2 Samuel 17
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Além disso, Aitofel disse a Absalão: “Deixe-me agora escolher doze mil homens, e eu me levantarei e perseguirei Davi esta noite.
1Daarop stelde Achitófel aan Absalom voor: Laat mij met twaalfduizend uitgelezen manschappen vannacht nog de achtervolging van David beginnen.
2Cairei sobre ele enquanto está cansado e exausto, e o farei entrar em pânico. Todo o povo que está com ele fugirá. Matarei apenas o rei,
2Door hem te overvallen, als hij nog uitgeput en krachteloos is, jaag ik hem schrik op het lijf; heel zijn aanhang zal vluchten en ik hoef alleen met den koning af te rekenen.
3e trarei de volta todo o povo a você. A morte do homem a quem você busca será como o retorno de todos. E todo o povo estará em paz.”
3Dan zal ik maken, dat al het volk zich tot u keert, zoals een bruid terugkeert tot haar man; zo kost het alleen het leven van den enen man dien ge zoekt, en blijft al het volk behouden!
4O conselho agradou muito a Absalão e a todos os anciãos de Israel.
4Ofschoon dit voorstel de goedkeuring wegdroeg van Absalom en van alle oudsten in Israël,
5Então Absalão disse: “Chamem agora também Husai, o arquita, e vamos ouvir o que ele também tem a dizer.”
5zeide Absalom toch: Roep ook Choesjai, den Arkiet, en laat ons eens horen, wat ook hij heeft te zeggen.
6Quando Husai chegou a Absalão, Absalão lhe falou, dizendo: “Aitofel falou desta maneira. Devemos fazer o que ele diz? Se não, fale.”
6Choesjai werd dus bij Absalom toegelaten, en Absalom zeide tot hem: Zo en zo is het voorstel van Achitófel. Moeten we zijn plan uitvoeren? Zo niet, doe gij dan een voorstel.
7Husai disse a Absalão: “O conselho que Aitofel deu desta vez não é bom.”
7Nu sprak Choesjai tot Absalom: Ditmaal is het geen goede raad, die Achitófel gegeven heeft.
8Husai disse ainda: “Você conhece o seu pai e os seus homens, que eles são homens valentes, e são ferozes em suas mentes, como uma ursa no campo roubada de seus filhotes. O seu pai é um homem de guerra e não passará a noite com o povo.
8En Choesjai vervolgde: Gij weet, dat uw vader en zijn manschappen dappere mannen zijn, en thans verbeten als een loslopende berin, die haar jongen kwijt is. Bovendien is uw vader een ervaren krijger, die met het volk niet in de open lucht overnacht.
9Eis que ele agora está escondido em algum buraco, ou em algum outro lugar. Acontecerá que, quando alguns deles caírem no primeiro ataque, quem quer que ouça isso dirá: 'Houve uma matança entre o povo que segue Absalão!'
9Hij heeft zich nu beslist in een of andere grot of plaats verdekt opgesteld. Er kunnen dus aanstonds enige slachtoffers vallen; en dan zal men het vernemen en zeggen, dat de aanhang van Absalom een grote nederlaag heeft geleden.
10Então, mesmo aquele que é valente, cujo coração é como o coração de um leão, derreterá completamente; pois todo o Israel sabe que o seu pai é um homem valente, e que os que estão com ele são homens corajosos.
10En al is men dan nog zo dapper, en heeft men het hart van een leeuw, dan zal men toch zeker de moed verliezen. Want heel Israël weet, dat uw vader een held is, en zijn medestrijders dappere mannen.
11Mas eu aconselho que todo o Israel seja reunido a você, desde Dã até Berseba, como a areia que está junto ao mar em multidão; e que você mesmo vá à batalha.
11Neen, mijn raad is deze: Laat heel Israël van Dan tot Beër-Sjéba zich rond u verzamelen, zo talrijk als het zand aan de zee, en trek in eigen persoon met hen op.
12Assim cairemos sobre ele em algum lugar onde for encontrado, e desceremos sobre ele como o orvalho cai sobre a terra, e não deixaremos vivo nem ele e nem um só de todos os homens que estão com ele.
12Dan overvallen we hem op de plaats, waar we hem treffen, strijken we op hem neer als de dauw op de grond, en laten van hem en zijn manschappen geen enkele over.
13Além disso, se ele tiver recuado para alguma cidade, então todo o Israel trará cordas para aquela cidade, e nós a arrastaremos para o rio, até que não se encontre ali nem uma pequena pedra.”
13En trekt hij zich terug in een stad, welnu, dan zal heel Israël touwen binden aan die stad, en slepen we haar naar de stroom, totdat er geen steen meer van over is.
14Absalão e todos os homens de Israel disseram: “O conselho de Husai, o arquita, é melhor do que o conselho de Aitofel.” Pois o SENHOR havia ordenado frustrar o bom conselho de Aitofel, com o propósito de que o SENHOR trouxesse a ruína sobre Absalão.
14Toen zeiden Absalom en alle Israëlieten: De raad van Choesjai, den Arkiet, is beter dan die van Achitófel. Want Jahweh had het beschikt, dat de goede raad van Achitófel verijdeld werd. Hij wilde Absalom in het ongeluk storten.
15Então Husai disse aos sacerdotes Zadoque e Abiatar: “Aitofel aconselhou Absalão e os anciãos de Israel desta maneira; e eu os aconselhei daquela maneira.
15Nu liet Choesjai aan de priesters Sadok en Ebjatar zeggen: Die en die raad heeft Achitófel aan Absalom en de oudsten van Israël gegeven, en zo en zo heb ik geraden.
