Handelingen 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Toen de dag van het pinksterfeest was aangebroken, waren ze allen op één plaats bijeen.
1Now when the day of Pentecost had come, they were all with one accord in one place.
2Eensklaps kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag, en vulde het hele huis, waar ze waren vergaderd.
2Suddenly there came from the sky a sound like the rushing of a mighty wind, and it filled all the house where they were sitting.
3Vurige tongen verschenen hun, spreidden zich rond, en zetten zich op ieder van hen neer.
3Tongues like fire appeared and were distributed to them, and one sat on each of them.
4Allen werden vervuld van den Heiligen Geest, en begonnen verschillende talen te spreken, naar gelang de Geest hen liet spreken.
4They were all filled with the Holy Spirit and began to speak with other languages, as the Spirit gave them the ability to speak.
5Nu vertoefden er te Jerusalem godvrezende Joden uit alle volken onder de hemel.
5Now there were dwelling in Jerusalem Jews, devout men, from every nation under the sky.
6Bij dat geruis liepen de mensen te hoop; ze stonden verwonderd, dat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken.
6When this sound was heard, the multitude came together and were bewildered, because everyone heard them speaking in his own language.
7Ze raakten buiten zichzelf van verbazing, en zeiden: Zie, zijn allen, die daar spreken, geen Galileërs?
7They were all amazed and marveled, saying to one another, “Behold, aren’t all these who speak Galileans?
8En hoe horen wij allen ze dan in onze eigen moedertaal spreken?
8How do we hear, everyone in our own native language?
9Parten, Meden en Elamieten; bewoners van Mesopotámië, Judea en Kappadócië, van Pontus en Azië,
9Parthians, Medes, Elamites, and people from Mesopotamia, Judea, Cappadocia, Pontus, Asia,
10van Frúgië en Pamfúlië, van Egypte en de streken van Lybië bij Cyrene: romeinse kolonisten,
10Phrygia, Pamphylia, Egypt, the parts of Libya around Cyrene, visitors from Rome, both Jews and proselytes,
11Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren: we horen ze in onze eigen taal Gods grote werken verkondigen.
11Cretans and Arabians—we hear them speaking in our languages the mighty works of God!”
12Allen stonden verbaasd en in twijfel. Sommigen zeiden tot elkander: Wat zou dat betekenen?
12They were all amazed and were perplexed, saying to one another, “What does this mean?”
13Maar anderen zeiden spottend: Ze zijn dronken van zoete wijn.
13Others, mocking, said, “They are filled with new wine.”
14Toen stond Petrus op, omringd van al de elf; hij verhief zijn stem, en sprak hun toe: Joodse mannen, en gij allen, die in Jerusalem woont: Dit moet gij weten; geeft acht op mijn woorden.
14But Peter, standing up with the eleven, lifted up his voice and spoke out to them, “You men of Judea and all you who dwell at Jerusalem, let this be known to you, and listen to my words.
15Neen, deze mannen zijn niet dronken, zoals gij vermoedt; want het is eerst het derde uur van de dag.
15For these aren’t drunken, as you suppose, seeing it is only the third hour of the day.
16Maar hier geschiedt, wat door den profeet Joël voorzegd is:
16But this is what has been spoken through the prophet Joel:
17En het zal geschieden op het einde der dagen, zegt God “Ik zal uitstorten van mijn Geest over alle vlees; Uw zonen en dochters zullen profeteren, Uw jonge mannen visioenen schouwen, Uw grijsaards dromen ontvangen;
17‘It will be in the last days, says God, that I will pour out my Spirit on all flesh. Your sons and your daughters will prophesy. Your young men will see visions. Your old men will dream dreams.
18Zelfs over mijn slaven en slavinnen in die dagen, Stort Ik uit van mijn Geest, en ze zullen profeteren.
18Yes, and on my servants and on my handmaidens in those days, I will pour out my Spirit, and they will prophesy.
19Ik zal wonderen doen in de hemel daar boven, En tekenen op de aarde beneden: Bloed en vuur, en walm van rook.
19I will show wonders in the sky above, and signs on the earth beneath: blood, and fire, and billows of smoke.
20De zon zal in duisternis verkeren, de maan in bloed, Voordat de Dag des Heren komt, Groot en heerlijk.
20The sun will be turned into darkness, and the moon into blood, before the great and glorious day of the Lord comes.
21Dan zal iedereen worden gered, Die de naam des Heren aanroept!
21It will be that whoever will call on the name of the Lord will be saved.’
22Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jesus van Názaret, een man, voor wien God bij u heeft getuigd door krachten en wonderen en tekenen, welke God, zo gij weet, door Hem in uw midden verrichtte:
22“Men of Israel, hear these words! Jesus of Nazareth, a man approved by God to you by mighty works and wonders and signs which God did by him among you, even as you yourselves know,
23Hem hebt gij overgeleverd naar het vaste raadsbesluit en de voorkennis Gods, en door de hand van heidenen aan het kruis geslagen en gedood.
23him, being delivered up by the determined counsel and foreknowledge of God, you have taken by the hand of lawless men, crucified and killed;
24Maar God heeft Hem opgewekt, en verbroken de strikken van de dood; daar het niet mogelijk was, dat deze Hem vasthield.
24whom God raised up, having freed him from the agony of death, because it was not possible that he should be held by it.
