2 Samuel 19
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Disseram a Joabe: “Eis que o rei chora e lamenta por Absalão.”
1Men berichtte aan Joab, dat de koning weende en weeklaagde over Absalom.
2A vitória daquele dia se transformou em luto para todo o povo, pois o povo ouviu dizer naquele dia: “O rei está de luto por seu filho.”
2En de overwinning van die dag veranderde in rouw voor heel het volk, daar het volk die dag had vernomen, dat de koning bedroefd was om zijn zoon.
3O povo entrou furtivamente na cidade naquele dia, como pessoas que se escondem de vergonha quando fogem da batalha.
3Tersluiks sloop het volk die dag de stad binnen, zoals volk komt binnensluipen, dat zich moet schamen, omdat het in de strijd is gevlucht.
4O rei cobriu o rosto, e o rei clamou em alta voz: “Meu filho Absalão, Absalão, meu filho, meu filho!”
4Maar de koning hield zijn gelaat bedekt en bleef luidkeels wenen: Mijn zoon, Absalom, Absalom mijn zoon, mijn zoon!
5Joabe entrou na casa do rei, e disse: “Hoje você cobriu de vergonha os rostos de todos os seus servos que hoje salvaram a sua vida, e as vidas dos seus filhos e das suas filhas, e as vidas das suas esposas, e as vidas das suas concubinas;
5Daarom ging Joab bij den koning binnen en sprak: Vandaag hebt gij al uw aanhangers teleurgesteld: de mensen, die heden het leven gered hebben van u, van uw zonen en dochters en van uw vrouwen en bijvrouwen!
6visto que você ama os que o odeiam e odeia os que o amam. Pois você declarou hoje que os líderes e os servos não são nada para você. Pois hoje eu percebo que, se Absalão estivesse vivo e todos nós tivéssemos morrido hoje, então isso lhe teria agradado muito.
6Die u haten, trekt ge voor; die van u houden stelt ge achter. Vandaag hebt ge laten merken, dat legeroversten en soldaten bij u niet in tel zijn. Heden heb ik begrepen, dat het u dán naar de zin zou zijn, als Absalom leefde, en wij allen vandaag maar waren gesneuveld!
7Agora, portanto, levante-se, saia e fale para encorajar os seus servos; pois eu juro pelo SENHOR, se você não sair, nenhum homem ficará com você esta noite. E isso seria pior para você do que todo o mal que lhe sobreveio desde a sua juventude até agora.”
7Welnu dan, sta op, ga naar buiten, en spreek uw mannen vriendelijk toe. Want ik zweer u bij Jahweh; als ge niet naar buiten gaat, blijft er vannacht geen man bij u! Dat zou een grotere ramp voor u zijn, dan al het onheil, dat u van uw jeugd af tot vandaag heeft getroffen.
8Então o rei se levantou e sentou-se à porta da cidade. Informaram a todo o povo: “Eis que o rei está sentado à porta.” Então todo o povo veio perante o rei. Ora, os israelitas haviam fugido, cada homem para a sua tenda.
8Nu stond de koning op en nam plaats in de poort. En toen heel het volk de tijding vernam, dat de koning in de poort had plaats genomen, liep al het volk voor den koning te hoop.
9Todo o povo estava em conflito por todas as tribos de Israel, dizendo: “O rei nos livrou das mãos dos nossos inimigos, e nos salvou das mãos dos filisteus; e agora ele fugiu da terra por causa de Absalão.
9Nadat de Israëlieten dus allen naar hun woonplaatsen waren gevlucht, ontstond er onder alle stammen van Israël een algemene ontevredenheid. Men zeide: De koning heeft ons uit de hand van onze vijanden bevrijd en ons gered uit de hand der Filistijnen; en toch heeft hij voor Absalom uit het land moeten vluchten.
10Absalão, a quem ungimos sobre nós, morreu na batalha. Agora, portanto, por que vocês não dizem uma só palavra sobre trazer o rei de volta?”
10Maar nu is Absalom, dien we tot koning gezalfd hebben, in de strijd gesneuveld. Waarom draalt gij dan nog, om den koning terug te halen naar zijn paleis?
