1 Samuel
Chapter 17
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Eens verzamelden de Filistijnen hun troepen ten strijde; zij trokken zich samen bij Soko, dat tot Juda behoort, en sloegen hun kamp op tussen Soko en Azeka, bij Éfes-Dammim.
1Ora, os filisteus reuniram os seus exércitos para a guerra; juntaram-se em Socó, que pertence a Judá, e acamparam entre Socó e Azeca, em Efes-Damim.
2Ook Saul en de Israëlieten trokken zich samen; ze sloegen hun kamp op in het Terebintendal, en maakten front tegenover de Filistijnen.
2Saul e os homens de Israel se reuniram, acamparam no vale de Elá e formaram a linha de batalha contra os filisteus.
3Zo stonden de Filistijnen aan de ene kant tegen het gebergte, de Israëlieten aan de andere kant, en het dal lag tussen hen in.
3Os filisteus se posicionaram na encosta de um monte, e os israelitas na encosta do outro monte, com o vale entre eles.
4Daar trad uit de rijen der Filistijnen een kampvechter naar voren. Hij heette Goliat, en was afkomstig uit Gat. Hij was zes el en een span lang,
4Do acampamento dos filisteus saiu um guerreiro chamado Golias, de Gate, cuja altura era de seis côvados e um palmo.
5had een koperen helm op zijn hoofd en droeg een schubbenpantser, dat aan koper vijfduizend sikkels woog;
5Ele usava um capacete de bronze na cabeça e vestia uma couraça de escamas; e o peso da couraça era de cinco mil siclos de bronze.
6aan zijn benen had hij koperen scheenplaten, en op zijn schouders rustte een koperen speer.
6Ele usava caneleiras de bronze nas pernas e carregava um dardo de bronze nas costas.
7De schacht van zijn lans leek wel een weversboom, en de spits ervan woog aan ijzer zes honderd sikkels. Zijn schilddrager ging voor hem uit.
7A haste da sua lança era como um eixo de tecelão, e a ponta de ferro da lança pesava seiscentos siclos. E o seu escudeiro ia à sua frente.
8Hij bleef staan, en riep tot de slagorden van Israël: Waarom zijt gij uitgetrokken? Om oorlog te voeren? Nu dan; ik ben de Filistijn en gij zijt slaven van Saul! Wijst dus iemand aan, die op mij af durft komen.
8Ele parou e gritou para as fileiras de Israel: “Por que vocês saíram para formar a linha de batalha? Não sou eu um filisteu, e vocês não são servos de Saul? Escolham um homem e mandem-no descer para lutar comigo.
9Als hij mij aan kan en mij verslaat, dan zullen wij uw slaven zijn; maar als ik hem aan kan en hem versla, dan zult gij ónze slaven zijn en óns dienen!
9Se ele puder lutar comigo e me matar, nós seremos seus servos; mas se eu o vencer e o matar, vocês serão nossos servos e nos servirão.”
10En de Filistijn ging voort: Ik tart vandaag de slagorden van Israël; zend me iemand, om het uit te vechten!
10O filisteu acrescentou: “Eu desafio as tropas de Israel no dia de hoje! Dêem-me um homem para lutarmos sozinhos!”
11Toen Saul en alle Israëlieten die uitdaging van den Filistijn hoorden, schrokken ze en waren doodsbenauwd.
11Quando Saul e todo o Israel ouviram essas palavras do filisteu, ficaram apavorados e com muito medo.
12David was de zoon van een Efrateër uit Betlehem in Juda, die Jesse heette en acht zonen had. Deze man was ten tijde van Saul reeds op hoge leeftijd gekomen.
12Ora, Davi era filho daquele efrateu de Belém de Judá, chamado Jessé. Este tinha oito filhos e, nos dias de Saul, já era idoso, muito velho.