25Want David zeide van Hem: “Den Heer hield ik altijd voor ogen; Want Hij staat mij ter zijde, opdat ik niet wankele
25For David says concerning him, ‘I saw the Lord always before my face, for he is on my right hand, that I should not be moved.
26Daarom verheugt zich mijn hart, En jubelt mijn tong; Ook mijn vlees zal rusten vol hoop,
26Therefore my heart was glad, and my tongue rejoiced. Moreover my flesh also will dwell in hope,
27Want Gij laat mijn ziel niet in het dodenrijk achter. Uw Heilige laat Gij het bederf niet aanschouwen,
27because you will not leave my soul in Hades, neither will you allow your Holy One to see decay.
28Gij hebt mij de wegen van het leven getoond; Gij zult mij van vreugde vervullen Door uw aanschijn!
28You made known to me the ways of life. You will make me full of gladness with your presence.’
29Mannen broeders, van den aartsvader David mag men u zeker wel openlijk zeggen, dat hij èn gestorven is én begraven; zijn graf staat in ons midden tot op de huidige dag.
29“Brothers, I may tell you freely of the patriarch David, that he both died and was buried, and his tomb is with us to this day.
30Maar hij was een profeet; en hij wist, dat God hem onder ede beloofd had, een uit de vrucht zijner lende op zijn troon te doen zetelen.
30Therefore, being a prophet, and knowing that God had sworn with an oath to him that of the fruit of his body, according to the flesh, he would raise up the Christ to sit on his throne,
31En daar hij de toekomst voorzag, heeft hij over de verrijzenis van den Christus gezegd, dat Hij niet in het dodenrijk zou worden achtergelaten, en dat zijn vlees het bederf niet zou zien.
31he foreseeing this, spoke about the resurrection of the Christ, that his soul wasn’t left in Hades, and his flesh didn’t see decay.
32Welnu, dezen Jesus heeft God doen verrijzen; daarvan zijn wij allen getuigen.
32This Jesus God raised up, to which we all are witnesses.
33En nu Hij, verheven aan Gods rechterhand, van den Vader den beloofden Heiligen Geest heeft ontvangen, nu heeft Hij Dien ook uitgestort, zoals gij ziet en hoort.
33Being therefore exalted by the right hand of God, and having received from the Father the promise of the Holy Spirit, he has poured out this which you now see and hear.
34David is niet ten hemel gestegen; toch zegt hij het zelf: “De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand,
34For David didn’t ascend into the heavens, but he says himself, ‘The Lord said to my Lord, “Sit by my right hand
35Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten.”
35until I make your enemies a footstool for your feet.”’
36Heel het huis van Israël zij er dus van doordrongen, dat God dienzelfden Jesus, dien gij hebt gekruisigd, tot Heer en Christus heeft gesteld.
36“Let all the house of Israel therefore know certainly that God has made him both Lord and Christ, this Jesus whom you crucified.”
37Toen ze dit hoorden, werden ze diep getroffen; en ze zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Mannen broeders, wat moeten we doen?
37Now when they heard this, they were cut to the heart, and said to Peter and the rest of the apostles, “Brothers, what shall we do?”
38Petrus zei hun: Bekeert u allen, en laat u dopen in de naam van Jesus Christus, tot vergiffenis uwer zonden; dan zult gij de gaven ontvangen van den Heiligen Geest.
38Peter said to them, “Repent and be baptized, every one of you, in the name of Jesus Christ for the forgiveness of sins, and you will receive the gift of the Holy Spirit.
39Want voor u is de belofte; ook voor uw kinderen, en voor allen die van verre zijn: voor allen, die de Heer onze God Zich zal roepen.
39For the promise is to you and to your children, and to all who are far off, even as many as the Lord our God will call to himself.”
40Met nog veel andere woorden legde hij getuigenis af; ook vermaande hij hen, en sprak: Redt u toch uit dit bedorven geslacht.
40With many other words he testified and exhorted them, saying, “Save yourselves from this crooked generation!”
41En zij, die zijn woord aanvaardden, ontvingen het doopsel; die dag traden er ongeveer drie duizend mensen toe.
41Then those who gladly received his word were baptized. There were added that day about three thousand souls.
42Ze bleven volharden in de leer der apostelen en de onderlinge gemeenschap, in het breken des broods en in het gebed.
42They continued steadfastly in the apostles’ teaching and fellowship, in the breaking of bread, and prayer.
43Allen leefden in vrees. De apostelen verrichtten vele wonderen en tekenen.
43Fear came on every soul, and many wonders and signs were done through the apostles.
44En al de gelovigen waren ten nauwste vereend, en bezaten alles in gemeenschap.
44All who believed were together, and had all things in common.
45Ze verkochten have en goed, en verdeelden het onder elkander, naar ieders behoefte.
45They sold their possessions and goods, and distributed them to all, according as anyone had need.
46Iedere dag bezochten ze eendrachtig de tempel, en thuis braken ze het brood. Ze genoten hun voedsel in opgeruimdheid en eenvoud van hart.
46Day by day, continuing steadfastly with one accord in the temple, and breaking bread at home, they took their food with gladness and singleness of heart,
47Ze loofden God, en stonden in gunst bij heel het volk. En de Heer bracht iedere dag meer geredden bijeen.
47praising God and having favor with all the people. The Lord added to the assembly day by day those who were being saved.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.