Handelingen 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Zo kwam hij ook te Derbe en Lustra aan. En zie, daar was een leerling, Timóteus genaamd, de zoon van een gelovige joodse vrouw en een heidensen vader.
1He came to Derbe and Lystra; and behold, a certain disciple was there, named Timothy, the son of a Jewess who believed, but his father was a Greek.
2Daar de broeders van Lustra en Ikónium een goede getuigenis over hem aflegden,
2The brothers who were at Lystra and Iconium gave a good testimony about him.
3en Paulus hem dus als reisgezel wenste, liet hij hem besnijden ter wille van de Joden in die plaatsen; want allen wisten, dat zijn vader een heiden was.
3Paul wanted to have him go out with him, and he took and circumcised him because of the Jews who were in those parts, for they all knew that his father was a Greek.
4In de steden, die ze bezochten, bevalen ze, de voorschriften te onderhouden, die door de apostelen en de priesters van Jerusalem waren vastgesteld.
4As they went on their way through the cities, they delivered the decrees to them to keep which had been ordained by the apostles and elders who were at Jerusalem.
5Zó werden de gemeenten in het geloof bevestigd, en namen met de dag in aantal toe.
5So the assemblies were strengthened in the faith, and increased in number daily.
6Ze trokken nu Frúgië en de streek van Galátië door, omdat de Heilige Geest hen belette, het woord in Azië2 te verkondigen.
6When they had gone through the region of Phrygia and Galatia, they were forbidden by the Holy Spirit to speak the word in Asia.
7Toen ze dicht bij Músië waren gekomen, trachtten ze naar Bitúnië te gaan, maar de Geest van Jesus liet het hun niet toe.
7When they had come opposite Mysia, they tried to go into Bithynia, but the Spirit didn’t allow them.
8Ze trokken dus Músië door, en zakten naar Troas af.
8Passing by Mysia, they came down to Troas.
9Daar had Paulus ‘s nachts een visioen: een Macedóniër stond voor hem, en smeekte: Kom over naar Macedónië, en help ons.
9A vision appeared to Paul in the night. There was a man of Macedonia standing, begging him and saying, “Come over into Macedonia and help us.”
10Zodra hij nu het visioen had aanschouwd, deden we aanstonds ons best, om naar Macedónië te vertrekken; overtuigd, dat God ons geroepen had, om hun het evangelie te verkondigen.
10When he had seen the vision, immediately we sought to go out to Macedonia, concluding that the Lord had called us to preach the Good News to them.
11We scheepten ons te Troas in, en zeilden regel. recht naar Samotrácië; de volgende dag naar Neápolis,
11Setting sail therefore from Troas, we made a straight course to Samothrace, and the day following to Neapolis;
12en van daar naar Filippi, een kolonie, die de voornaamste stad van dit deel van Macedónië is. In deze stad brachten we enige dagen door.
12and from there to Philippi, which is a city of Macedonia, the foremost of the district, a Roman colony. We were staying some days in this city.
13Op de sabbat gingen we de poort uit naar een rivier, waar we een bedeplaats vermoedden. We gingen er zitten, en onderhielden ons met de vrouwen, die er waren samengekomen.
13On the Sabbath day we went outside of the city by a riverside, where we supposed there was a place of prayer, and we sat down and spoke to the women who had come together.
14Ook een vrouw, Lúdia genaamd, een verkoopster van purper uit de stad Tuatira, een godvrezende, hoorde toe: en de Heer opende haar hart, zodat ze haar volle aandacht schonk aan Paulus’ woord.
14A certain woman named Lydia, a seller of purple, of the city of Thyatira, one who worshiped God, heard us. The Lord opened her heart to listen to the things which were spoken by Paul.
15Toen ze met haar gezin was gedoopt, nodigde ze ons uit, en zeide: Als gij van oordeel zijt, dat ik getrouw ben aan den Heer, komt dan en neemt uw intrek in mijn huis. En ze drong heel sterk bij ons aan.
15When she and her household were baptized, she begged us, saying, “If you have judged me to be faithful to the Lord, come into my house and stay.” So she persuaded us.
16Eens, dat we naar de bedeplaats gingen, ontmoetten we een slavin, die een waarzeggenden geest in zich had, en met waarzeggen veel voor haar meesters verdiende.
16As we were going to prayer, a certain girl having a spirit of divination met us, who brought her masters much gain by fortune telling.
17Ze liep Paulus en ons achterna, en riep hardop: Deze mensen zijn dienaars van den allerhoogsten God; ze verkondigen u de weg des heils.
17Following Paul and us, she cried out, “These men are servants of the Most High God, who proclaim to us a way of salvation!”
18Zo deed ze vele dagen achtereen. Maar toen dat Paulus begon te vervelen, keerde hij zich om, en sprak tot den geest: Ik beveel u in naam van Jesus Christus, van haar uit te gaan. En op hetzelfde ogenblik ging hij heen.
18She was doing this for many days. But Paul, becoming greatly annoyed, turned and said to the spirit, “I command you in the name of Jesus Christ to come out of her!” It came out that very hour.
