Jesaja
Chapter 13
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De godsspraak over Babel, die Isaias, de zoon van Amos, ontving:
1Onus Babylonis, quod vidit Isaias, filius Amos.
2Plant een banier op een open berg; Schreeuwt het hun toe, En wenkt met de hand, Dat ze de poorten der tyrannen binnenrukken!
2[Super montem caliginosum levate signum: exaltate vocem, levate manum, et ingrediantur portas duces.
3Ikzelf in mijn woede Heb mijn heilige troepen ontboden, Opgeroepen mijn helden, Mijn triomferende strijders!
3Ego mandavi sanctificatis meis, et vocavi fortes meos in ira mea, exsultantes in gloria mea.
4Een donderend geraas op de bergen, Als van een geweldige legertros; Het rommelen van vorstendommen, Van volken, die zich verzamen! Jahweh der heirscharen monstert zijn troepen,
4Vox multitudinis in montibus, quasi populorum frequentium; vox sonitus regum, gentium congregatarum. Dominus exercituum præcepit militiæ belli,
5Van verre gekomen, van de grenzen des hemels: Jahweh met de werktuigen van zijn toorn, Om de hele aarde te teisteren!
5venientibus de terra procul, a summitate cæli; Dominus, et vasa furoris ejus, ut disperdat omnem terram.
6Huilt! Want de dag van Jahweh is nabij; Hij komt als een stortvloed van den Almachtige!
6Ululate, quia prope est dies Domini; quasi vastitas a Domino veniet.
7Alle handen verslappen er van, Elk mensenhart smelt er van weg;
7Propter hoc omnes manus dissolventur, et omne cor hominis contabescet,
8Ze schokken van krampen, en weeën grijpen hen aan, Ze wringen zich als een barende vrouw; Verbijsterd zien ze elkander aan, Hun gezichten gloeien als vlammen.
8et conteretur. Torsiones et dolores tenebunt; quasi parturiens dolebunt: unusquisque ad proximum suum stupebit, facies combustæ vultus eorum.
9Zie, de dag van Jahweh komt, Wreed, verbolgen en woedend: Om de aarde in een woestijn te veranderen, Haar zondaars te moorden.
9Ecce dies Domini veniet, crudelis, et indignationis plenus, et iræ, furorisque, ad ponendam terram in solitudinem, et peccatores ejus conterendos de ea.
10De hemelsterren en haar wachters Laten haar licht niet meer stralen; De zon is bij haar opgang al donker, En de maan geeft geen glans.
10Quoniam stellæ cæli, et splendor earum, non expandent lumen suum; obtenebratus est sol in ortu suo, et luna non splendebit in lumine suo.
11Ik zal de wereld haar boosheid vergelden, En de zondaars hun schuld, Een eind aan het zwetsen der grootsprekers maken, En de trots der geweldenaars breken.
11Et visitabo super orbis mala, et contra impios iniquitatem eorum; et quiescere faciam superbiam infidelium, et arrogantiam fortium humiliabo.
12Het volk maak Ik schaarser nog dan het goud, De mannen zeldzamer dan de metalen van Ofir;
12Pretiosior erit vir auro, et homo mundo obrizo.
13De hemelen trillen er van, De aarde wordt uit haar voegen gerukt: Om de gramschap van Jahweh der heirscharen Op de dag van zijn gloeiende toorn!
13Super hoc cælum turbabo; et movebitur terra de loco suo, propter indignationem Domini exercituum, et propter diem iræ furoris ejus.
14Als een opgejaagd hert, Als een kudde, die niemand bijeenhoudt, Keert iedereen terug naar zijn eigen volk, En vlucht weg naar zijn land.
14Et erit quasi damula fugiens, et quasi ovis, et non erit qui congreget. Unusquisque ad populum suum convertetur, et singuli ad terram suam fugient.
15Wie men ontdekt, wordt doorboord, Wie wordt gegrepen, valt door het zwaard;
15Omnis qui inventus fuerit occidetur, et omnis qui supervenerit cadet in gladio;
16Hun kinderen worden voor hun ogen verpletterd, Hun huizen geplunderd, hun vrouwen onteerd.
16infantes eorum allidentur in oculis eorum, diripientur domus eorum, et uxores eorum violabuntur.
17Zie, Ik hits de Meden tegen hen op, Die zilver niet tellen, en goud niet begeren!
17Ecce ego suscitabo super eos Medos, qui argentum non quærant, nec aurum velint;
18De knapen worden door de bogen getroffen, De meisjes verkracht; Geen erbarmen voor de vrucht van de schoot, Geen genade voor kinderen!
18sed sagittis parvulos interficient, et lactantibus uteris non miserebuntur, et super filios non parcet oculus eorum.
19Dan wordt Babel, de parel der koninkrijken, Het pronkjuweel der Chaldeën, Door God tot de grond toe verwoest, Als Sodoma en Gomorra.
19Et erit Babylon illa gloriosa in regnis, inclyta superbia Chaldæorum, sicut subvertit Dominus Sodomam et Gomorrham.
20Het blijft voor immer verlaten, Ontvolkt van geslacht tot geslacht; De Arabieren slaan er hun tenten niet op, De herders legeren er niet.
20Non habitabitur usque in finem, et non fundabitur usque ad generationem et generationem; nec ponet ibi tentoria Arabs, nec pastores requiescent ibi.
21Maar jakhalzen hebben er hun holen, En uilen vullen hun huizen; De struisen komen er nestelen, Baarlijke duivels dansen er rond.
21Sed requiescent ibi bestiæ, et replebuntur domus eorum draconibus, et habitabunt ibi struthiones, et pilosi saltabunt ibi;
22In hun burchten janken de honden, In hun lustpaleizen de wolven: Zijn tijd is gekomen, Zijn dag niet verschoven!
22et respondebunt ibi ululæ in ædibus ejus, et sirenes in delubris voluptatis.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.