16Agora, portanto, mandem depressa um mensageiro e avisem a Davi, dizendo: 'Não passe esta noite nos vaus do deserto, mas faça a travessia sem falta, para que não seja engolido o rei e todo o povo que está com ele.'”
16Laat nu zo vlug mogelijk aan David berichten, dat hij de nacht niet moet doorbrengen bij de overgangen naar de woestijn, maar dat hij er dadelijk over moet trekken; anders wordt de koning met heel zijn aanhang vernietigd.
17Ora, Jônatas e Aimaás estavam esperando em En-Rogel; e uma serva costumava ir e relatar a eles, e eles iam e contavam ao rei Davi; pois eles não podiam arriscar serem vistos entrando na cidade.
17Intussen stonden Jehonatan en Achimáas bij de bron Rogel te wachten. Een dienstmaagd bracht hun de boodschap over, die ze aan koning David moesten brengen; want daar ze zich niet mochten vertonen, konden ze de stad niet binnengaan.
18Mas um menino os viu e contou a Absalão. Então ambos foram embora apressadamente e chegaram à casa de um homem em Baurim, que tinha um poço em seu pátio; e eles desceram ali.
18Toch had een jongen hen opgemerkt, en het aan Absalom bericht. Ze maakten beiden dus gauw, dat ze wegkwamen. Ze vluchtten in het huis van iemand in Bachoerim, die in zijn hof een put had; daar kropen ze in.
19A mulher pegou e estendeu uma coberta sobre a boca do poço, e espalhou grãos triturados sobre ela; e nada se percebeu.
19En de vrouw nam een dekkleed, spreidde het uit over de put, en strooide er graankorrels op, zodat er niets van te merken viel.
20Os servos de Absalão chegaram à mulher na casa, e perguntaram: “Onde estão Aimaás e Jônatas?” A mulher lhes respondeu: “Eles atravessaram o riacho de água.” Quando eles procuraram e não os encontraram, voltaram para Jerusalém.
20Toen dan ook de dienaren van Absalom bij de vrouw binnen kwamen, en vroegen, waar Achimáas en Jehonatan waren, zeide de vrouw: Die zijn de bergstroom overgestoken! Ze gingen op zoek; maar toen ze niets vonden, keerden ze naar Jerusalem terug.
21Depois que eles partiram, eles subiram do poço, e foram e contaram ao rei Davi; e disseram a Davi: “Levantem-se e atravessem depressa as águas; pois assim aconselhou Aitofel contra vocês.”
21Nadat zij waren afgetrokken, klommen ze uit de put, en gingen koning David de boodschap overbrengen. Ze zeiden tot David: Rukt op en trekt vlug het water over; want die en die raad heeft Achitófel omtrent u gegeven.
22Então Davi se levantou, e todo o povo que estava com ele, e eles atravessaram o Jordão. Ao amanhecer, não faltava nem um sequer deles que não tivesse atravessado o Jordão.
22David rukte dus op met heel zijn aanhang; zij staken de Jordaan over, en bij het aanbreken van de morgen waren allen aan de overkant, tot den laatsten man.
23Quando Aitofel viu que o seu conselho não foi seguido, ele selou o seu jumento, levantou-se e foi para casa, na sua cidade, colocou a sua casa em ordem e se enforcou; e ele morreu, e foi sepultado no túmulo de seu pai.
23Toen Achitófel bemerkte, dat zijn raad niet werd opgevolgd, zadelde hij zijn ezel en begaf zich op weg naar huis in zijn woonplaats. Daar stelde hij orde op zijn zaken en hing zich op. Zo stierf Achitófel; hij werd begraven in het graf van zijn vader.
24Então Davi chegou a Maanaim. Absalão atravessou o Jordão, ele e todos os homens de Israel com ele.
24Zo was David reeds te Machanáim aangekomen, toen Absalom de Jordaan overstak, met alle Israëlieten, die hem volgden.
25Absalão colocou Amasa sobre o exército, em lugar de Joabe. Ora, Amasa era filho de um homem cujo nome era Itra, o israelita, que se deitou com Abigail, filha de Naás, irmã de Zeruia, mãe de Joabe.
25In plaats van Joab had Absalom Amasa over het leger aangesteld. Deze Amasa was de zoon van een Isjmaëliet, die Jitra heette, en zich verenigd had met Abigal, de dochter van Nachasj, de zuster van Seroeja, de moeder van Joab.
26Israel e Absalão acamparam na terra de Gileade.
26En de Israëlieten, die Absalom volgden, sloegen hun kamp op in het land Gilad.
27Quando Davi chegou a Maanaim, Sobi, filho de Naás, de Rabá dos filhos de Amom, e Maquir, filho de Amiel, de Lo-Debar, e Barzilai, o gileadita, de Rogelim,
27Toen David te Machanáim was aangekomen, brachten Sjobi, een zoon van Nachasj uit Rabba der Ammonieten, en Makir, een zoon van Ammiël uit Lo-Debar, en Barzillai, de Giladiet uit Rogelim,
28trouxeram camas, bacias, vasilhas de barro, trigo, cevada, farinha, grãos torrados, feijão, lentilhas, grãos assados,
28rustbedden en dekens, schalen en aardewerk, tarwe en gerst, bloem en geroosterd graan, bonen en linzen,
29mel, manteiga, ovelhas e queijos de leite de vaca, para Davi e para o povo que estava com ele comerem; pois disseram: “O povo está faminto, cansado e sedento no deserto.”
29honing en boter, en kaas van schapen en koeien. Ze boden het aan als proviand voor David en zijn aanhangers; want ze zeiden: Het volk zal in de woestijn hongerig, uitgeput en dorstig geworden zijn.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.