19Maar zodra haar meesters bemerkten, dat hun hoop op winst was vervlogen, grepen ze Paulus en Silas vast, sleurden ze over de markt naar het stadsbestuur,
19But when her masters saw that the hope of their gain was gone, they seized Paul and Silas and dragged them into the marketplace before the rulers.
20brachten ze voor de magistraten, en zeiden: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer. Het zijn Joden;
20When they had brought them to the magistrates, they said, “These men, being Jews, are agitating our city
21ze verkondigen zeden en gewoonten, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen.
21and advocate customs which it is not lawful for us to accept or to observe, being Romans.”
22Ook het volk keerde zich tegen hen. Nu lieten de magistraten hun de kleren afrukken, en gaven bevel, hen met roeden te geselen.
22The multitude rose up together against them and the magistrates tore their clothes from them, then commanded them to be beaten with rods.
23En toen ze hun een pak slaag hadden gegeven, stopten ze hen in de gevangenis, en gaven bevel aan den gevangenbewaarder, om ze met grote zorg te bewaken.
23When they had laid many stripes on them, they threw them into prison, charging the jailer to keep them safely.
24Na zo’n streng bevel, wierp hij ze in de binnenste afdeling der gevangenis, en sloot hun voeten in het blok.
24Having received such a command, he threw them into the inner prison and secured their feet in the stocks.
25Tegen middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden, en zongen de lof van God; en de gevangenen luisterden naar hen.
25But about midnight Paul and Silas were praying and singing hymns to God, and the prisoners were listening to them.
26Maar eensklaps kwam er een aardbeving, zo hevig, dat de grondslagen van de gevangenis er van schudden. Opeens sprongen alle deuren open, en bij allen lieten de boeien los.
26Suddenly there was a great earthquake, so that the foundations of the prison were shaken; and immediately all the doors were opened, and everyone’s bonds were loosened.
27De gevangenbewaarder werd wakker, en zag, dat de deuren van de gevangenis openstonden. Hij trok zijn zwaard en wilde zich doden; want hij meende. dat de gevangenen waren ontvlucht.
27The jailer, being roused out of sleep and seeing the prison doors open, drew his sword and was about to kill himself, supposing that the prisoners had escaped.
28Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad; want we zijn allen nog hier.
28But Paul cried with a loud voice, saying, “Don’t harm yourself, for we are all here!”
29Hij vroeg om licht, snelde naar binnen, en viel sidderend Paulus en Silas te voet.
29He called for lights, sprang in, fell down trembling before Paul and Silas,
30Hij bracht ze naar buiten, en zeide: Heren, wat moet ik doen, om gered te worden?
30brought them out, and said, “Sirs, what must I do to be saved?”
31Ze zeiden: Geloof in den Heer Jesus, en ge zult gered worden met uw gezin.
31They said, “Believe in the Lord Jesus Christ, and you will be saved, you and your household.”
32En ze verkondigden het woord des Heren aan hem en al zijn huisgenoten.
32They spoke the word of the Lord to him, and to all who were in his house.
33Nog op hetzelfde uur van de nacht nam hij hen bij zich op, wies hun wonden, en werd toen onmiddellijk met al de zijnen gedoopt.
33He took them the same hour of the night and washed their stripes, and was immediately baptized, he and all his household.
34Nu geleidde hij ze naar boven, zette hun spijzen voor, en verheugde zich met heel zijn gezin, dat hij het geloof in God had ontvangen.
34He brought them up into his house and set food before them, and rejoiced greatly with all his household, having believed in God.
35Toen het dag was geworden, zonden de magistraten gerechtsdienaars met het bevel: Laat die mannen in vrijheid.
35But when it was day, the magistrates sent the sergeants, saying, “Let those men go.”
36De gevangenbewaarder bracht dit bericht aan Paulus over: De magistraten hebben me laten zeggen, u in vrijheid te laten. Gaat dus in vrede heen.
36The jailer reported these words to Paul, saying, “The magistrates have sent to let you go; now therefore come out and go in peace.”
37Maar Paulus zei hun: Zonder verhoor hebben ze ons, romeinse burgers, in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen; en nu laten ze ons los, maar in het geheim? Dat niet; zelf moeten ze komen,
37But Paul said to them, “They have beaten us publicly without a trial, men who are Romans, and have cast us into prison! Do they now release us secretly? No, most certainly, but let them come themselves and bring us out!”
38om ons in vrijheid te stellen. De gerechtsdienaars brachten deze boodschap aan de magistraten over. Toen ze hoorden, dat het Romeinen waren, werden ze bang;
38The sergeants reported these words to the magistrates, and they were afraid when they heard that they were Romans,
39ze gingen er heen, boden hun verontschuldigingen aan, en stelden hen in vrijheid met het verzoek de stad te verlaten.
39and they came and begged them. When they had brought them out, they asked them to depart from the city.
40Ze verlieten dus de gevangenis, en gingen bij Lúdia binnen; en toen ze de broeders hadden gezien en vermaand, reisden ze verder.
40They went out of the prison and entered into Lydia’s house. When they had seen the brothers, they encouraged them, then departed.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.