Prediker 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen dacht ik bij mijzelf: Kom, ik wil het met de vreugde beproeven En het goede genieten; Maar zie, ook dat was ijdelheid.
1私は心の中で言った。「さあ、楽しみで自分を試し、快楽を味わってみよう。」しかし、見よ、これも空しかった。
2Van het lachen zei ik: Dwaas, En van de vreugde: Wat heeft het voor nut.
2私は笑いについて、「これは愚かだ」と言い、楽しみについて、「これは何を成し遂げるのか」と言った。
3Ik vatte het plan op, mijn lichaam met wijn te verkwikken, Maar tevens mijn hart te laten leiden door de wijsheid, En zo de dwaasheid te zoeken, Totdat ik zou weten, wat goed is voor de mensen, Om het heel hun leven te doen onder de zon.
3私は心の中で、知恵に導かれながら、ぶどう酒で身を楽しませ、愚かさをつかんでみようと探った。人が生きる日の間、天の下で何をするのが良いのかを見極めるためだった。
4Grote werken bracht ik tot stand: Ik bouwde mij huizen, plantte mij wijngaarden;
4私は大きな事業を行った。自分のために家々を建て、ぶどう畑を植えた。
5Ik legde mij tuinen en lusthoven aan, En plantte daar allerlei vruchtbomen in.
5自分のために庭園や公園を造り、その中にあらゆる種類の果樹を植えた。
6Ik liet mij watervijvers graven, Om er een woud van jonge bomen mee te besproeien.
6木々が育つ森を潤すために、貯水池を造った。
7Ik kocht slaven en slavinnen, En lijfeigenen behoorden mij toe. Ook bezat ik veel meer runderen en schapen, Dan allen, die vóór mij in Jerusalem waren.
7男の奴隷と女の奴隷を買い、家で生まれた奴隷もいた。また、エルサレムで私より前にいたすべての者にまさるほど、多くの牛や羊の群れを所有した。
8Ik stapelde zilver op en goud, Schatten van koningen en wingewesten; Ik schafte zangers aan en zangeressen, En vele vrouwen, het genot der mensen.
8自分のために銀と金、王たちや諸州の財宝を集めた。男の歌い手と女の歌い手を得、人間の喜びである、あらゆる種類の楽器も手に入れた。
9Zo werd ik groter en rijker, dan allen vóór mij in Jerusalem, Behalve nog, dat ik mijn wijsheid behield.
9こうして私は偉大になり、エルサレムで私より前にいたすべての者にまさった。それでも、私の知恵は私のもとにとどまっていた。
10Nooit heb ik mijn ogen geweigerd, wat zij verlangden; Ik ontzegde mijn hart geen enkele vreugd. Mijn hart kon genieten van al mijn zwoegen; Maar dat was ook àl, wat ik had van mijn werken.
10私は、自分の目が欲するものを何一つ拒まず、自分の心からどんな喜びも遠ざけなかった。すべての労苦が私の心を喜ばせた。それが、すべての労苦から得た私の取り分だった。
11Want toen ik al het werk van mijn handen beschouwde, En al het zwoegen, dat ik met moeite volbracht had, Zag ik, hoe het alles ijdelheid was en jagen naar wind; Men heeft er geen blijvend gewin van onder de zon.
11しかし、私は自分の手が行ったすべてのわざと、それを成し遂げるために費やした労苦を振り返った。見よ、すべては空しく、風を追うようなもので、日の下には何の益もなかった。
12Zo ging ik de wijsheid vergelijken Met dwaasheid en onverstand. Wat zal de opvolger van den koning gaan doen Met alles, wat deze vroeger gemaakt heeft?
12私は向きを変え、知恵と狂気と愚かさについて考えた。王の後に来る者に何ができるだろう。昔から行われてきたことを繰り返すだけではないか。
13Wel begreep ik, dat wijsheid voordeel heeft boven dwaasheid, Zoals licht boven duisternis gaat:
13私は、光が闇にまさるように、知恵が愚かさにまさることを見た。
14De wijze heeft ogen in zijn hoofd, De dwaas echter tast in het duister. Maar ik bevond van de andere kant, Dat hetzelfde lot hen beiden treft.