11O rei Davi mandou dizer aos sacerdotes Zadoque e Abiatar: “Falem aos anciãos de Judá, dizendo: 'Por que vocês seriam os últimos a trazer o rei de volta para a sua casa, uma vez que o clamor de todo o Israel chegou ao rei para o trazer de volta à sua casa?
11Toen koning David van die stemming onder heel Israël hoorde, liet hij aan de priesters Sadok en Ebjatar weten: Gij moet tot de oudsten van Juda zeggen: Waarom zoudt gij de laatsten zijn, om den koning terug te halen naar zijn paleis?
12Vocês são os meus irmãos. Vocês são os meus ossos e a minha carne. Por que então seriam os últimos a trazer o rei de volta?'
12Gij zijt mijn broeders, gij zijt mijn vlees en bloed; waarom zoudt gij dan de laatsten zijn, om den koning terug te halen?
13Digam a Amasa: 'Você não é meus ossos e minha carne? Que Deus me faça assim, e muito mais, se você não for comandante do exército diante de mim continuamente em lugar de Joabe.'”
13En tot Amasa moet gij zeggen: Ook gij zijt mijn vlees en bloed. God moge zo met mij doen en nog erger: gij zult voortaan als legeroverste in mijn dienst staan, in plaats van Joab.
14Ele inclinou o coração de todos os homens de Judá, como se fossem um só homem, de modo que mandaram dizer ao rei: “Volte, você e todos os seus servos.”
14Zo won hij het hart van alle Judeërs, en ze vroegen eensgezind aan den koning: Kom terug met heel uw aanhang!
15Assim o rei voltou e chegou ao Jordão. Judá foi a Gilgal para sair ao encontro do rei, para trazer o rei do outro lado do Jordão.
15Toen begaf de koning zich op de terugweg, en bereikte de Jordaan. En de Judeërs waren naar Gilgal gekomen, om den koning tegemoet te gaan, en hem te helpen bij zijn overtocht over de Jordaan.
16Simei, filho de Gera, o benjamita, que era de Baurim, apressou-se e desceu com os homens de Judá ao encontro do rei Davi.
16Behalve de Judeërs had ook Sjimi, de zoon van Gera, de Benjamiet uit Bachoerim, zich haastig op weg begeven, en was koning David
17Havia com ele mil homens de Benjamim, e Ziba, o servo da casa de Saul, e os seus quinze filhos e os seus vinte servos com ele; e eles atravessaram o Jordão na presença do rei.
17met duizend man uit Benjamin tegemoet getrokken. Ook Sjiba, de dienaar van het huis van Saul, spoedde zich met zijn vijftien zonen en twintig knechten naar den koning bij de Jordaan,
18Um barco de travessia foi para trazer a família do rei, e para fazer o que ele achasse bom. Simei, filho de Gera, prostrou-se diante do rei quando este havia atravessado o Jordão.
18en stak de overgang over, om de koninklijke familie bij de overtocht te helpen en naar ‘s konings wensen te handelen. Toen Sjimi, de zoon van Gera, de Jordaan was overgestoken, viel hij voor den koning neer,
19Ele disse ao rei: “Não me impute iniquidade o meu senhor, nem se lembre do que o seu servo fez de perverso no dia em que o meu senhor, o rei, saiu de Jerusalém, para que o rei não leve isso a peito.
19en sprak tot den koning: Moge mijn heer mij de schuld niet aanrekenen, en niet denken aan wat uw dienaar misdaan heeft, toen mijn heer en koning uit Jerusalem trok. Dat de koning er geen aandacht aan schenke;
20Pois o seu servo sabe que pecou. Portanto, eis que cheguei hoje como o primeiro de toda a casa de José a descer ao encontro do meu senhor, o rei.”
20want uw dienaar weet, dat hij misdaan heeft. Daarom ben ik nu ook de eerste van heel het huis Josef, die mijn heer en koning tegemoet is gesneld.
21Mas Abisai, filho de Zeruia, respondeu: “Simei não deveria ser morto por isso, porque amaldiçoou o ungido do SENHOR?”
21Abisjai, de zoon van Seroeja, verzette zich ertegen en zeide: Neen, Sjimi moet sterven, omdat hij den gezalfde van Jahweh gevloekt heeft!
22Davi disse: “O que tenho eu com vocês, filhos de Zeruia, para que hoje se tornem adversários para mim? Acaso algum homem será morto hoje em Israel? Pois não sei eu que hoje sou rei sobre Israel?”
