Handelingen
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Douay-Rheims Bible…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Zo kwam hij ook te Derbe en Lustra aan. En zie, daar was een leerling, Timóteus genaamd, de zoon van een gelovige joodse vrouw en een heidensen vader.
1And he came to Derbe and Lystra. And behold, there was a certain disciple there named Timothy, the son of a Jewish woman that believed; but his father was a Gentile.
2Daar de broeders van Lustra en Ikónium een goede getuigenis over hem aflegden,
2To this man the brethren that were in Lystra and Iconium, gave a good testimony.
3en Paulus hem dus als reisgezel wenste, liet hij hem besnijden ter wille van de Joden in die plaatsen; want allen wisten, dat zijn vader een heiden was.
3Him Paul would have to go along with him: and taking him he circumcised him, because of the Jews who were in those places. For they all knew that his father was a Gentile.
4In de steden, die ze bezochten, bevalen ze, de voorschriften te onderhouden, die door de apostelen en de priesters van Jerusalem waren vastgesteld.
4And as they passed through the cities, they delivered unto them the decrees for to keep, that were decreed by the apostles and ancients who were at Jerusalem.
5Zó werden de gemeenten in het geloof bevestigd, en namen met de dag in aantal toe.
5And the churches were confirmed in faith, and increased in number daily.
6Ze trokken nu Frúgië en de streek van Galátië door, omdat de Heilige Geest hen belette, het woord in Azië2 te verkondigen.
6And when they had passed through Phrygia, and the country of Galatia, they were forbidden by the Holy Ghost to preach the word in Asia.
7Toen ze dicht bij Músië waren gekomen, trachtten ze naar Bitúnië te gaan, maar de Geest van Jesus liet het hun niet toe.
7And when they were come into Mysia, they attempted to go into Bythynia, and the Spirit of Jesus suffered them not.
8Ze trokken dus Músië door, en zakten naar Troas af.
8And when they had passed through Mysia, they went down to Troas.
9Daar had Paulus ‘s nachts een visioen: een Macedóniër stond voor hem, en smeekte: Kom over naar Macedónië, en help ons.
9And a vision was shewed to Paul in the night, which was a man of Macedonia standing and beseeching him, and saying: Pass over into Macedonia, and help us.
10Zodra hij nu het visioen had aanschouwd, deden we aanstonds ons best, om naar Macedónië te vertrekken; overtuigd, dat God ons geroepen had, om hun het evangelie te verkondigen.
10And as soon as he had seen the vision, immediately we sought to go into Macedonia, being assured that God had called us to preach the gospel to them.
11We scheepten ons te Troas in, en zeilden regel. recht naar Samotrácië; de volgende dag naar Neápolis,
11And sailing from Troas, we came with a straight course to Samothracia, and the day following to Neapolis;
12en van daar naar Filippi, een kolonie, die de voornaamste stad van dit deel van Macedónië is. In deze stad brachten we enige dagen door.
12And from thence to Philippi, which is the chief city of part of Macedonia, a colony. And we were in this city some days conferring together.
13Op de sabbat gingen we de poort uit naar een rivier, waar we een bedeplaats vermoedden. We gingen er zitten, en onderhielden ons met de vrouwen, die er waren samengekomen.
13And upon the sabbath day, we went forth without the gate by a river side, where it seemed that there was prayer; and sitting down, we spoke to the women that were assembled.
14Ook een vrouw, Lúdia genaamd, een verkoopster van purper uit de stad Tuatira, een godvrezende, hoorde toe: en de Heer opende haar hart, zodat ze haar volle aandacht schonk aan Paulus’ woord.
14And a certain woman named Lydia, a seller of purple, of the city of Thyatira, one that worshipped God, did hear: whose heart the Lord opened to attend to those things which were said by Paul.
15Toen ze met haar gezin was gedoopt, nodigde ze ons uit, en zeide: Als gij van oordeel zijt, dat ik getrouw ben aan den Heer, komt dan en neemt uw intrek in mijn huis. En ze drong heel sterk bij ons aan.
15And when she was baptized, and her household, she besought us, saying: If you have judged me to be faithful to the Lord, come into my house, and abide there. And she constrained us.
16Eens, dat we naar de bedeplaats gingen, ontmoetten we een slavin, die een waarzeggenden geest in zich had, en met waarzeggen veel voor haar meesters verdiende.
16And it came to pass, as we went to prayer, a certain girl, having a pythonical spirit, met us, who brought to her masters much gain by divining.
17Ze liep Paulus en ons achterna, en riep hardop: Deze mensen zijn dienaars van den allerhoogsten God; ze verkondigen u de weg des heils.
17This same following Paul and us, cried out, saying: These men are the servants of the most high God, who preach unto you the way of salvation.
18Zo deed ze vele dagen achtereen. Maar toen dat Paulus begon te vervelen, keerde hij zich om, en sprak tot den geest: Ik beveel u in naam van Jesus Christus, van haar uit te gaan. En op hetzelfde ogenblik ging hij heen.
18And this she did many days. But Paul being grieved, turned, and said to the spirit: I command thee, in the name of Jesus Christ, to go out from her. And he went out the same hour.