13De drie oudste zonen van Jesse waren met Saul ten strijde getrokken. Deze drie zonen, die aan de strijd deelnamen, heetten: de eerstgeborene Eliab, de tweede Abinadab en de derde Sjamma.
13Os três filhos mais velhos de Jessé haviam seguido Saul para a guerra. Os nomes dos seus três filhos que foram para a guerra eram Eliabe, o primogênito; Abinadabe, o segundo; e Samá, o terceiro.
14David was de jongste. Omdat dus de drie oudsten met Saul waren meegetrokken,
14Davi era o mais novo; os três mais velhos seguiram Saul.
15was David van Saul naar Betlehem teruggekeerd, om de schapen van zijn vader te hoeden.
15Mas Davi ia ao acampamento de Saul e voltava a Belém, para apascentar as ovelhas de seu pai.
16Nadat de Filistijn reeds veertig dagen lang iedere morgen en avond opnieuw vooruit was getreden, en zich in postuur had gezet,
16O filisteu vinha apresentar-se pela manhã e à tarde, durante quarenta dias.
17beval Jesse zijn zoon David: Neem voor uw broers een efa van die geroosterde korrels en deze tien broden mee, en breng ze vlug in het legerkamp naar uw broers;
17Certo dia, Jessé disse a Davi, seu filho: “Pegue um efa destes grãos tostados e estes dez pães, e leve-os depressa ao acampamento para os seus irmãos.
18deze tien kazen moet ge aan den hoofdman van duizend afleveren. Vraag dan, of uw broers het goed maken, en neem hun kwijting in ontvangst.
18Leve também estes dez queijos ao comandante dos mil deles. Veja como estão os seus irmãos e traga-me alguma notícia deles.”
19Saul staat met hen en met alle Israëlieten in het Terebintendal, om tegen de Filistijnen te strijden.
19Ora, Saul, e eles, e todos os homens de Israel, estavam no vale de Elá, lutando contra os filisteus.
20De volgende morgen maakte David zich gereed, vertrouwde de kudde aan een bewaker toe, nam zijn vracht op en begaf zich op weg, zoals Jesse het bevolen had. Hij kwam in de legerplaats aan, juist toen het leger uittrok naar het front, de strijdkreet werd aangeheven
20Davi levantou-se de madrugada, deixou as ovelhas com um guarda, pegou as provisões e partiu, como Jessé lhe havia ordenado. Ele chegou ao acampamento no momento em que o exército saía para tomar posição de combate, gritando o grito de guerra.
21en Israëlieten en Filistijnen zich tegenover elkander in slagorde stelden.
21Israel e os filisteus se posicionaram em linha de batalha, exército contra exército.
22David gaf dus zijn vracht aan den oppasser van de legertros in bewaring, en spoedde zich naar het front, om daar zijn broers te gaan groeten.
22Davi deixou a sua bagagem com o guarda da bagagem, correu para a linha de batalha e foi saudar os seus irmãos.
23Maar terwijl hij met hen stond te praten, daagde uit de Filistijnse rijen de kampvechter op: Goliat, de Filistijn uit Gat. Hij kwam met zijn bekend voorstel, en David hoorde het.
23Enquanto conversava com eles, eis que o guerreiro, o filisteu de Gate, chamado Golias, saiu das fileiras dos filisteus e repetiu as mesmas palavras; e Davi as ouviu.
24Bij het zien van den man vluchtten alle Israëlieten weer doodsbenauwd weg.
24Quando os homens de Israel viram o homem, fugiram dele, aterrorizados.
25Een van de Israëlieten sprak: Zien jullie den man, die daar optreedt en Israël komt uitdagen? Die hem verslaat, zal door den koning rijk worden begiftigd; hij zal hem ook zijn dochter geven, en aan zijn familie vrijdom van belasting schenken in Israël.
25Os israelitas diziam: “Vocês viram aquele homem que subiu? Certamente ele subiu para desafiar Israel. O rei dará grandes riquezas ao homem que o matar; também lhe dará a sua filha em casamento e isentará a família de seu pai de impostos em Israel.”