14知恵ある者の目はその頭にあるが、愚かな者は闇の中を歩く。しかし、どちらにも同じ出来事が起こるのを、私は悟った。
15Daarom dacht ik bij mijzelf: Als het lot van den dwaas ook mij treft, Wat baat mij dan al mijn wijsheid? En ik zeide bij mijzelf: Ook dat is ijdel.
15そこで私は心の中で言った。「愚かな者に起こることは、私にも起こる。それなら、なぜ私はこれほど知恵を求めたのか。」私は心の中で、これも空しいと言った。
16Want de wijze blijft evenmin in herinnering als de dwaas, Op de duur raakt in de toekomst alles vergeten; Moet immers de wijze niet sterven juist als de dwaas?
16知恵ある者も愚かな者と同じく、いつまでも記憶されることはない。来るべき日々には、すべてが久しく忘れ去られる。実に、知恵ある者も愚かな者と同じように死ななければならない。
17Daarom kreeg ik een afkeer van het leven; Ja, al wat er verricht wordt onder de zon, begon mij te walgen; Want het is allemaal ijdel en jagen naar wind.
17そこで私は生きることを憎んだ。日の下で行われる働きは、私には苦痛だった。すべては空しく、風を追うようなものだった。
18Zo kreeg ik een afkeer van al het werk, Dat ik met moeite tot stand bracht onder de zon. Ik moet het toch achterlaten aan hem, die mij opvolgt;
18私は、日の下で費やしたすべての労苦を憎んだ。それを、私の後に来る者に残さなければならない。
19Wie weet, of het een wijze zal zijn of een dwaas! Toch zal hij heer en meester zijn van alles, Wat ik met moeite en wijsheid tot stand bracht onder de zon. Ook dat is ijdelheid.
19その者が知恵ある者になるのか、愚かな者になるのか、誰が知っているだろう。それでも、その者は、私が日の下で労苦し、知恵を用いて成し遂げたすべてのものを支配することになる。これも空しい。
20Ja, ik gaf mijn hart aan vertwijfeling over Om al de moeite, die ik mij getroostte onder de zon.
20そこで私は、日の下で費やしたすべての労苦を思い、心は絶望に沈んだ。
21Want wie met wijsheid, verstand en beleid heeft gewerkt, Moet het achterlaten aan hem, die er geen moeite voor deed. Ook dat is ijdelheid en een grote ramp.
21知恵と知識と技能をもって労苦する人がいても、その人は、そのために何も労苦しなかった者に、それを取り分として残さなければならない。これも空しく、大きな悪である。
22Wat heeft dan de mens van zijn zwoegen en jagen, Waarmee hij zich afslooft onder de zon?
22人は、日の下で費やすすべての労苦と、心を悩ませることから、何を得るのか。
23Want al zijn dagen zijn smart, En louter kwelling is al wat hij doet; Zelfs ‘s nachts komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is ijdelheid.
23その人のすべての日々は悲しみで、その労苦は苦悩である。夜になっても、その心は休まらない。これも空しい。
24Niets is er dus beter voor den mens dan eten en drinken, En zelf genieten van zijn werk. Want ik heb begrepen, dat dit uit Gods hand komt:
24人にとって、食べて飲み、自分の労苦のうちに良いものを味わうこと以上に良いことはない。これもまた神の手から来ることを、私は見た。
25Wie toch kan eten, wie kan genieten buiten Hem om?
25私以上に、誰が食べ、誰が楽しむことができるだろう。
26Want aan den mens, die Hem welgevallig is, Schenkt Hij wijsheid, kennis en vreugde; Maar den zondaar laat Hij moeizaam vergaren en ophopen, Om het te geven aan hem, die aan Gods oog behaagt. Ook dat is ijdelheid en jagen naar wind!
26神は、ご自分に喜ばれる人には知恵と知識と喜びを与える。しかし罪人には、集めて蓄えさせ、それを神に喜ばれる人に与えさせるという苦労を与える。これも空しく、風を追うようなものである。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.