22Maar David sprak: Wat moet dat betekenen, zonen van Seroeja? Waarom zoudt gij mij vandaag willen tegenwerken? Mag vandaag iemand in Israël sterven; vandaag, nu ik weet, dat ik weer koning ben?
23O rei disse a Simei: “Você não morrerá.” O rei lhe fez um juramento.
23En tot Sjimi sprak de koning: Ge zult niet sterven! En de koning bezwoer het hem zelfs.
24Mefibosete, neto de Saul, desceu ao encontro do rei; e ele não havia cuidado dos pés, nem aparado a barba, nem lavado as roupas, desde o dia em que o rei partiu até o dia em que voltou em paz.
24Ook Mefibósjet, de zoon van Saul, was den koning tegemoet gekomen. Hij had zijn voeten niet verzorgd, zijn baard niet gekamd, en zijn kleren niet gewassen van de dag af, dat de koning heenging, tot de dag, dat hij ongedeerd terugkwam.
25Quando ele chegou de Jerusalém para se encontrar com o rei, o rei lhe perguntou: “Por que você não foi comigo, Mefibosete?”
25Toen hij nu uit Jerusalem den koning tegemoet kwam, zeide deze tot hem: Waarom zijt ge niet met mij meegegaan, Mefibósjet?
26Ele respondeu: “Meu senhor, ó rei, o meu servo me enganou. Pois o seu servo disse: 'Selarei um jumento para mim, para montá-lo e ir com o rei', porque o seu servo é aleijado.
26Hij antwoordde: Mijn heer en koning, mijn knecht heeft mij bedrogen! Want uw dienaar had hem bevolen, een ezelin te zadelen, om daarop den koning te volgen; want uw dienaar is kreupel.
27E ele caluniou o seu servo perante o meu senhor, o rei; mas o meu senhor, o rei, é como um anjo de Deus. Portanto, faça o que for bom aos seus olhos.
27Hij heeft dus uw dienaar bij mijn heer en koning belasterd. Maar mijn heer en koning is als een engel van God! Doe dus wat u goeddunkt.
28Pois toda a casa do meu pai não era senão homens condenados à morte perante o meu senhor, o rei; contudo, você colocou o seu servo entre os que comiam à sua própria mesa. Que direito tenho eu ainda para clamar mais alguma coisa ao rei?”
28Want ofschoon het gehele huis van mijn vader niets anders van u te verwachten had dan de dood, hebt gij uw dienaar een plaats gegeven bij uw tafelgenoten. Wie zou me dus beter recht verschaffen? Zo bleef hij bij den koning maar aanhouden.
29O rei lhe disse: “Por que você fala ainda mais sobre os seus assuntos? Eu determino: você e Ziba dividam a terra.”
29Maar de koning sprak tot hem: Waarom nog zoveel woorden verspild? Bij deze bepaal ik: Gij en Siba moeten het grondbezit delen.
30Mefibosete disse ao rei: “Sim, que ele fique com tudo, já que o meu senhor, o rei, voltou em paz para a sua própria casa.”
30En Mefibósjet sprak tot den koning: Hij mag alles nemen, nu mijn heer en koning behouden is teruggekeerd.
31Barzilai, o gileadita, desceu de Rogelim; e atravessou o Jordão com o rei, para conduzi-lo até a outra margem do Jordão.
31ok Barzillai, de Giladiet, was uit Rogelim gekomen, om den koning bij de overtocht over de Jordaan te helpen, en hem aan de Jordaan uitgeleide te doen.
32Ora, Barzilai era um homem muito velho, de oitenta anos de idade. Ele havia provido o rei de sustento enquanto este ficou em Maanaim, pois era um homem muito rico e importante.
32Barzillai was zeer oud, een man van tachtig jaar. Hij was het, die den koning tijdens zijn verblijf te Machanáim van levensmiddelen had voorzien; want hij was een zeer welvarend man.
33O rei disse a Barzilai: “Atravesse comigo, e eu o sustentarei comigo em Jerusalém.”
33de koning sprak tot Barzillai: Ge moet met mij oversteken; dan zal ik bij mij in Jerusalem op uw oude dag voor u zorgen.