26David vroeg aan de mannen, die bij hem stonden: Wat zal er met den man gebeuren, die dezen Filistijn verslaat en de schande van Israël wegneemt? Wat moet die onbesneden Filistijn, dat hij de slagorde van den levenden God durft tarten!
26Davi perguntou aos homens que estavam perto dele: “O que será dado ao homem que matar esse filisteu e remover essa desonra de Israel? Quem é esse filisteu incircunciso, para desafiar os exércitos do Deus vivo?”
27Het volk antwoordde hem zoals gezegd: Dat zal er gebeuren met den man, die hem verslaat.
27O povo lhe respondeu da mesma forma, dizendo: “É isso que será feito ao homem que o matar.”
28Toen Eliab, zijn oudste broeder, hem zo met de mannen hoorde spreken, werd hij nijdig op David en zei: Waarom zijt ge eigenlijk hier gekomen, en onder wiens hoede hebt ge die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik ken uw roekeloosheid en vermetel hart; ge zijt hier gekomen, om naar het vechten te kijken!
28Eliabe, o seu irmão mais velho, ouviu Davi falando com os homens. A ira de Eliabe se acendeu contra Davi, e ele perguntou: “Por que você desceu para cá? E com quem você deixou aquelas poucas ovelhas no deserto? Eu conheço a sua arrogância e a maldade do seu coração; você desceu só para ver a batalha.”
29David antwoordde: Wat heb ik misdaan? Het is toch maar een vraag!
29Davi respondeu: “O que foi que eu fiz agora? Não posso nem fazer uma pergunta?”
30Hij keerde zich van hem af, en vroeg hetzelfde aan anderen; en het volk gaf hem hetzelfde antwoord als straks.
30Ele se virou e foi perguntar a outro a mesma coisa; e o povo lhe deu a mesma resposta.
31Maar toen het bekend werd, wat David gezegd had, werd het aan Saul oververteld, en deze liet hem halen.
31As palavras que Davi falou foram ouvidas e relatadas a Saul, que o mandou chamar.
32En David sprak tot Saul: Laat mijn heer omwille van dien Filistijn de moed niet verliezen; uw dienaar zal met hem gaan vechten!
32Davi disse a Saul: “Ninguém deve perder a coragem por causa desse filisteu. O seu servo irá e lutará contra ele.”
33Saul gaf David ten antwoord: Ge kunt met dien Filistijn niet gaan vechten; ge zijt nog maar een knaap, en hij is van jongs af aan vechten gewend.
33Saul respondeu a Davi: “Você não tem condições de lutar contra esse filisteu. Você é apenas um jovem, e ele é um guerreiro desde a sua juventude.”
34Maar David sprak tot Saul: Als uw dienaar de schapen van zijn vader hoedde, en er kwam een leeuw, die een lam van de kudde weghaalde,
34Mas Davi disse a Saul: “O seu servo estava apascentando as ovelhas de seu pai; e quando vinha um leão ou um urso e levava uma ovelha do rebanho,
35dan ging ik hem achterna, sloeg hem neer en redde het lam uit zijn muil. En wilde hij mij aanvallen, dan greep ik hem bij zijn manen en sloeg hem dood.
35eu ia atrás dele, o atacava e resgatava a ovelha da sua boca. Quando ele se voltava contra mim, eu o agarrava pela barba, o feria e o matava.
36Leeuwen en beren heeft uw dienaar neergelegd; die onbesneden Filistijn zal hetzelfde lot ondergaan als zij, want hij tart de slagorde van den levenden God.
36O seu servo matou tanto o leão como o urso. Este filisteu incircunciso será como um deles, pois desafiou os exércitos do Deus vivo.”
37Jahweh, die mij bevrijd heeft uit de klauw van leeuw en beer, Hij zal mij bevrijden uit de hand van dien Filistijn. Nu sprak Saul tot David: Vooruit dan, en moge Jahweh met u zijn.