19Maar zodra haar meesters bemerkten, dat hun hoop op winst was vervlogen, grepen ze Paulus en Silas vast, sleurden ze over de markt naar het stadsbestuur,
19But her masters, seeing that the hope of their gain was gone, apprehending Paul and Silas, brought them into the marketplace to the rulers.
20brachten ze voor de magistraten, en zeiden: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer. Het zijn Joden;
20And presenting them to the magistrates, they said: These men disturb our city, being Jews;
21ze verkondigen zeden en gewoonten, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen.
21And preach a fashion which it is not lawful for us to receive nor observe, being Romans.
22Ook het volk keerde zich tegen hen. Nu lieten de magistraten hun de kleren afrukken, en gaven bevel, hen met roeden te geselen.
22And the people ran together against them; and the magistrates rending off their clothes, commanded them to be beaten with rods.
23En toen ze hun een pak slaag hadden gegeven, stopten ze hen in de gevangenis, en gaven bevel aan den gevangenbewaarder, om ze met grote zorg te bewaken.
23And when they had laid many stripes upon them, they cast them into prison, charging the gaoler to keep them diligently.
24Na zo’n streng bevel, wierp hij ze in de binnenste afdeling der gevangenis, en sloot hun voeten in het blok.
24Who having received such a charge, thrust them into the inner prison, and made their feet fast in the stocks.
25Tegen middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden, en zongen de lof van God; en de gevangenen luisterden naar hen.
25And at midnight, Paul and Silas praying, praised God. And they that were in prison, heard them.
26Maar eensklaps kwam er een aardbeving, zo hevig, dat de grondslagen van de gevangenis er van schudden. Opeens sprongen alle deuren open, en bij allen lieten de boeien los.
26And suddenly there was a great earthquake, so that the foundations of the prison were shaken. And immediately all the doors were opened, and the bands of all were loosed.
27De gevangenbewaarder werd wakker, en zag, dat de deuren van de gevangenis openstonden. Hij trok zijn zwaard en wilde zich doden; want hij meende. dat de gevangenen waren ontvlucht.
27And the keeper of the prison, awaking out of his sleep, and seeing the doors of the prison open, drawing his sword, would have killed himself, supposing that the prisoners had been fled.
28Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad; want we zijn allen nog hier.
28But Paul cried with a loud voice, saying: Do thyself no harm, for we all are here.
29Hij vroeg om licht, snelde naar binnen, en viel sidderend Paulus en Silas te voet.
29Then calling for a light, he went in, and trembling, fell down at the feet of Paul and Silas.
30Hij bracht ze naar buiten, en zeide: Heren, wat moet ik doen, om gered te worden?
30And bringing them out, he said: Masters, what must I do, that I may be saved?
31Ze zeiden: Geloof in den Heer Jesus, en ge zult gered worden met uw gezin.
31But they said: Believe in the Lord Jesus, and thou shalt be saved, and thy house.
32En ze verkondigden het woord des Heren aan hem en al zijn huisgenoten.
32And they preached the word of the Lord to him and to all that were in his house.
33Nog op hetzelfde uur van de nacht nam hij hen bij zich op, wies hun wonden, en werd toen onmiddellijk met al de zijnen gedoopt.
33And he, taking them the same hour of the night, washed their stripes, and himself was baptized, and all his house immediately.
34Nu geleidde hij ze naar boven, zette hun spijzen voor, en verheugde zich met heel zijn gezin, dat hij het geloof in God had ontvangen.
34And when he had brought them into his own house, he laid the table for them, and rejoiced with all his house, believing God.
35Toen het dag was geworden, zonden de magistraten gerechtsdienaars met het bevel: Laat die mannen in vrijheid.
35And when the day was come, the magistrates sent the serjeants, saying, Let those men go.
36De gevangenbewaarder bracht dit bericht aan Paulus over: De magistraten hebben me laten zeggen, u in vrijheid te laten. Gaat dus in vrede heen.
36And the keeper of the prison told these words to Paul: The magistrates have sent to let you go; now therefore depart, and go in peace.
37Maar Paulus zei hun: Zonder verhoor hebben ze ons, romeinse burgers, in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen; en nu laten ze ons los, maar in het geheim? Dat niet; zelf moeten ze komen,
37But Paul said to them: They have beaten us publicly, uncondemned, men that are Romans, and have cast us into prison: and now do they thrust us out privately? Not so; but let them come,
38om ons in vrijheid te stellen. De gerechtsdienaars brachten deze boodschap aan de magistraten over. Toen ze hoorden, dat het Romeinen waren, werden ze bang;
38And let us out themselves. And the serjeants told these words to the magistrates. And they were afraid, hearing that they were Romans.
39ze gingen er heen, boden hun verontschuldigingen aan, en stelden hen in vrijheid met het verzoek de stad te verlaten.
39And coming, they besought them; and bringing them out, they desired them to depart out of the city.
40Ze verlieten dus de gevangenis, en gingen bij Lúdia binnen; en toen ze de broeders hadden gezien en vermaand, reisden ze verder.
40And they went out of the prison, and entered into the house of Lydia; and having seen the brethren, they comforted them, and departed.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.