Jesaja
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Want zie, de Heer, Jahweh der heirscharen, Neemt van Jerusalem weg en van Juda Alle steun en alle stut, Alle verkwikking van brood en van water;
1[Ecce enim Dominator, Dominus exercituum, auferet a Jerusalem et a Juda validum et fortem, omne robur panis, et omne robor aquæ;
2Held, krijgsman en rechter, Profeet, waarzegger en oudste,
2fortem, et virum bellatorem, judicem, et prophetam, et ariolum, et senem;
3Hoofdman, adel en raadsheer, Tovenaar en bezweerder.
3principem super quinquaginta, et honorabilem vultu et consiliarium, et sapientem de architectis, et prudentem eloquii mystici.
4Tot vorsten stel Ik knapen aan, En kinderen zullen over hen heersen:
4Et dabo pueros principes eorum, et effeminati dominabuntur eis;
5Dan zal het volk beginnen te vechten, Man tegen man, En vriend tegen vriend; Kwajongens vallen grijsaards aan, En vlegels mannen van aanzien;
5et irruet populus, vir ad virum, et unusquisque ad proximum suum; tumultuabitur puer contra senem, et ignobilis contra nobilem.
6Ja, de ene broer stormt los op den ander! De eigen familie zal zeggen: Gij hebt nog een mantel; Wees dus ons hoofd, En neem deze puinen onder uw hoede.
6Apprehendet enim vir fratrem suum, domesticum patris sui: Vestimentum tibi est, princeps esto noster, ruina autem hæc sub manu tua.
7Maar de ander schreeuwt het uit op die dag: Ik wil de meester niet zijn, Ik heb geen brood en geen kleren in huis; Plaats mij niet aan het hoofd van het volk!
7Respondebit in die illa, dicens: Non sum medicus, et in domo mea non est panis neque vestimentum: nolite constituere me principem populi.
8Ja, Jerusalem wankelt, En Juda valt! Want hun woord en hun daden zijn tegen Jahweh gericht, Om de blik van zijn Majesteit te tarten.
8Ruit enim Jerusalem, et Judas concidit, quia lingua eorum et adinventiones eorum contra Dominum, ut provocarent oculos majestatis ejus.
9Hun onbeschaamd gezicht klaagt ze aan, Als Sodoma lopen ze openlijk met hun zonden te koop: Wee over hen; Want ze bereiden hun eigen verderf!
9Agnitio vultus eorum respondit eis; et peccatum suum quasi Sodoma prædicaverunt, nec absconderunt. Væ animæ eorum, quoniam reddita sunt eis mala !
10Heil den rechtvaardige, want hém gaat het goed: Hij eet de vrucht van zijn werken;
10Dicite justo quoniam bene, quoniam fructum adinventionum suarum comedet.
11Maar wee den boze, want hèm gaat het slecht: Hij zal krijgen wat hij verdiende.
11Væ impio in malum ! retributio enim manuum ejus fiet ei.
12Mijn volk wordt door uitzuigers verdrukt, En door afpersers gedrild; Mijn volk: die u leiden, zijn uw misleiders, Die u de weg moeten wijzen, laten u dolen.
12Populum meum exactores sui spoliaverunt, et mulieres dominatæ sunt eis. Popule meus, qui te beatum dicunt, ipsi te decipiunt, et viam gressuum tuorum dissipant.
13Daar richt Jahweh zich op, om vonnis te vellen, Staat gereed, om zijn volk te gaan richten;
13Stat ad judicandum Dominus, et stat ad judicandos populos.
14Daar komt Jahweh ten oordeel Tegen de oudsten, tegen de vorsten van zijn volk: Gij hebt de wijngaard gestolen, De buit der armen in uw huizen gesleept;
14Dominus ad judicium veniet cum senibus populi sui, et principibus ejus; vos enim depasti estis vineam, et rapina pauperis in domo vestra.
15Met welk recht vertrapt ge mijn volk, verschopt ge den arme, Is de godsspraak des Heren, van Jahweh der heirscharen!
15Quare atteritis populum meum, et facies pauperum commolitis? dicit Dominus Deus exercituum.]
16En Jahweh spreekt: Omdat de dochters van Sion zo trots zijn, Rondlopen met het hoofd in de nek, En met lonkende ogen, Met trippelende pasjes, Met rinkelende ringen aan haar voeten:
16[Et dixit Dominus: Pro eo quod elevatæ sunt filiæ Sion, et ambulaverunt extento collo, et nutibus oculorum ibant, et plaudebant, ambulabant pedibus suis, et composito gradu incedebant;
17Daarom scheert de Heer de schedel van Sions dochters kaal, Zal Jahweh haar schaamte ontbloten.
17decalvabit Dominus verticem filiarum Sion, et Dominus crinem earum nudabit.
18Op die dag neemt Jahweh de sieraden weg: Voetringen, zonnen en maantjes,
18In die illa auferet Dominus ornamentum calceamentum,
19Oorbellen, ketens en sluiers,
19et lunulas, et torques, et monilia, et armillas, et mitras,
20Hoofddoeken, armbanden, linten en flesjes,
20et discriminalia, et periscelidas, et murenulas, et olfactoriola, et inaures,
21Amuletten, halssnoer en ringen,
21et annulos, et gemmas in fronte pendentes,
22Feestkleren, mantels en doeken,
22et mutatoria, et palliola, et linteamina, et acus,
23Tasjes en spiegels, Kapsels, mutsen en sjaals.
23et specula, et sindones, et vittas, et theristra.
24En dan zal het wezen: In plaats van balsemgeur, stank: Voor gordel, een strop; Voor haarvlechten, schurft; Voor statie, een zak; Voor schoonheid, een brandmerk!
24Et erit pro suavi odore fœtor, et pro zona funiculus, et pro crispanti crine calvitium, et pro fascia pectorali cilicium.
25Uw mannen zullen vallen door het zwaard, Uw helden door krijg;
25Pulcherrimi quoque viri tui gladio cadent, et fortes tui in prælio.
26Dan zullen ze klagen en rouwen onder haar poorten, En eenzaam zitten op de grond.
26Et mœrebunt atque lugebunt portæ ejus, et desolata in terra sedebit.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.