37Davi acrescentou: “O SENHOR, que me livrou das garras do leão e das garras do urso, me livrará das mãos deste filisteu.” Saul disse a Davi: “Vá, e que o SENHOR esteja com você.”
38Hij liet David zijn eigen kleren aantrekken, zette hem een koperen helm op het hoofd, deed hem een pantser aan,
38Saul vestiu Davi com a sua própria túnica militar, colocou-lhe um capacete de bronze na cabeça e vestiu-o com uma couraça.
39en gordde hem zijn zwaard aan over zijn kleren. Maar David was niet in staat, daarin vooruit te komen; want hij had het nog nooit geprobeerd. Daarom zei David tot Saul: Daarin kan ik niet lopen; ik heb het nog nooit geprobeerd. David trok dus alles uit,
39Davi prendeu a espada sobre a túnica e tentou andar, mas não conseguiu, pois não estava acostumado com aquilo. Então Davi disse a Saul: “Não consigo andar com isto, pois não estou acostumado.” E tirou tudo.
40nam zijn stok in zijn hand, koos uit de beek vijf van de gladste stenen, deed ze in zijn herderstas, die hem voor slingertas diende, en met een slinger in de hand ging hij op den Filistijn af.
40Ele pegou o seu cajado na mão, escolheu cinco pedras lisas no riacho e as colocou na bolsa de pastor que trazia consigo. Com a sua funda na mão, ele se aproximou do filisteu.
41Ook de Filistijn trad vooruit, voorafgegaan door zijn schilddrager, en kwam hoe langer hoe dichter bij David.
41O filisteu foi se aproximando de Davi, e o seu escudeiro ia à sua frente.
42Maar toen de Filistijn David gewaar werd en hem opnam, lachte hij hem uit, omdat hij zo jong en blond was, en zo’n knap gezicht had.
42Quando o filisteu olhou e viu Davi, olhou-o com desprezo; pois Davi era apenas um jovem, ruivo e de bela aparência.
43En de Filistijn riep David toe: Ben ik soms een hond, dat ge met stokken op mij af komt? David riep hem terug: Neen, je bent nog minder dan een hond. Nu begon de Filistijn David bij zijn goden te vervloeken,
43O filisteu disse a Davi: “Acaso sou um cachorro, para que você venha a mim com pedaços de pau?” E o filisteu amaldiçoou Davi pelos seus deuses.
44en hij riep hem toe: Kom hier, dan geef ik uw vlees aan de vogels in de lucht en aan de dieren op het veld!
44O filisteu disse ainda: “Venha cá, e eu darei a sua carne às aves do céu e aos animais do campo.”
45Maar David sprak tot den Filistijn: Ge komt op mij af met zwaard, speer en lans; maar ik kom op u af in de naam van Jahweh der heirscharen, den God van Israëls legers, dien gij getart hebt.
45Davi, porém, disse ao filisteu: “Você vem contra mim com espada, lança e dardo; mas eu vou contra você em nome do SENHOR dos Exércitos, o Deus dos exércitos de Israel, a quem você desafiou.
46Vandaag zal Jahweh u aan mij overleveren; ik zal u neerslaan, de kop van uw romp scheiden, en uw lijk met de lijken van het Filistijnse leger vandaag nog aan de vogels geven in de lucht en aan de dieren op het veld. Dan zal heel de aarde weten, dat er een God in Israël is;
46Hoje mesmo o SENHOR o entregará nas minhas mãos. Eu o ferirei e cortarei a sua cabeça. E hoje mesmo darei os cadáveres do exército filisteu às aves do céu e aos animais selvagens da terra, para que toda a terra saiba que há um Deus em Israel.
47en heel dit leger zal weten, dat de zege niet komt door zwaard of lans, maar dat het Jahweh is, die de strijd beslist, en dat Hij u in onze hand heeft gegeven.
