!” en hij zo de oorzaak wordt, dat het besproeide met het dorstige wordt uitgerukt,
20O SENHOR não o perdoará, mas então a ira do SENHOR e o seu zelo fumegarão contra esse homem, e toda a maldição que está escrita neste livro cairá sobre ele, e o SENHOR apagará o seu nome de debaixo do céu.
20dan zal Jahweh het hem nimmer willen vergeven; maar Jahweh’s toorn en ijverzucht zullen tegen zo iemand ontbranden, en al de vervloekingen, die in dit boek staan beschreven, zullen hem verpletteren. Jahweh zal zijn naam wegvagen onder de hemel,
21O SENHOR o separará para o mal dentre todas as tribos de Israel, de acordo com todas as maldições da aliança escritas neste livro da lei.
21hem uit alle stammen van Israël afzonderen, om hem in het verderf te storten, naar alle vervloekingen van het Verbond, die in dit boek staan beschreven.
22A geração futura — os seus filhos que se levantarão depois de vocês, e o estrangeiro que virá de uma terra distante — dirá, ao ver as pragas daquela terra e as doenças com as quais o SENHOR a fez adoecer,
22En wanneer het toekomstige geslacht, uw zonen die na u opstaan, en de buitenlander, die uit een ver land is gekomen, de plagen van dit land zullen zien, en de ziekten, waarmee Jahweh het teistert, dan zullen ze zeggen:
23que toda a sua terra é enxofre, sal e terra queimada, que não é semeada, não produz, nem cresce nela erva alguma, como a destruição de Sodoma, Gomorra, Admá e Zeboim, que o SENHOR destruiu na sua ira e no seu furor.
23Heel het land is zwavel en zout en een brandende puinhoop; niets kan er worden gezaaid, niets schiet er op en geen kruid kan er groeien; het is een verwoesting als van Sodoma en Gomorra, Adma en Seboïm, die Jahweh in zijn gramschap en woede ten onderste boven gekeerd heeft.
24Até mesmo todas as nações dirão: “Por que o SENHOR fez isso a esta terra? O que significa o ardor desta grande ira?”
24En als al de volken zullen vragen: Waarom heeft Jahweh dit land zo behandeld, en waarom is deze grimmige toorn ontstoken?
25Então os homens dirão: “Porque abandonaram a aliança do SENHOR, o Deus dos seus pais, que ele fez com eles quando os tirou da terra do Egito,
25Dan zal men antwoorden: “Omdat zij het Verbond van Jahweh, den God hunner vaderen, hebben verzaakt, dat Hij met hen had gesloten, toen Hij hen uit het land van Egypte leidde;
26e foram e serviram a outros deuses e os adoraram, deuses que eles não conheciam e que ele não lhes tinha dado.
26omdat zij vreemde goden hebben gevolgd en gediend, en goden hebben vereerd, die zij niet hadden gekend, en die Hij hun niet had gegeven:
27Portanto, a ira do SENHOR se acendeu contra esta terra, para trazer sobre ela todas as maldições que estão escritas neste livro.
27daarom is de toorn van Jahweh losgebarsten over dit land, en heeft Hij alle vervloekingen er over uitgestort, die in dit boek staan beschreven;
28O SENHOR os arrancou da sua terra com ira, com furor e com grande indignação, e os lançou em outra terra, como se vê no dia de hoje.”
28daarom heeft Jahweh ze in zijn toorn en gramschap en zijn grimmige woede weggerukt van hun grond, en ze weggeslingerd naar een ander land, waar ze heden nog zijn!”
29As coisas encobertas pertencem ao SENHOR, o nosso Deus; mas as coisas reveladas pertencem a nós e aos nossos filhos para sempre, para que cumpramos todas as palavras desta lei.
29Wat verborgen is, ligt bij Jahweh, onzen God; maar wat geopenbaard is, blijft eeuwig voor ons en onze kinderen van kracht, opdat wij alle woorden van deze Wet onderhouden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.