34Barzilai respondeu ao rei: “Quantos são os dias dos anos da minha vida, para que eu suba com o rei a Jerusalém?
34Maar Barzillai gaf den koning ten antwoord: Hoeveel jaren heb ik nog te leven, dat ik met den koning naar Jerusalem zou gaan?
35Tenho oitenta anos de idade hoje. Posso eu discernir entre o que é bom e o que é ruim? Pode o seu servo sentir o sabor do que como ou do que bebo? Posso eu ainda ouvir a voz de cantores e cantoras? Por que, então, o seu servo seria mais um peso para o meu senhor, o rei?
35Ik ben nu tachtig jaar. Kan ik nog iets onderscheiden; proeft uw dienaar nog iets van wat hij eet en drinkt; luister ik nog naar zangers en zangeressen? Waarom zou uw dienaar mijn heer en koning tot last zijn?
36O seu servo passará um pouco além do Jordão com o rei. Por que o rei me recompensaria com tal recompensa?
36Uw dienaar zou ternauwernood met den koning de Jordaan kunnen oversteken. Waarom zou de koning mij dus op deze wijze belonen?
37Por favor, deixe o seu servo voltar, para que eu possa morrer em minha própria cidade, perto do túmulo de meu pai e de minha mãe. Mas eis aqui o seu servo Quimã; que ele atravesse com o meu senhor, o rei; e faça a ele o que lhe parecer bom.”
37Laat uw dienaar terugkeren, en laat mij sterven in mijn woonplaats, bij het graf van mijn vader en moeder. Maar hier is uw dienaar Kimham; laat hem met mijn heer en koning oversteken, en doe met hem wat u goeddunkt!
38O rei respondeu: “Quimã atravessará comigo, e eu lhe farei o que parecer bom a você. Tudo o que você me pedir, eu o farei por você.”
38Toen sprak de koning: Kimham zal met mij oversteken, en ik zal met hem doen wat u goeddunkt, en al uw wensen vervullen.
39Todo o povo atravessou o Jordão, e o rei atravessou. Então o rei beijou Barzilai e o abençoou; e ele voltou para a sua casa.
39Terwijl al het volk de Jordaan overstak, bleef de koning nog staan, kuste Barzillai en nam afscheid van hem; en deze keerde naar zijn woonplaats terug.
40Assim o rei atravessou para Gilgal, e Quimã atravessou com ele. Todo o povo de Judá acompanhou o rei na travessia, e também metade do povo de Israel.
40Toen stak ook de koning over naar Gilgal, vergezeld van Kimham; en al het volk van Juda met een deel van het volk van Israël hielp den koning bij de overtocht.
41Eis que todos os homens de Israel vieram ao rei e lhe disseram: “Por que os nossos irmãos, os homens de Judá, o roubaram, e trouxeram o rei e a sua família para o outro lado do Jordão, e todos os homens de Davi com ele?”
41Maar nu kwamen alle Israëlieten tot den koning, en zeiden tot hem: Waarom hebben onze broeders, de Judeërs, u ingepalmd en den koning met zijn familie over de Jordaan gebracht, ofschoon álle mannen van David zijn volk zijn?
42Todos os homens de Judá responderam aos homens de Israel: “Porque o rei é nosso parente próximo. Por que então vocês estão irados com este assunto? Acaso comemos alguma coisa à custa do rei? Ou ele nos deu algum presente?”
42En heel Juda gaf Israël ten antwoord: Omdat de koning aan ons verwant is! Waarom zijt gij daar kwaad over? Hebben wij soms iets van den koning genoten, of heeft hij ons soms geschenken gebracht?
43Os homens de Israel responderam aos homens de Judá, e disseram: “Temos dez partes no rei, e também temos mais direito a Davi do que vocês. Por que então vocês nos desprezaram? Nosso conselho não deveria ter sido o primeiro em trazer de volta o nosso rei?” As palavras dos homens de Judá foram mais duras do que as palavras dos homens de Israel.
43Maar Israël viel tegen de Judeërs uit: Tien delen van den koning behoren aan mij; bovendien ben ik met meer recht de eerstgeborene dan gij. Waarom hebt gij mij dan vernederd? Heb ik niet het eerst besloten, mijn koning terug te halen? Maar het antwoord van de Judeërs was nog heftiger, dan wat de Israëlieten hadden gezegd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.