47E todos os que estão aqui saberão que o SENHOR não salva com espada e com lança; pois a batalha é do SENHOR, e ele entregará todos vocês em nossas mãos.”
48Toen nu de Filistijn vooruittrad en David tegemoet ging, liep David vlug uit de slagorde den Filistijn tegemoet.
48Quando o filisteu se levantou e começou a avançar para atacar Davi, Davi correu depressa para a linha de batalha para enfrentar o filisteu.
49Hij deed een greep in de tas, nam er een steen uit, slingerde hem weg en trof den Filistijn er mee op het voorhoofd. De steen drong door de helm in zijn voorhoofd, en hij viel voorover op de grond.
49Davi colocou a mão na bolsa, pegou uma pedra, atirou-a com a funda e atingiu o filisteu na testa. A pedra cravou-se na sua testa, e ele caiu com o rosto em terra.
50Zo won David het van den Filistijn met slinger en steen; hij had den Filistijn dodelijk getroffen, zonder dat hij een zwaard bij zich had!
50Assim Davi venceu o filisteu com uma funda e uma pedra; ele feriu o filisteu e o matou, embora não houvesse espada na mão de Davi.
51Nu rende David naar den Filistijn en ging bij hem staan; hij greep diens zwaard, rukte het uit de schede, onthoofdde hem en maakte hem af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun held dood was, sloegen zij op de vlucht.
51Então Davi correu, ficou em pé sobre o filisteu, pegou a espada dele, tirou-a da bainha e o matou, cortando-lhe a cabeça com ela. Quando os filisteus viram que o seu guerreiro mais forte estava morto, fugiram.
52Maar nu sprongen de mannen van Israël en Juda op, hieven de strijdkreet aan, en achtervolgden de Filistijnen tot aan Gat en tot de poorten van Ekron; en van Sjaäráim tot Gat en Ekron lagen de gevallen Filistijnen langs de weg!
52Então os homens de Israel e de Judá se levantaram, deram o grito de guerra e perseguiram os filisteus até a entrada de Gate e até as portas de Ecrom. Os filisteus mortos ficaram caídos pelo caminho de Saaraim, até Gate e Ecrom.
53Toen keerden de Israëlieten van de achtervolging der Filistijnen terug, en plunderden hun kampen.
53Depois que os filhos de Israel voltaram da perseguição aos filisteus, eles saquearam o acampamento deles.
54David nam het hoofd van den Filistijn en bracht het naar Jerusalem; maar zijn wapens legde hij in zijn tent.
54Davi pegou a cabeça do filisteu e a levou para Jerusalém, mas guardou as armas do filisteu na sua própria tenda.
55Toen Saul David den Filistijn tegemoet zag gaan, vroeg hij aan Abner, den legeroverste: Wiens zoon is die knaap, Abner? Abner antwoordde: Zowaar gij leeft, koning, ik weet het niet.
55Quando Saul viu Davi sair para enfrentar o filisteu, perguntou a Abner, o comandante do exército: “Abner, de quem esse jovem é filho?” Abner respondeu: “Tão certo como o rei vive, eu não sei.”
56Daarom beval de koning: Ga dan eens vragen, van wien die jongen de zoon is.
56O rei ordenou: “Vá descobrir de quem esse jovem é filho!”
57Toen David dus van zijn overwinning op den Filistijn terugkeerde, nam Abner hem mee, en bracht hem, met het hoofd van den Filistijn in zijn hand, voor Saul.
57Assim que Davi voltou, depois de matar o filisteu, Abner o levou e o apresentou a Saul, com a cabeça do filisteu ainda na mão.
58Saul vroeg hem: Wiens zoon zijt ge, mijn jongen? David antwoordde: De zoon van uw dienaar Jesse, den Betlehemiet.
58Saul lhe perguntou: “De quem você é filho, jovem?” Davi respondeu: “Sou filho do seu servo Jessé, o belemita.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.